Januari 1996, nr 163
William Castle
Twintig miljoen Amerikanen op de elektrische stoel
De Amerikaanse regisseur en producent William Castle stond bekend als de koning van de gimmick. Hij verkocht zijn goedkope griezelfilms met inventieve reclamecampagnes en bouwde bioscopen om tot kermisattracties. Een retrospectief van Castle's werk in de Melkweg en een spectaculaire reconstructie van zijn magnum opus The tingler in het Nederlands Filmmuseum vormen een eerbetoon aan 'Hollywoods Greatest Showman'.
Homicidal, uitgerust met Fright Break (1961).
Het jaar is 1958, de lokatie een bioscoop in de Amerikaanse stad Boston. In een uitverkochte zaal beleeft de horrorfilm Macabre zijn wereldpremière. Als de zaallichten doven toont het scherm een levensgrote klok. De wijzer tikt gestaag de seconden af. Door de bioscoop klinkt de stem van regisseur William Castle: "Dames en heren, wanneer de klok zestig seconden heeft afgetikt bent u door Lloyds of London voor duizend dollar verzekerd tegen overlijden door angst tijdens de voorstelling van Macabre. Lloyds of London hoopt van harte dat u er geen gebruik van hoeft te maken. Maar is het geen geruststellende gedachte dat uw geliefden beschermd worden? U bent nu verzekerd tegen overlijden als gevolg van angst!" Met een ondertekende verzekeringspolis op zak is het publiek klaar voor de voorstelling. Mochten er slachtoffers vallen dan is hulp nabij: in de foyer van het theater bevinden zich twee verpleegsters in uniform, buiten staat een ambulance paraat.
Enkele maanden na de première maakt William Castle de balans op. Zijn eerste onafhankelijke produktie kostte hem negentigduizend dollar, de negatieve recensies ten spijt bedraagt de recette zo'n vijf miljoen. Geen enkele toeschouwer liet het leven tijdens de voorstellingen, maar dankzij de gehaaide publiciteitsstunt werd Macabre een groot succes en Castle een fenomeen. Het tij was eindelijk gekeerd.
Etalagepop
Dat Castle naam zou maken met het bedenken van sensationele reclamecampagnes was onvermijdelijk. De in 1914 als William Schloss in New York geboren zoon van Duitse immigranten bewees al op vijftienjarige leeftijd over een aangeboren talent voor het verkopen van amusement te beschikken. Na een ontmoeting met de bekende Dracula-vertolker Bela Lugosi werd hij ingehuurd als toneelknecht bij diens theatertournee. Castle suggereerde dat het plaatsen van een doodskist voor de theaters meer publiek zou genereren. Door zich voor te doen als de neef van Hollywood-producent Samuel Goldwyn vond hij vervolgens emplooi als acteur en toneelmanager op Broadway. Het succes was van korte duur en Castle zag zich gedwongen onder meer als levende etalagepop bij het warenhuis Bloomingdale's zijn brood te verdienen.
Toen Orson Welles in 1939 zijn Broadway-successen met het Mercury toneelgezelschap verruilde voor een dienstverband bij de RKO-filmstudio zag Castle zijn kans schoon. Hij wierp zich op als producent en nam Welles' try-out theater in Stony Creek, Connecticut over. Voor de eerste produktie huurde hij de uit Duitsland gevluchte actrice Ellen Schwanneke in. Toen de actrice een persoonlijke uitnodiging van Hitler kreeg voor het bijwonen van een festival zette Castle de situatie volledig naar zijn hand. Hij stuurde kopieën van het Duitse telegram en Schwannekes afwijzing naar de pers. Vlak voor de première deed hij er nog een schepje bovenop door 's nachts de ruiten van het theater in te gooien, het met swastika's te besmeuren en vervolgens om politiebescherming te vragen. Castle's eerste produktie, met in de hoofdrol 'The girl who said no to Hitler', werd voorpaginanieuws en een doorslaand succes.
