Video - januari 1996, nr 163

Een selectie uit de videotheek van nieuwe, interessante en curieuze films die niet in de bioscoop zijn uitgebracht.


War of the buttons
John Roberts
Als ontdekker van nieuw talent heeft de Engelse filmproducent David Puttnam een reputatie hoog te houden. Landgenoten als Ridley Scott en Adrian Lyne maakten hun regiedebuut onder zijn leiding, om hun succes vervolgens in Hollywood te verzilveren. Puttnams eigen Amerikaanse avontuur als hoofd van de Columbia-studio's in 1986 was echter van korte duur, walgend van de excessieve produktiemethoden keerde de producent al na een jaar terug naar zijn vaderland. War of the buttons is een typische Puttnam produktie, gesitueerd in een fotogeniek landschap waar de tijd lijkt stil te staan en voorzien van veel couleur locale. De aanstekelijke jeugdfilm is gebaseerd op de roman 'La guerre des boutons' van Louis Pergaud, onder dezelfde titel al in 1961 verfilmd door Yves Robert. Centraal staat de strijd tussen de jongens uit twee naburige dorpen, die bij hun veldslagen de knopen en schoenveters van hun tegenstanders als oorlogsbuit op elkaar veroveren. Was het oorspronkelijke boek gesitueerd in het Frankrijk van de Tweede Wereldoorlog, in de nieuwe versie speelt het geheel zich eind jaren zeventig in Ierland af. Verwijzingen naar het Noord-Ierse conflict geven de film een eigentijdse draai, maar overschaduwen de jongensboeksfeer geen moment. Puttnams nieuwste protégé John Roberts verleidt de kinderen tot sterke acteerprestaties en weet overdreven sentiment gelukkig te vermijden. Zo kan deze Engelse variant van Pietje Bell en de bende van de Zwarte Hand zowel kinderen als volwassenen aanspreken, al zullen de laatsten weinig verrast worden door de ontknoping.
Bart van der Put

Te huur vanaf 9 januari.


A business affair
Charlotte Brandstrom
De regisseuse heeft een Scandinavische naam, het is een Engels-Frans-Duits-Spaanse coproduktie en een van de hoofdrollen is voor de Amerikaan Christopher Walken. Op de inlay streelt Carole Bouquet de Big Ben en staat de wervende trits: 'Moonlight in Vermont. Sleepless in Seattle. Lustful in London.' De titel duidt op een volkomen gebrek aan fantasie. Zo bezien valt A business affair nog mee. De film bevat zelfs een geestige uitspraak, bij voorkeur te genieten zonder context: "Ik heb besloten dat de sportvisserij de enige manier is om ons huwelijk te redden." Het gegeven, geïnspireerd door twee boeken van Barbara Skelton, betreft de moeite die een mooie vrouw moet doen om te bewijzen dat ze ook intelligent kan zijn. De in Londen wonende Francaise Catherine (Bouquet) heeft schrijfambities, maar echtgenoot Alec (Jonathan Pryce) neemt haar niet serieus. Pryce kon met deze rol - uit 1993 - alvast oefenen voor zijn doorbraak als Lytton Strachey in Carrington: ook hier speelt hij een zelfingenomen, geremde Engelse intellectueel-schrijver. Catherine zoekt haar heil bij een patserige Amerikaanse uitgever-miljonair (Walken), maar ook hij blijkt een egoïst. Hoog tijd voor echte onafhankelijkheid, mogelijk gemaakt door een heuse bestseller. Voorzien van trendy aids-lintje en gekortwiekt kapsel wandelt Catherine fier de film uit. Het had ergens voor kunnen staan, ware het niet dat Brandstrom heen en weer zwalkt tussen relatiedrama en kluchtigheid. Het gehannes met man en minnaar wordt aanvankelijk aardig geschetst, maar doet even later denken aan de onzin uit AfFair play. Zodra die associatie eenmaal is gewekt, volgt de rest vanzelf: Bouquetreeks, kitsch, clichés. Het enige dat na afloop blijft hangen is die visserij en de naam van Christopher Walken: Vanni Corso. En de vraag naar het Duitse aandeel in de coproduktie.
Mark Duursma

Te huur vanaf 17 januari.


