Juli/augustus 1996, nr 169

Kansas City

Wit heeft de macht, zwart heeft de jazz

Vanuit Cannes bereikten ons dit voorjaar opgetogen, maar ook verontrustende berichten: de nieuwe Robert Altman zou geheel als een jazz-stuk zijn geënsceneerd en je-moet-er-maar-van-houden. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Een introductie van het thema, onbegrijpelijke narratieve structuur bij de variaties op het thema, vergezochte parallelmontage bij de brug naar het tweede thema, verwarrende camera-rolls en zap-pans bij de onvermijdelijke improvisaties? Vreest niet. Kansas City heeft een glasheldere structuur en een zinnige ondertoon.

Seldom Seen (Harry Belafonte): gedistingeerd dreigend.

In Kansas City zijn veel jazz-musici groot geworden; Lester Young en Ben Webster speelden er, Charlie Parker is er geboren. Regisseur Robert Altman houdt van muziek; hij maakte Nashville, Popeye, een Aria-fragment. Hoewel de muzikanten uitgebreid in beeld komen, vertolkt door tegenwoordige grootheden als tenor-saxofonisten Joshua Redman en James Carter, was het niet Altmans bedoeling een nagespeelde documentaire over jazz te maken. Hij heeft de uitvoeringstechniek van de jazz-muziek geleend om ironisch commentaar te leveren op vastgeroeste ideeën.
Kansas City speelt zich af in 1934, de tijd van de Grote Depressie en de herverkiezingscampagne van Franklin D. Roosevelt, Democraat. Terwijl de stad op zijn kop staat omdat iedere boerenarbeider en landloper wordt geronseld om te gaan stemmen, ontvoert het volksmeisje Blondie O'Hara (een wederom knauwende Jennifer Jason Leigh) de chique mevrouw Stilton (Miranda Richardson), echtgenote van de adviseur van president Roosevelt. Blondie eist dat de machtige Henry Stilton (Michael Murphy) zijn invloed in Kansas City gebruikt om haar man vrij te krijgen. Deze is namelijk in handen gevallen van de zwarte clubeigenaar Seldom Seen (Harry Belafonte, gedistingeerd dreigend), na een mislukte roofoverval op een van Seldoms klanten.

Thema en variaties
Het thema is uitgezet: mensen die verschillen in stand, politieke interesse en huidskleur komen met elkaar in aanraking. Volgens verschillende lijnen laat Altman variaties van dit thema aan de orde komen. Aanvankelijk weeft hij het heden en het verleden dooreen; terwijl Blondie mevrouw Stilton dwingt mee te gaan, geeft een cross-cutting in flashback aan hoe Blondie's man Johnny in moeilijkheden is gekomen. Hij had zich zwart geschminkt voor de overval, een truc waarmee hij al snel door de mand viel.
Als verleden en heden weer op één lijn zitten, begint de uitwerking van de standpunten. Johnny's poging om de zwarte gemeenschap de misdaad in de schoenen te schuiven, vormt voor Seldom in zijn Hey Hey Club de aanleiding tot het houden van een lange beschouwing tegen de kleine crimineel en over de verschillen tussen wit en zwart. Intussen sleept Blondie mevrouw Stilton de halve stad door, naar plaatsen die in de 'high society' volkomen onbekend zijn. De twee vrouwen leven allebei in hun eigen wereld - de ordinaire vrouw is vervuld van haar Johnny, de verhevene vrouw is verslaafd aan de opiumtinctuur Laudanum.
Ze komen bijvoorbeeld terecht in een bioscoopvoorstelling van Hold your man, met Clark Gable en Jean Harlow. Blondie hoopt dat ze op Harlow lijkt, maar als haar gevangene niets van film blijkt te weten, laat ze zich ontvallen: "Wat doe je dan de hele dag?". Zo'n vraag zegt veel over het klasseverschil tussen beide vrouwen. Even tevoren heeft Seldom Johnny toegebeten: "Hou je van de 'picture show'? In films verzinnen de 'white people' al die 'shit' over 'niggers' en geloven er zelf ook nog in!"

Dovemansoren
Altman vergelijkt de beide verhaalparallellen, van de twee vrouwen op straat en de mannen in de club, met de solo's in een jazz-nummer. Zoals de musici in de Hey Hey Club hun riffs voortbrengen en elkaar afwisselen in intermezzi, zo spreken de hoofdpersonen. Soms onderbreekt Altman zelfs een sequentie op de ene lokatie door er de andere verhaallijn tussen te monteren, waarna hij de eerste gewoon weer vervolgt. Het navrante verschil tussen de personages en de jam-sessions is, dat de mensen tegen dovemansoren preken, terwijl de muzikanten na aanvankelijk tegen elkaar op te hebben gespeeld, unisono verder gaan.
Hier raken we aan de bittere teneur van Kansas City. Altman, terug in Amerika, geeft zijn visie. Hij slaat een brug naar de derde verhaallijn door Henry Stilton te volgen die zijn connecties gebruikt om zijn vrouw terug te krijgen. Niet alleen komen we zo te weten dat de Democraten op grote schaal stembusfraude toepasten voor de overwinning van Roosevelt, ze werkten ook samen met de mafia. In die machtsstrijd telt de man van de straat (en zijn vrouw) niet mee. Het zou een verwijzing kunnen zijn naar de Clintons.
In een sociaal portret van Amerika mixt Altman de hypocrisie van de gevestigde orde (in de politiek, in de amusementswereld) met de behoefte aan ontsnapping van de gewone mensen - via de ideaalbeelden uit de filmwereld of via de muziek. De kuiperijen lijken aan het zwarte volksdeel geheel voorbij te gaan. Daar bloeit de jazz op, zoals te horen op de soundtrack (Jazz-label Verve). Dat is Altmans goede herinnering aan zijn geboorteplaats Kansas City.

Kees Hogenbirk

Kansas City
Verenigde Staten, 1995.
Produktie en regie: Robert Altman.
Scenario: Robert Altman en Frank Barhydt.
Camera: Oliver Stapleton.
Geluid: John Pritchett.
Montage: Geraldine Peroni.
Muziek supervisie: Hal Willner.
Met: Jennifer Jason Leigh, Miranda Richardson, Harry Belafonte, Michael Murphy, Dermot Mulroney.
Distributie: Meteor Film.
Kleur, 115 minuten.
Te zien: vanaf 15 augustus.

Naar boven