De stunt bleef ook in Hollywood niet onopgemerkt. Harry Cohn, de baas van de Columbia-studio, gaf de jonge toneelproducent een contract om tijdens een stageperiode alles over het filmvak te leren. In 1943 debuteerde Castle als regisseur met het weinig opzienbarende, maar toepasselijk getitelde Chance of a lifetime, onderdeel van een veertien films omvattende serie rond de gerehabiliteerde crimineel Boston Blackie. Met zijn derde film The whistler lanceerde de regisseur een nieuwe serie, geïnspireerd op een gelijknamige reeks radiohoorspelen. De thriller, over een man die voor zijn zelfmoord een huurmoordenaar inschakelt en daar spijt van krijgt, was zeer succesvol bij pers en publiek, waarop Castle nog drie afleveringen regisseerde.
Toen hij op het punt stond het vijfde deel te maken werd de regisseur benaderd door Orson Welles, die belangstelling had voor Castle's filmrechten op de pulproman 'If I die before I wake'. De roman die de basis moest vormen voor een goedkope B-film uit de Whistler-serie werd door Welles bewerkt tot scenario voor diens peperdure klassieker The lady from Shanghai. Castle verrichtte op lokatie in Mexico hand- en spandiensten voor het filmgenie en kreeg een vermelding als 'associate producer'. De film flopte en Castle had van zijn contact met Welles weinig profijt. In het decennium dat volgde raakte de regisseur volkomen verstrikt in de B-filmfuik van de Columbia- en Universalstudio's. De 26 films die hij in de avonturen-, western- en thrillergenres maakte oogstten weinig succes. In 1957 had Castle er genoeg van en keerde hij het studio-systeem de rug toe.
Kermisattractie
Eind jaren vijftig beantwoordde Hollywood de concurrentie van het televisiemedium met kostbare spektakelfilms. Als kleine, onafhankelijke producent kon William Castle niet op tegen de historische en bijbelse epossen op breedbeeldformaat, maar op het onverwachtte succes van Henri-Georges Clouzots Les diaboliques kon hij wel inhaken. Aangezien Amerikaanse tieners massaal platgingen voor de ondertitelde Franse thriller was het succes van een Amerikaanse variant verzekerd. Castle gebruikte plotelementen en enkele scènes uit de film als blauwdruk voor zijn drie grootste successen. De victorie begon met het Frans klinkende Macabre. Om de van Clouzot overgenomen hartaanval-door-angst thematiek te versterken verzekerde Castle zijn publiek tegen overlijden als gevolg van angst.
Door het succes van de gimmick smeekten bioscoopexploitanten om een nieuwe film met een nieuwe truc. Castle maakte van de spookhuisfilm House on haunted hill een ware kermisattractie: tijdens de slotscène kwam er niet alleen in de film, maar ook in de bioscoop een skelet tot leven. De beenderen vlogen via kabels van het scherm over de hoofden van het publiek. Het procédé werd 'Emergo' gedoopt en verkocht met de slogan 'Verrassender dan 3-D!'. Het jonge publiek was er dol op. Vandaar dat Castle's oude werkgever Columbia er in 1959 geen been in zag voor The tingler zijn meest kostbare, ambitieuze en geslaagde gimmick te financieren.
De film draait om de experimenten van een door Vincent Price gespeelde dokter, die ontdekt dat er in de menselijke ruggegraat een parasiet huist. Wanneer men zijn angst niet door geschreeuw ontlaadt groeit deze 'tingler' en sterft de gastheer. Tijdens de experimenten belandt een losgebroken tingler in een bioscoop, waar het beest de operateur en het publiek naar het leven staat. Als de operateur sterft stopt de film en waarschuwt Price niet alleen het publiek in de film, maar ook de toeschouwers in de echte bioscoop. Wie niet schreeuwt voor zijn leven loopt de kans te sterven. Om de aanwezigheid van de tingler in de bioscopen te suggereren werd een groot aantal stoelen voorzien van de elektronische gimmick 'Percepto', waardoor toeschouwers het gevoel kregen dat er zich iets in hun ruggegraat roerde. Door niet alle stoelen met Percepto uit te rusten beknibbelde Castle niet alleen op de installatie- en produktiekosten, maar zorgde hij ook voor klantenbinding: wie in een normale stoel zat keerde terug in de hoop Percepto alsnog te ondergaan. Castle kon later met gepaste trots verklaren dat hij zo'n twintig miljoen Amerikaanse achterwerken een schok had gegeven.