I.Q.
Fred Schepisi
Tijd bestaat niet volgens de relativiteitstheorie van Albert Einstein, althans het is een relatief begrip, alleen te meten als een tweelingbroer met de snelheid van het licht een ruimtereis maakt en na een paar jaar ontdekt dat bij zijn thuiskomst zijn broer aow gerechtigd is. Dat negentig minuten toch lang kan duren bewijst Fred Schepisi in I.Q., een romantische komedie, - dus met Meg Ryan -, waarin Albert Einstein optreedt als een matchmaker tussen een automonteur (Tim Robbins) en zijn geniale nicht (Ryan). Ryan is verloofd met een psycholoog (Stephen Fry) die in zijn laboratorium elektroden aan de genitalieën van ratten klemt. Vivisectie en Brits: hij zal dus aan het kortste eind trekken. Einstein, die in de vertolking van Walter Matthau in ieder geval erg lijkt op het echte genie, kiest partij voor de automonteur, die zijn kennis over het universum uit science fiction tijdschriften haalt. Met gebruikmaking van zijn eigen fenomenale denkkracht en met een drietal van zijn geniale vrienden besluit Einstein tijd en ruimte om te buigen en zijn nicht te koppelen aan de man die zijn saaie auto in een swingende convertible verandert. We hebben dus in aanleg een aardig idee en een cast die mooie dingen heeft gedaan, maar I.Q. blijft hopeloos steken in het slechte scenario. De dialogen zijn mager, en de centrale grap (Einstein verkoopt de automonteur aan zijn nicht als een man die in zijn garage de koude fusie heeft uitgevonden) wordt bijzonder omslachtig verteld met enorme bochten langs de tijds-ruimtekromming die leiden naar een punt waar we een lichtjaar geleden van vertrokken waren. Matthau heeft toch een paar uitzinnige komische rollen op zijn naam staan, maar Schepisi kiest hier voor een bijna serieuze aanpak van de rol. Robbins, die toch schitterde in uiteenlopende rollen in The player, Short cuts en The Hudsucker proxy, weet hier niet meer dan een grijnzende onnozelaar te spelen. Fry, toch een komisch genie, speelt een bekakte Brit (zie Hugh Grant) op de automatische piloot. Alleen Meg Ryan is zichzelf.
Mark Moorman

Te huur vanaf 23 januari.

Tim Robbins en Meg Ryan als geniaal liefdesduo.


Red hot
Paul Haggis
"Waarom sterven mensen niet voor muziek, maar wel voor hun vaderland?", vroeg Lou Reed zich ooit af. Een pathetische opmerking, want in het Westen is iedereen vrij om zijn eigen pokkeherrie te maken, dus waarom doodgaan? In de Sovjet-Unie was dat anders, want daar was popmuziek verboden als uitwas van een decadente kapitalistische levenswijze, zodat popmusicerende jongeren een maatschappelijke carrière konden vergeten. Voor de makers van Red hot is die straf niet spectaculair genoeg. Zij willen Lou Reeds uitspraak alsnog tot realiteit maken. De film volgt in het Letland van 1959 een groepje aan een conservatorium studerende vrienden. Als een oom van een van hen rock 'n roll-singletjes uit het Westen meesmokkelt, is een bandje snel geformeerd en uit een keldertje klinken in accentloos Engels gezongen zinnetjes als 'She's so fine' en 'Shake, rattle and roll'. Maar dat laat de Russische beer niet over zich heen gaan! Plotseling verkeren we in de wereld van de geheime dienst, waarin agenten in regenjassen ("Bent u kameraad Fradis?"), bij voorkeur op regenachtige avonden in duister licht jongens schaduwen, die we in de daarop volgende scènes in elkaar geslagen weer aantreffen. Lichamelijk gebutst, maar geestelijk ongebroken, want rock 'n roll geeft een levensdoel: "Heb jij nooit wat geriskeerd om iets te krijgen?" Hoe houden de vriendenclub en de liefde zich onder de repressie? Principes of opportunisme? De echte rock 'n roller heeft natuurlijk geen keus, want hij kan niet anders. De film eindigt met een illegaal rock 'n roll optreden op een pleintje, waarna, als een Letlandse variant op het Plein van de Hemelse Vrede, de tanks de hoek om komen rollen. Dat de film hieruit nog een happy end weet te toveren, moet voor Lou Reed een hele teleurstelling zijn.
Jos van der Burg

Te huur vanaf 17 januari.

Naar boven