I Am Not Your Negro
In the Crosswind
Little Men
Austerlitz
Auf einmal
HANZO THE RAZOR Filmthuis

Een selectie uit de videotheek van nieuwe, interessante en curieuze films die niet in de bioscoop zijn uitgebracht. En films opnieuw uitgebracht op dvd.


HANZO THE RAZOR
De rijstneuker

In 1972, op het hoogtepunt van sexploitation en funkmuziek, verscheen het eerste deel van hanzo the razor, over de samoerai die vrouwen op geheel eigen wijze aan een verhoor onderwerpt. Nu er is de complete boxset.

Toen de Japanse bioscopen eind jaren zestig leeg liepen omdat het publiek liever thuis achter de tv ging zitten, bedacht het productiehuis Katsu Productions een oplossing: seks, geweld en samoerai, in die tijd de heilige drie-eenheid van elke geile Japanse puber. Vooral de jongemannen die net in grote getale vanuit het platteland naar de stad waren getrokken en zichzelf nog geen tv konden veroorloven, vormden een dankbaar publiek.
Een van de hoogtepunten van Katsu Productions — groot geworden met zatoichi de blinde zwaardvechter — was de driedelige sexploitationserie hanzo the razor, gebaseerd op de manga van Kazuo Koike. Gewapend met een zwaard en een Spartaans getrainde penis gaat de viriele politiedetective Hanzo Itami (gespeeld door Shintarô Katsu, de broer van de producent) corruptie en machtsmisbruik in Edo te lijf. De serie combineert daarbij een hele batterij filmgenres door naast de, trouwens keurig gefilmde, seksscènes de boel op te vrolijken met over-the-top geisers van bloed uit slasherfilms en zwaardgevechten die we kennen van klassieke samoeraifilms.
Hanzo moet niks hebben van het gebruikelijke handjeklap van de elite en hij laat niet na om dat minstens één keer per film in pedante politieke speeches duidelijk te maken. En wie niet horen wil moet maar voelen. Dat laten voelen doet hij tot onze grote vreugde niet alleen met z'n zwaard, en dat is wat de serie onderscheidt van elke andere reeks over een eenzame rebel die het opneemt tegen de gevestigde orde. Hier worden de vrouwen die weigeren Hanzo de gewenste informatie te leveren namelijk verhoord door ze in een net over z'n penis te laten zakken en lekker een uur of twee rond te draaien. Tegen de tijd dat ze niet meer zonder kunnen, stopt het verhoor, waarna ze natuurlijk alles meteen bekennen. En omdat het in die tijd democratie 'über alles' was, martelt Hanzo zichzelf ook af en toe om de voeling met zijn slachtoffers niet te verliezen.

Orgies
Gelukkig wisten ze bij Katsu Productions wanneer ze ergens mee op moesten houden. Sexploitation en genreparodieën zijn even leuk en dan moet je snel weer iets anders gaan doen. Slechts drie keer kreeg Hanzo de kans om zijn kunsten te vertonen en toen ging de stekker eruit. De boxset van Eureka bevat ze gelukkig alle drie — sword of justice, the snare en who's got the gold — samen met drie verschillende en uitstekende teksten van Tom Mes (Filmkrantmedewerker en beheerder van Midnighteye.com over Japanse cinema). Samen met de films uit de female prisoner #701-serie (onlangs ook door Eureka uitgebracht) zou hanzo trouwens een inspiratie zijn geweest voor Tarantino's kill bill maar dat is meer als vingerwijzing dan als compliment bedoeld.
Dit is een van de vreemdste genrecombinaties in de schappen en dat alleen al rechtvaardigt Eureka's release. Veel idioter kan het niet worden zonder in ranzig en klungelig sadomasochisme te vervallen. Had ik al gezegd dat Hanzo zijn penis elke ochtend geselt in een speciale houten mal om vervolgens een baal rijst te neuken?
Geestverschijningen, lesbische vrijscènes en orgies gecombineerd met Hanzo's zelfgemaakte boobytraps waarmee een man of vijf tegelijk aan de muur worden gespietst, schetsen de ambiance van deze psychedelische samoeraitrilogie. En dat allemaal met op de achtergrond een swingende funky soundtrack. Het kon allemaal begin jaren zeventig, net een paar jaar voordat de KRO met het minstens even waanzinnige dagboek van een herdershond kwam.

