Maart 1996, nr 165

Pieter Jan Brugge

Een sluis in de geldstroom van Hollywood.

Met zijn rol als uitvoerend producent bij de produktie van Heat heeft de Nederlander Pieter Jan Brugge in Hollywood de top bereikt. Op weg naar Al Pacino en Robert De Niro was Brugge betrokken bij B-filmprodukties en groot studiowerk. In een gesprek legt hij de vinger aan de pols van de Amerikaanse studiofilm, waar geld wel degelijk een rol speelt.

Pieter Jan Brugge (foto: André Bakker).

"Mijn badkamer heeft een verwarmde marmeren vloer, zoiets geloof je toch niet?" Pieter Jan Brugge is dan wel hard op weg een bigshot in Hollywood te worden, de verbazing over het sanitair in het tot hotel verbouwde oude gemeentehuis van Amsterdam is oprecht. De weg naar de Samkalden suite, waar Brugge de pers te woord staat om Heat te promoten, begon in 1979. Nadat de producent zijn opleiding aan de Nederlandse Film en Televisie Academie voltooid had, volgde hij met een studiebeurs van het toenmalige ministerie van CRM een cursus aan het American Film Institute in Los Angeles. Op het instituut krijgen aspirant filmmakers les van ervaren Hollywood-professionals. Brugge maakte er in een jaar tijd kennis met alle aspekten van het produceren van speelfilms, waaronder de in de Verenigde Staten razend belangrijke contract- en vakbondsregels.
Zijn carrière begon echter in Nederland, waar hij samen met Hans Klap bij de Eerste Amsterdamse Filmassociatie De afstand van regisseur Jean van de Velde produceerde. De Filmassociatie ging verder met de produktie van Van de Velde's Parfait amour en Leon de Winters Zoeken naar Eileen, maar zonder Brugge. Hij voorzag, naar eigen zeggen, de komst van de internationale markt en koos ervoor eerst in Hollywood ervaring op te doen, alvorens zich op de Europese co-produktie te richten.
Het was volgens Brugge niet eenvoudig om in Hollywood aan de bak te komen: "De Nederlandse mentaliteit botst met de Amerikaanse: het sociaal-maatschappelijke engagement maakt plaats voor het belang van het individu. Iedere dag geldt het recht van de sterkste. Ik heb eigenlijk veel geluk gehad. Mijn vriendin werkte voor Cannon films (een in de jaren tachtig florerende B-filmstudio die inmiddels ter ziele is. BvdP). Toen ze hoorde dat er een production manager gezocht werd, stelde ze mij aan de producent voor. Drie uur later had ik mijn eerste baan, bij de tienerkomedie Making the grade. Ik bracht hem op budget binnen, waarna ik meteen door kon gaan. Ik heb bij Cannon in zeer korte tijd veel ervaring opgedaan."
Via Cannon-produkties als Missing in action, een platvloerse Vietnam-film met bottenbreker Chuck Norris, belandde Brugge bij New Line Cinema, een filmmaatschappij die op dezelfde markt als Cannon opereerde en die mede dankzij het succes van de Nightmare on Elm street horror-serie nog steeds floreert. Brugge produceerde er de griezelkomedie My demon lover: "Dat was een van mijn minst prettige ervaringen. Als ik op die manier films had moeten blijven maken was ik ermee opgehouden.
Maar via een vriend raakte ik betrokken bij de produktie van de thriller The seventh sign met Demi Moore, voor de grote TriStar studio. Mijn eerste vijf films bij Cannon en New Line hadden een totaal budget van hooguit tien miljoen dollar, The seventh sign kostte veertien miljoen. Ik heb het geluk gehad dat ik met die schaalvergroting leerde omgaan in een arbeidsvriendelijke omgeving, het was daar geen moord en doodslag. Toen ik bij het produktiehoofd klaagde over de slechte kwaliteit van het scenario voor de komedie Lover boy zei hij: 'Doe het nu maar, na deze film maken we Glory met Edward Zwick. Hij heeft ook op het AFI gezeten en jullie zullen het vast goed met elkaar kunnen vinden, dus misschien kan je die film doen.' Gelukkig heb ik naar die man geluisterd en kwam het er ook van." Het epos over de Amerikaanse burgeroorlog werd met drie Oscars bekroond en markeerde een ommekeer in Brugge's loopbaan.