Al staat Castle's magnum opus ook zonder Percepto als een huis, het is de gimmick die The tingler legendarisch maakt. Zoals het een goede showman betaamt nam Castle het geheim van de precieze werking van Percepto mee in het graf. In zijn hilarische autobiografie 'Step right up! I'm gonna scare the pants off America' spreekt hij over elektrische schokken, hetgeen door menig filmjournalist werd overgenomen. Dit inspireerde het in San Francisco gesitueerde filmtheater The Roxy tien jaar geleden tot een rampzalig verlopen reconstructie. Tijdens de uitverkochte voorstelling voelde niemand iets, waarna een handjevol proefpersonen bij een test in een lege zaal teveel stroom kreeg toegediend. Inmiddels is duidelijk geworden hoe Castle's procédé werkte, maar uit respect voor de meester verklappen wij niets. Mocht u tijdens de voorstellingen in het Filmmuseum op een Percepto-stoel belanden dan rest u niets dan te schreeuwen voor uw leven.
Interactief
Na het succes van The tingler was het hek van de dam. Castle voorzag de horrorfilm Homicidal van een 'Fright Break', waarbij toeschouwers die te bang waren twee minuten voor het einde hun entreegeld konden terugkrijgen bij de 'Cowards Corner'. De lafaards moesten dan wel het hoongelach van schokbestendige kijkers trotseren en een kaartje met de tekst "I am a bonafide coward" ondertekenen. De film 13 ghosts werd door Castle vertoond in 'Illusion-O', waarbij het publiek én de filmpersonages door middel van een gekleurd brilletje konden kiezen of ze de huiveringwekkende geesten wel of niet wilden zien. Aan het slot van Mr. Sardonicus laste Castle een 'Punishment Poll' in. Zoals de Romeinse keizers over het lot van gladiatoren in de arena beslisten, kon het publiek door middel van een omhoog of omlaag gerichtte duim bepalen of Sardonicus levend of dood de aftiteling haalde.
Na dit sterke staaltje interactieve cinema avant-la-lettre probeerde Castle zich aan zijn imago te ontworstelen in een poging als filmmaker serieus genomen te worden. Hij maakte enkele gimmickloze horrorfilms en thrillers met vergane Hollywood-glorie als Joan Crawford en Barbara Stanwyck, voor hij in 1967 via een kennis de filmrechten van Ira Levins nog ongepubliceerde roman 'Rosemary's baby' verwierf. Na een ontmoeting met Roman Polanski zag hij af van zijn voornemen de film zelf te regisseren en nam hij genoegen met een rol als producent. In diezelfde hoedanigheid werkte hij in 1975 ook aan zijn laatste film Bug, waarin de aarde wordt geteisterd wordt door een pitbull-achtige variant op de kakkerlak. Dat hij toen weer vrede had met zijn titel 'Hollywood's Greatest Showman' bewijst het feit dat hij ter promotie van de film door de Verenigde Staten reisde met Hercules, de ster van Bug.
Castle sloot bij die gelegenheid een levensverzekering ter waarde van een miljoen dollar af. Voor de kakkerlak, dat spreekt voor zich. Uit een van zijn laatste interviews voor zijn dood in 1977 blijkt dat William Castle stierf als een trots man: "De kunst van het verkopen is een essentieel onderdeel van de amusementsindustrie. Omdat ik geen sterren of hoge budgetten had moest ik door mijn stunts opvallen. Zo werd ik de koning van de gimmick. En terecht, want niemand heeft mijn gimmicks kunnen overtreffen."
Net als zijn minder fortuinlijke generatiegenoot Ed Wood kreeg ook Castle een fraai postuum monument van een navolger. In het in 1993 gemaakte en in Nederland slechts incidenteel vertoonde Matinee van Gremlins-regisseur Joe Dante speelt John Goodman met verve de naar Castle gemodelleerde regisseur Lawrence Woolsey. Dante's liefdevolle eerbetoon vormt de passende afsluiting van het dertien films omvattende Castle-retrospectief in de Melkweg-cinema.
The tingler, uitgerust met Percepto (1959).
Bart van der Put
De Jaren Vijftig, met The tingler van William Castle.
Van 11 tot en met 24 januari te zien en te voelen in het Nederlands Filmmuseum, Amsterdam. Informatie en reserveren: 020-5891400.
Retrospectief William Castle, The Master of Macabre.
Van 11 tot en met 31 januari in De Melkweg, Amsterdam. Informatie en reserveren: 020-6241777.