Ronald Rovers

HANZO THE RAZOR-trilogie (Kenji Misumi/Yasuzo Masumura/Yoshio Inoue, Japan, 1972/1973/1974, Eureka, import, regio 2).


RED RIDING
't Is grimmig in het noorden

Zo'n vrolijke boel was het niet altijd in de jaren zeventig. De red riding-trilogie, gebaseerd op de boeken van David Peace, toont hoe corruptie, machtsmisbruik en perversie schering en inslag waren in het noorden van Engeland.

red riding (1980)


De veelgeprezen BBC-serie life on mars leverde een onverwachte held in het personage van inspecteur Gene Hunt. De serie speelt in het Manchester van de jaren zeventig, en Hunt is het summum van wat we ons nu voorstellen bij de politieman van de jaren zeventig: corrupt, vrouwonvriendelijk, machtsbelust, racistisch, gewelddadig. Maar uiteindelijk heeft hij uiteraard een hartje van goud, en binnen het universum van de series bovendien het gelijk aan zijn zijde, dus het Britse publiek vrat hem op.
Auteur David Peace zal het met enige reserves hebben gadegeslagen. De Red Riding-boeken, het kwartet grimmige crime-thrillers van zijn hand dat nu in drie delen is verfilmd voor Channel 4, speelt in min of meer dezelfde tijd — de vier boeken zijn getiteld naar de jaren waarin zij spelen: 1974, 1977, 1980 en 1983 — en in dezelfde omgeving: Yorkshire, oftewel de oude mijngebieden rond Leeds in het noorden van Engeland. En 'it's grim up North', zoals men in Engeland zegt. De agenten in Peace's boeken zijn net zo corrupt en gewelddadig als Hunt, maar hartjes van goud zijn ver te zoeken — en wie er gelijk heeft daar kraait überhaupt geen haan naar.

Gestuntel
Nee, geen vrolijke noten of hartverwarmende terzijdes in deze drie films, waarin verschillende hoofdpersonen vechten tegen hetzelfde web van het corrupte politieapparaat en de zakenlieden die daar misbruik van maken. In 1974 is dat de jonge journalist Eddie Dunford (Andrew Garfield), vers terug van een mislukt avontuur in Londen, wat hem op flink wat hoon van zijn kersverse collega's komt te staan. Dus bijt hij zich vast in zijn stukken, en dan met name die over de verdwijning van een zesjarig meisje, een verdwijning die verband lijkt te hebben met eerdere zedenmisdrijven op jonge meisjes. Zakenman John Dawson (Sean Bean) lijkt de spil, maar wordt van alle kanten afgeschermd.
Boek 1977 slaan we over; Channel 4 had te weinig geld; scenarist Tony Grisoni hoopt de film later alsnog te kunnen maken. In 1980 stuiten we op politieman Peter Hunter (Paddie Considine), die speciaal uit Manchester wordt ingevlogen om het politiegestuntel van de al jaren slepende (en waargebeurde) zaak rond de Yorkshire Ripper onder de loep te nemen. Het wordt hem uiteraard niet in dank afgenomen door de plaatselijke orde, goeddeels dezelfde corrupte bende die het ook in 1974 al voor het zeggen had.
In 1983 ten slotte, mag één van hen zijn positie redden: de langzittende agent Maurice Jobson (David Morrissey) trekt wanneer opnieuw een jong meisje verdwijnt de lijntjes uit de eerdere films aan en mag er een mooie strik in leggen. Iets te mooi, uiteraard, want de warboel aan doodlopende eindjes en vergeten drama uit de boeken moet in vijf uur film worden gestroomlijnd. En regisseur Anand Tucker heeft, in tegenstelling tot de makers van de eerste twee delen (respectievelijk Julian Jarrold en James Marsh), de symboliek wat al te ver opgevoerd. Het zijn dan ook met name de eerste twee delen die beklijven, waarin je met de hoofdpersonen mee de duisternis in wordt gezogen.

Joost Broeren

RED RIDING-trilogie (Julian Jarrold/James Marsh/Anand Tucker, Engeland, 2009, Optimum, import, regio 2).