Sjablonen
De producent werkte later bij The pelican brief en Consenting adults samen met regisseur Alan J. Pakula, die in de jaren zeventig klassiekers als Klute, The parallax view en All the president's men op zijn naam schreef. Brugge noemt Pakula en Heat-regisseur Michael Mann "mannen met een visie" en onderschrijft de gedachte dat de huidige Hollywood-produktie in vergelijking met die van de gouden jaren zeventig een schrijnend gebrek aan visie en durf vertoont: "Het filmklimaat is sterk veranderd. Steven Spielberg en George Lucas bewezen met Jaws en Star wars als eersten dat een film meer dan honderd miljoen dollar kan opbrengen en dat is nu het doel geworden. Door de stijging van salarissen van sterren en regisseurs, de kosten van het filmmaken en de nieuwe technologie zijn de produktiekosten enorm toegenomen. Daarmee is het risico ook groter geworden. En aangezien film een produkt is dat geld moet opbrengen en de filmindustrie tegenwoordig door zakenmensen gerund wordt doen ze hun best dat risico in te dekken. Daar komt nog bij dat er een overschot aan produkt is, waardoor een film in zijn openingsweekend meteen een enorme recette moet halen. Er is dus een voortdurende strijd om de aandacht van het publiek. De uitbrengkosten zijn enorm gestegen: wil je in een druk seizoen een film groot uitbrengen dan kost dat vijftien tot twintig miljoen dollar. Bij Heat kostte dat ruim twintig miljoen. Het produktiebudget zat boven de vijftig miljoen. Zulke bedragen temperen de experimenteerdrift sterk. Een studio als TriStar was bijvoorbeeld met Danny De Vito's produktiebedrijf Jersey Films verbonden aan Get Shorty en Pulp fiction. Maar de studio wees beide projekten uiteindelijk af. Bij TriStar regeerde de angst voor het nieuwe en daardoor liet de studio twee successen lopen. Maar het is natuurlijk nooit te voorspellen wat zal aanslaan."
Naast zakelijke overwegingen speelt creatieve armoede volgens Brugge ook een rol in de malaise. "De generatie die de jaren zeventig domineerde, met regisseurs als Sydney Pollack, John Frankenheimer en Sidney Lumet, was afkomstig uit de tv-wereld. Ze waren zeer ervaren voordat ze hun eerste film maakten. Nu is er een generatie afkomstig van de filmacademie, met weinig levenservaring. Ze bestuderen films en maken sjablonen van hun voorgangers. Quentin Tarantino heeft het meer over films dan over het leven, maar zijn grote talent zorgt ervoor dat hij goede films maakt. Met The usual suspects toont Bryan Singer ook een groot talent, maar de vraag is hoe groot de diepte en reikwijdte ervan is. Zijn film is niets meer dan een gimmick, hij is goed en consequent uitgevoerd en in die zin ook bevredigend, maar het gaat verder over niets. In de jaren zeventig gebruikte men scenario's die niet alleen schitterend geschreven waren, maar ook nog een weerslag van de maatschappij gaven. Ik juich het succes van onafhankelijk geproduceerde films als Pulp fiction echter beslist toe en denk dat het absoluut invloed heeft op de mainstream. Dankzij dat succes heeft de Columbia studio bijvoorbeeld een Sense and sensibility gemaakt. In aanzet lijkt dat een minder stoffige variant op de Merchant-Ivory produkties, maar het staat daar geheel los van en is voortreffelijk geschreven en gespeeld en prachtig geregisseerd door een Taiwanese Amerikaan. Dat is echt uniek en een direkt gevolg van de invloed van de independents."

