Februari 1997, nr 175

Shine

Pianist op een trampoline

Shine shine shine shine shine - het affiche herhaalt de filmtitel, naast een man die een gat in de lucht springt. Eronder staat: 'because there's light at the end of the tunnel'. Door deze marketingstrategie wordt de kijker voorbereid op een fijne feelgood-movie. De film zelf straalt die glans van gelukzaligheid heel wat minder uit.

David Helfgott (Geoffrey Rush) bedwingt Rachmaninov.

Het eerste stuk op de soundtrack van Shine is getiteld 'With the Help of God, Shine'. Het is een verwijzing naar de naam van de hoofdpersoon in deze geschiedenis: de concertpianist David Helfgott. Bovendien geeft het aan dat Helfgott niet zomaar kon schitteren. De film vertelt een waargebeurd verhaal. Zo'n jaar of tien geleden woonde de Australische regisseur Scott Hicks een recital bij van David Helfgott, het muziekgenie dat eindelijk gelukkig was omdat hij weer kon spelen. Hicks wilde zijn leven verfilmen. Volgens de filmmaker bevatte dat leven zoveel drama, dat hij het "op nuchtere Australische wijze" zo ingehouden mogelijk in de vertelling heeft verwerkt.
Ziehier een interessant vraagstuk: moet een filmbiografie alle gebeurtenissen uit het leven van de protagonist exact volgen - helemaal als die persoon nog leeft? Mag zo'n 'biopic' psychologische interpretaties opvoeren om de film meeslepender te maken? Shine bevestigt het idee dat juist het aanscherpen van emoties veel vaagheden bij de kijker kan ophelderen. Hicks had van mij meer gebruik mogen maken van zijn artistieke vrijheid (zoals iemand als Oliver Stone dat doet) om op persoonlijke titel verklaringen te suggereren voor de loop van het zware leven van David Helfgott.

Veel noten
In het begin van de jaren tachtig strompelt David Helfgott in de stromende regen een restaurant in Perth binnen. Hij is duidelijk niet goed bij zijn hoofd, maar aan de piano die hij er aantreft kan hij zich uitdrukken. Met zijn spel van Rimski-Korsakovs razendsnelle 'Vlucht van de hommel' verschijnt eindelijk, wat regisseur Hicks noemt, het licht aan het eind van de tunnel: Helfgott wordt opgevangen. De filmkijker krijgt voorgeschoteld hoe het zover heeft kunnen komen, in een lange flashback.
Als muzikaal wonderkind had David Helfgott te lijden onder een goedbedoelende, maar meedogenloze vader. Deze Peter (een als zichzelf herkenbare Armin Mueller-Stahl) is een Poolse jood die zijn smartelijk verleden welhaast koestert en nu, geëmigreerd naar Australië, krampachtig vasthoudt aan zijn gezin. Daarom verbiedt hij David, ondanks een uitnodiging van Isaac Stern, muziek te gaan studeren in Amerika. Tegelijkertijd dringt hij echter onverbiddelijk aan op diens carrière als concertpianist. Bovenaan vaders verlanglijstje staat het concerto met de meeste noten per seconde, het derde pianoconcert van Rachmaninov.
In de originele thema's van de score verwerkt filmcomponist David Hirschfelder (die ook verantwoordelijk was voor de aanstekelijke dansmuziek in Strictly ballroom) op vernuftige wijze steeds meer akkoorden van dit beruchte werk, naarmate de jonge Helfgott toegroeit naar de vertolking ervan. Op de soundtrack-cd bespeelt de echte David Helfgott de piano.

Blootje
Dat het allemaal draait om Pianoconcert No. 3 in D mineur, opus 30 (1909), is haast te mooi om waar te zijn. Sergej Rachmaninov (1873-1943) was een groot romanticus. Maar hij leed aan aangeboren zwaarmoedigheid en rusteloosheid. Zijn passie voor snelheid komt tot uiting in zijn pianowerken, die virtuoze vingervlugheid vereisen. Dat vader Helfgott zijn jonge zoon uitgerekend dit stuk uitentreuren laat horen, zegt veel over de hoogopgeschroefde verwachtingen die hij van hem heeft. Het moeilijkste ter wereld, noemt hij het fameuze 'Rach 3' als ware dat een aanmoediging, en vergeet daarbij dat de vertolker voor de benodigde doorleefdheid over een flinke dosis van Rachmaninovs depressiviteit moet beschikken.
Deze achtergrondkennis lijkt echter te ontbreken bij vader Helfgott; in elk geval komen diens motieven niet duidelijk naar voren in de filmvertelling, en dat stoort. David leert als jongen het stuk spelen, in Perth, en krijgt als student van zijn docenten een staande ovatie als hij het in 1969 opvoert in het Royal College of Music in Engeland. Tijdens het pianoconcours waarop hij alle in hem geïnvesteerde hoop moet inlossen breekt er tenslotte een snaar in zijn hoofd. Deze sequentie is indrukwekkend geënsceneerd (vingers in slow motion, pianogeluid wordt gebrom, komt fortissimo weer op, daverend applaus), maar bevat geen verklaring voor zijn ineenstorting. Doordat regisseur Hicks nauwelijks inzicht geeft in de beweegredenen van de personages roepen de gebeurtenissen te weinig medeleven op. Het blijft: lachen om een acteur (Golden Globe-winnaar Geoffrey Rush) die als een gek in zijn blootje op een trampoline staat te springen.
De overlevingsdrang die Davids vader hem met alle geweld wilde bijbrengen lijkt de oorzaak te zijn geworden van zijn ellende, maar deze duiding maakt de film nog niet bevredigend. Tussen geniaal en krankzinnig vind ik iemand als de damspeler-pianist Jannes van der Wal fascinerender. Shine kan ook worden vertaald met: ergens in uitblinken. Over de persoonlijke motivatie van de artiest om dat te willen bereiken - en niet over het eeuwige aandringen van de dominante vader hiertoe - had ik graag meer willen weten.

Kees Hogenbirk

Shine
Australië/Engeland, 1996.
Produktie: Jane Scott.
Regie: Scott Hicks.
Scenario: Jan Sardi.
Camera: Geoffrey Simpson.
Geluid: Roger Savage.
Montage: Pip Karmel.
Muziek: David Hirschfelder. Soundtrack: Philips Classics 454 710-2 (D, 1996).
Met: Geoffrey Rush, Armin Mueller-Stahl, Googie Withers, John Gielgud.
Kleur, 105 minuten.
Distributie: Buena Vista.
Te zien: tijdens het Filmfestival Rotterdam en vanaf 6 februari in de bioscoop.

Naar boven