Konijnenplaag
CELIA (Ann Turner, Australië, 1989, Second Run, import, region 2)
Zeg: wit konijn. En zeg: klein meisje. En de naam van Alice komt meteen bovendrijven. Dat is de buurvrouw. Het kleine meisje heet hier Celia. Een anagram van Alice. Celia wil in haar wonderland — jaren vijftig Australië, opbouwnatie met een grote angst voor communisten — een wit konijn. Haar oma en beste vriendin is net overleden en dan heb je als negenjarige iets anders nodig om tegen te praten. Want met haar ouders gaat dat maar moeizaam. Ze begrijpen haar niet goed, weten niet wat er in haar kop leeft. Vooral haar vader lijkt een stugge man, die dan ook in eerste instantie resoluut 'nee' zegt tegen de komst van het konijn. Er heerst namelijk een konijnenplaag in wonderland, en het is bepaald niet sociaal wenselijk om 'dat ongedierte' in huis te nemen. Afschieten zullen we ze! Allemaal!
De strijd tegen de konijnen neemt net zulke hysterische vormen aan als de jacht op de communisten. Het is een benauwend milieu waarin regisseur Ann Turner Celia plaatst. Maar Celia ontsnapt, ook aan de vele pesterijen met haar rivale Heather, zoals dat gaat, door haar fantasie te gebruiken, door spelletjes en dromen.
Tot zo ver niet veel nieuws aan de horizon. Turner doet echter meer in haar debuutfilm uit 1989. Ze heeft goed gekeken naar haar grote voorbeelden Rossellini en Truffaut en maakt al het intermenselijke steeds complexer. Een goed voorbeeld is Celia's relatie met haar vader. Deze wordt gedurende de film steeds ambiguer. Aan de ene kant veroordeelt papa de communistische neigingen van zijn buurman, en vernietigt daarmee een deel van de fantasiewereld van Celia, die het heel goed kon vinden met buurvrouw Alice; maar aan de andere kant koopt hij uiteindelijk wel het konijn voor haar. In een ontroerende scène die, zoals de hele film, nergens sentimenteel wordt. Tot het einde toe, als blijkt dat witte konijnen wel degelijk moord en doodslag kunnen veroorzaken, blijft Turners regie welhaast laconiek en bewegingsloos. In een duidelijke ode aan les quatre cents coups eindigt Celia's filmleven dan ook plotsklaps. In het midden van een spelletje.
Mike Naafs




Buitenstaanders
SÉRAPHINE (Martin Provost, Frankrijk, 2009, Cinéart)
De schilderijen van de 'moderne primitief' Séraphine de Senlis (1864-1942) zijn in Nederland niet erg bekend. Het is daarom begrijpelijk dat de film over haar leven hier de bioscopen niet haalde. Jammer is het wel, want séraphine van Martin Provost werd dit jaar terecht bekroond met zeven Césars, waarvan een voor actrice Yolande Moreau.
Een Franse kunst-biopic kan vervelend uitpakken, maar Provost heeft van séraphine gelukkig een eenvoudig en teder verhaal gemaakt over twee buitenstaanders. Séraphine Louis was een arme, zeer godsdienstige huishoudster uit het plaatsje Senlis, totdat de Duitse kunstkenner Wilhelm Uhde (Ulrich Tukur) in haar een natuurtalent ontdekte. Het rare, mompelende vrouwtje met de slordige knot schilderde omdat haar engelbewaarder haar dat influisterde: eindeloze variaties op bloemen, vruchten en bladeren. Net als Le Douanier Rousseau indertijd, werd ze omarmd door Uhde vanwege haar naïeve schilderstijl. De prachtige manier waarop Moreau opgaat in haar personage en de onnadrukkelijke regie van Provost doen het bijzondere verhaal alle recht. Séraphine's eenzaamheid, intense geloof en mentale verwarring vernemen we via de reacties van de mensen om haar heen. Uhde's isolement als buitenlander en homoseksueel blijkt alleen indirect. Uhde stimuleerde Séraphine om verder te schilderen, maar moest Frankrijk verlaten vanwege de Eerste Wereldoorlog. Wanneer hij terugkeert, in 1927, maakt Séraphine twee meter hoge doeken vol kolkende vegetatie. Hij heeft iets in haar ontketend.
De tweede helft van de film is eigenlijk de mooiste. Séraphine blijkt niet alleen getalenteerd, maar ook grappig, naïef, ijdel en steeds minder in contact met de realiteit. "Ben je wel zeker dat het je engelbewaarder is?" twijfelt iemand bij het zien van haar laatste, overweldigende doeken. Het meesterlijke is dat Provost je tussen die bloemen al de schaduw laat voelen van wat onvermijdelijk bleek. Séraphine Louis stierf in 1942 in een psychiatrische inrichting.
Barend de Voogd




