September 1996, nr 170

Schijnsel

Waren we maar thuis gebleven

Een van de weinige zekerheden in het leven is dat er elke twee of drie jaar een nieuwe film van Frans van de Staak verschijnt. Is het toeval of wordt het werk van de compromisloze filmmaker steeds toegankelijker? In Van de Staaks negende film worstelen twee intellectuele tegenhangers van Bob en Annie de Rooy met een knellende liefdesrelatie. In het niemandsland achter de liefde bloeit de twijfel: "Ik wil alleen zijn, ik weet niet of ik alleen wil zijn."

Frieda Pittoors en Bert Luppes nemen het er van.

Ze bestaan nog: filmauteurs die hun eigen weg volgen en films maken met een altijd herkenbare signatuur. Zoals niemand zich zal vergissen in een Appel, zo zal niemand een Van de Staak verwarren met werk van andere filmmakers. Zoiets wijst op een specifieke filmtaal. Bij Van de Staak kenmerkt deze zich door lang aangehouden camera-instellingen, acteurs die zich uitdrukken in literaire taal - Van de Staaks meeste films zijn gebaseerd op bestaande literatuur - en de afwezigheid van een conventionele verhaallijn. Inhoudelijk zaaien zijn films vooral twijfel: de kijker wordt regelmatig op het verkeerde been gezet en krijgt zelden de kans zich te identificeren met de personages.
In Van de Staaks werk gaat het altijd om de macht en vooral de onmacht van de taal. Van de Staak heeft geen hoge pet op van de taal als communicatiemiddel. Nooit brengt de taal zijn personages dichter bij elkaar, maar drijft deze hen juist verder uiteen, omdat ieder woord weer een aanleiding is voor nieuwe misverstanden en onbegrip. Wat we wel mogen noemen 'de-Van-de-Staak-mens' zit gevangen in een verbaal universum, waaruit hij tevergeefs probeert te ontsnappen. Inderdaad: dat levert geen vrolijk schouwspel op, wat misschien de reden is dat Van de Staak nooit volle zalen trekt. Beter gewaardeerd wordt hij door het kunstzinnige deel van de filmwereld, zoals recent nog eens bleek toen hij de
L.J. Jordaanprijs kreeg toegekend voor Schijnsel, een film die volgens de jury een afdaling is "in de hel die relatie heet."

Getreiter
Schijnsel begint met een langdurig aangehouden beeld van twee gesloten sluisdeuren. Er sijpelt water door en langs de deuren, maar ze gaan niet open. Ongetwijfeld is dit beeld symbolisch voor wat komen gaat: een schets van een relatie tussen twee veertigers bij wie de liefde is uitgeblust en die elkaar het leven zuur maken, zonder dat het tot een explosieve uitbarsting komt. Misschien is er ooit sprake geweest van een laaiend liefdesvuur, maar daarvan rest nog slechts een zwak schijnsel. Versuft overziet de vrouw de ruïne: "Ineens is de liefde alleen nog maar een herinnering." Even later vraagt ze zich af of er wel ooit sprake is geweest van liefde: "Misschien was er wel eerst de herinnering en probeert de liefde haar in te halen."
Wat Schijnsel tot een beklemmende film maakt is dat het aanzwellende stuwmeer van irritaties en twijfel - de eenzaamheid en onvrede gieren door de film - zich nooit een bevrijdende weg naar buiten baant. De twee personages zitten verstrikt in elkaars leven en weten zich zich daaruit niet meer los te maken. Het resultaat is een treurig schouwspel van lamlendigheid, gezeur en getreiter, dat - zo vermoeden we - tot in eeuwigheid zal door gaan.

Bloemetjesjurk
Schijnsel is de eerste film waarvoor Van de Staak samen met Hanneke Stark een scenario schreef dat niet op een literair werk is gebaseerd. Veel verschil maakt het niet, want de dialogen hebben een literaire inslag, zodat de film meteen herkenbaar is als een echte Van de Staak. Het grootste struikelblok in de film zijn de twee personages (gespeeld door Frieda Pittoors en Bert Luppes), bij wie het begrip 'zwaar op de hand' als een eufemisme klinkt. Zij bestrijden elkaar met opmerkingen als "Wat een afschuwelijk kleed heb je neergelegd" en het klassieke "Waren we maar thuis gebleven!", na een wandelingetje door een polderlandschap dat natuurlijk eindigt in een ruzie.
Het is moeilijk kiezen wie van de twee de meeste aversie oproept, maar bij mij wint de vrouw. Gekleed in een vreselijke bloemetjesjurk, die het slechtste in de mens oproept, zegt zij op verwijtende toon zinnen als: "Ik voelde me een uurtje geleden nog jeugdig en springerig, maar nu niet meer." In het opwekken van irritatie komt de man overigens dicht in haar buurt: "Ik moest mij in allerlei bochten wringen om de kruidenier te woord te staan", klinkt het wereldvreemd als hij met een paar boodschapjes thuiskomt. Wat de film dodelijk treft is het gebrek aan zelfs het kleinste beetje zelfspot bij deze personages. Natuurlijk: hun relatie staat op het spel, zodat zij weinig reden hebben om te lachen, maar opmerkingen als: "Je houdt niet van me, je leugen maakt mij lelijk", schreeuwen om een humoristische of sarcastische repliek.
Schijnsel toont twee ongelukkige mensen die als een intellectuele versie van Bob en Annie de Rooy niet zonder en niet met elkaar kunnen leven. Eeuwige gevangenen van elkaar, niet in staat om hun leven te veranderen. Het resultaat is 'de hel' zoals de jury van de Jordaanprijs al vaststelde. In de woorden van Hans Dorrestein: "Jezus aan het kruis had het beter dan ik thuis."

Jos van der Burg

Schijnsel
Nederland, 1996.
Produktie en regie: Frans van de Staak.
Scenario: Frans van de Staak en Hanneke Stark.
Camera: Jan Wich.
Geluid: Ben Zijlstra.
Montage: Frans van de Staak en Hanneke Stark.
Muziek: Charles Mingus.
Met: Frida Pittoors en Bert Luppes.
Kleur, 85 minuten.
Distributie: NFM/IAF.
Te zien: vanaf 19 september.

Naar boven