Kentering
Een van de opmerkelijkste ontwikkelingen in het moderne Hollywood is de toenemende invloed van de `talent agencies', de gehaaide impressario's die voor hun sterren enorme salarissen afdwingen. Dat zij in de machtsverhoudingen hoog op de ladder staan bleek vorig jaar, toen super-impressario Michael Ovitz bij zijn Creative Artists Agency werd weggekocht door Disney, waar hij nu een toppositie bekleedt. Om de overstap werd volgens Brugge hard gelachen: "Als studiobaas is hij het slachtoffer van zijn eigen succes, want hij moet nu de absurde salarissen betalen waarvoor hij jarenlang heeft geknokt. De studio's verloren de afgelopen tien jaar veel macht aan de agencies, mensen als Ovitz hebben de filmwereld flink op zijn kop gezet. Maar ik denk niet dat die ontwikkeling lang stand houdt. Je kunt acteurs niet ongestraft twintig miljoen per film blijven betalen. Er zullen een paar gigantische flops nodig zijn om het tij te keren en dat is onontkoombaar. Er is al enigszins een kentering te bespeuren, zo zijn er de laatste tijd meerdere projecten van tussen de 25 en de vijftig miljoen afgeblazen en wordt er weer voorzichtig geïnvesteerd in nieuw talent.
De fixatie op het geld stamt uit de jaren tachtig en had ook veel te maken met het politieke klimaat. We gaan naar het jaar 2000 en mensen gaan daardoor nadenken over hoe het verder moet. Er onstaat een nieuwe generatie die meer vragen stelt, bijvoorbeeld over de invloed van de regering, en dat zal een weerslag krijgen in films. De vraag is hoe belezen en schrijfvaardig die generatie is. Momenteel betalen producenten voor scenario's van beginners enorme bedragen, van honderdduizend dollar tot over het miljoen. Dan loopt iedereen achter het geld aan, terwijl het er om gaat wat je wilt vertellen, niet wat goed verkoopt. Door de gestegen produktiekosten zal het voor het jonge talent ook niet makkelijk zijn om films te maken die de vergelijking met de klassiekers uit de jaren zeventig kunnen doorstaan. Jaws was begroot op drieëneenhalf miljoen dollar en kostte uiteindelijk negen miljoen, Waterworld kostte honderdzestig miljoen, dat is meer dan je aan inflatie kan toeschrijven. Het systeem zit nu vol mensen die even hun zakken willen vullen en die mentaliteit pleegt roofbouw."

Vrijheid
Dat Pieter Jan Brugge een beetje uitgekeken raakt op de zakelijkheid en zakkenvullerij in Hollywood mag blijken uit het feit dat de producent hard werkt aan een Europese comeback: "Ik zit vol met plannen, maar het is de vraag wat er gerealiseerd kan worden. Of mijn Amerikaanse connecties daarbij een rol zullen spelen weet ik niet. De kracht van de Europese film is dat je hier geen verantwoording meer hoeft af te leggen aan de financiers als het geld binnen is. Regisseurs werken hier in grote vrijheid, waar Amerikaanse studio's bijvoorbeeld een veto kunnen uitspreken over de keuze van de acteurs. Dat maakt de Europese film heel aantrekkelijk. Je ziet hier mensen vanuit een visie werken en films maken die ook succesvol kunnen zijn. Voor mijn eerste project schrijft Jean van de Velde nu het scenario. Het speelt zich af in de zeventiende eeuw en gaat over de tulpenwoede, echt een oerhollands onderwerp. Het wordt geen goedkope film, want je zet niet even iets op poten dat zich 350 jaar geleden afspeelt. Het is een leuke uitdaging. Maar de grootste uitdaging ligt voor mij in het regisseren, even koning zijn van een keizerrijk, dat is het leukste wat er bestaat."

Bart van der Put

Heat is nog in een groot aantal bioscopen te zien.

Naar boven