Hippie-filmmaken
LOVE LIVE LONG (Mike Figgis, Engeland, 2008, Living Colour)
Mike Figgis, de Britse regisseur die het experiment niet schuwt, werd gevraagd voor een documentaire over de Gumball 3000 Rally, reisde naar Istanbul waar in 2007 de finish lag, en keerde terug met een fictiefilm over twee moreel verdwaalde bezoekers van de stad. Geschoten tegen de achtergrond van de jaarlijkse autorace, dat wel. Figgis zou Figgis niet zijn als hij het documentaireverzoek braaf had ingewilligd.
love live long heeft alles weg van een haastklus: in zeven dagen opgenomen, op basis van een treatment van één A4-tje en met acteurs die hun dialogen improviseren. Een terugkeer naar 'hippie-filmmaken', noemt de regisseur het zelf. Het radicale, ongepolijste karakter van de film ademt inderdaad een avantgardistisch gevoel van verzet. In deze gematigde tijden doet dat verfrissend aan. Maar de vrijgevochtenheid zorgt ook voor vrijblijvendheid.
Figgis hinkt op twee gedachten: blootleggen dat Gumball 3000 in zijn kielzog vooral nihilisme, decadentie en verval met zich meesleept én de zoveelste filmische studie maken naar voyeurisme. Maar het lijntje dat die onderwerpen tot de som der delen maakt ontbreekt. Het rendez-vous tussen de schofterige autocoureur Darren, die in elk stadje een ander schatje scoort, en de seksueel gefrustreerde jonge vrouw Rachel, die net een zelfmoordpoging achter de rug heeft, eindigt vernederend op een donkere hotelkamer. Daar heeft Darren telefoonseks met zijn echtgenote terwijl Rachel in lingerie en met de benen gespreid toekijkt. De volgende ochtend ontwaakt ze bedekt onder een dikke laag bankbiljetten.
Als wraak dringt Rachel vervolgens Darrens leven binnen. Figgis vertaalt de opdringerigheid van zijn hoofdpersonen in een vernuftig spel met het camerawerk. De hotelkamerscène lijkt te zijn geschoten door het oog van een surveillancecamera, een documentairemaker zit Darren op de huid met lastige vragen, Rachel draait haar eigen 'suicide diaries'. Figgis' aanpak getuigt van creativiteit en lef, maar een tikkeltje meer voorbereiding had een coherentere film opgeleverd.
Niels Bakker


Hartverscheurend
DEAR ZACHARY: A LETTER TO A SON ABOUT HIS FATHER (Kurt Kuenne, Amerika, 2008, Oscilloscope, import, regio 1)
Er waren eens twee vrienden: Kurt en Andrew. In hun tienerjaren maakten ze samen filmpjes. Later werd Andrew dokter, Kurt bleef filmen. Toen ging Andrew dood. Vermoord. Door een rancuneuze ex met een flinke steek los. Die op dat moment zwanger was van Andrews kind. Maar dat bleek pas later; eerst ging Kurt een film maken over zijn overleden vriend, pas daarna werd die film een brief aan Andrews ongeboren zoon. En daarna werd de film weer iets anders, iets veel en veel ergers.
Dat is de insteek van de documentaire dear zachary: a letter to a son about his father, die afgelopen november te zien was op het IDFA-festival en nu op import-dvd is verschenen. Kurt is maker Kurt Kuenne, en Andrew Bagby was zijn vriend. dear zachary begint als een ode aan de volgens alle getuigen bewonderenswaardige mens die Bagby was, en een zoektocht van Kuenne naar de vriend die hij was kwijtgeraakt. Om vervolgens, gedwongen door de gebeurtenissen, grimmiger wegen in te slaan, hartverscheurende wegen.
Objectiviteit is in dear zachary dan ook ver te zoeken, maar juist dat is de grote kracht van de film. Kuenne is er niet op uit om iets te tonen, maar wil de kijker overdonderen. Dat lukt. Door een montage met een hoge beelddichtheid, waarin de zoektocht in het 'nu' wordt afgewisseld met vele jeugdbeelden van Bagby en tientallen snel door elkaar gesneden interviews met zijn vrienden, familie en bekenden. Door Kuenne's eigen muziek, die zich niet opdringt maar toch subtiel het gemoed bespeelt. En vooral door Kuenne's persoonlijke, vaak met hoorbaar brekende stem uitgesproken voice-over waaruit overduidelijk zijn verdriet en woede blijken.
Joost Broeren


Mini-jurkjes
KLEINE VERA (Vasili Pitsjoel, Rusland, 1988, Moskwood Media)
Ze was een dochter van de glasnost, de nieuwe openheid onder Michael Gorbatsjov. kleine vera was in 1988 een sensatie in de Sovjet-Unie. 56 miljoen Russen zagen de film. Alcoholisme, het leven in de troosteloze flatjes, een opstandige jeugd die de confrontatie zoekt, seks, depressie... Regisseur Vasili Pitsjoel hield de socialistische heilstaat een sombere spiegel voor.
Het scenario, geschreven door de 22-jarige Maria Gmelik, kon eigenlijk alleen verfilmd worden omdat de bureaucraten bij Gorki Film in Moskou verwikkeld waren in interne conflicten. Pistjoel vertelt in een interessant interview op de dvd dat hij daardoor relatief ongehinderd kon filmen in het industriestadje Zhdanov. Eenmaal in de bioscoop ontbrandde de hype: je moest kleine vera vandaag nog zien. Morgen kon het wel eens afgelopen zijn met de nieuwe vrijheid.
De politieke lading van kleine vera is nog steeds voelbaar, bijvoorbeeld in Vera's sarcasme over de doelen in haar leven: "We hebben maar één doel: communisme." Wat nu beter opvalt is hoe geslaagd de film ook is als familiedrama. Natalia Negoda is uitstekend als de opstandige dochter die al in de eerste scène knallende ruzie maakt over de Amerikaanse dollars die moeder in haar zakken heeft gevonden. Vera draagt mini-jurkjes, een overdadige hoeveelheid make-up, en drinkt, rookt en neukt. Zelfs haar oudere broer Victor heeft geen grip op haar. Op een feestje ontmoet ze Sergei (Andrei Sokolov) en er bloeit 'een mooi, groot sovjet-gevoel' tussen die twee. Maar wanneer de arrogante Sergei bij Vera en haar ouders intrekt, lopen in het kleine appartement de gemoederen hoog op.
Het verhaal over een jonge vrouw die tussen vader, broer en minnaar moet laveren, blijkt tijdloos. Maar het blijft natuurlijk dezelfde opstandige Vera (het Russische woord voor geloof) die destijds als een glimpje hoop werd ervaren. "Toen", sombert Pitsjoel meer dan twintig jaar later, "kende ik nog geen angst."
Barend de Voogd



top
Artikelen
Festivalexplosie "We zijn een breekijzer"
Filmslot I Gekelderd op de ladder
Filmslot II Kinderfilm in de knel
Storyboards van Mark de Cloe en Dick Tuinder Het leven in splitscreen
Toekomst filmfestivals 'De kaarten opnieuw schudden'

Interviews
Aïda Begic over SNOW Niets in het universum verdwijnt
François Ozon over RICKY "Er zit absoluut een duistere kant aan"
Jiska Rickels over BABAJI Geesten vangen
Nuri Bilge Ceylan over THREE MONKEYS 'Alles zal als dominostenen omvallen'
Sergei Dvortsevoy over TULPAN "Ik haat exotische onzin"
Take 5: Jean naar Cannes

Rubrieken
Boeken Zien is niet geloven
Duidelijk Donder en mist
Filmweb
Filmfocus
Filmkort
Mening
Filmnieuws
Filmpers
Filmsterren
Filmthuis
Webfilm
World Wide Angle (NL)


Recensies
ANGST Verlammende angsten
BABAJI, AN INDIAN LOVE STORY Tot de dood ons niet scheidt
LA BUENA VIDA Alwéér een rondje Santiago
THE BURNING PLAIN Te weinig vuur
CASANEGRA "Zó wilde ik Marokko filmen"
CORALINE EN DE GEHEIME DEUR Surrealistisch mooi
DE LAATSTE DAGEN VAN EMMA BLANK Loslatende plaksnorren
LAST STOP 174 Giftige cocktail
LINHA DE PASSE Nou eens even geen lijmsnuivers
IL PAPÀ DI GIOVANNA Totale vernietiging
SILENT WEDDING Stalin, partycrasher
THREE MONKEYS Horen, zien en zwijgen
TULPAN Vloekend over de steppe
THE YOUNG VICTORIA Toen ze nog niet zo kuis was