April 1997, nr 177

Blaxploitation

Hip zonder Hop

Jarenlang figureerden zwarten in de Amerikaanse film slechts als keukenhulp, slaaf, gevangene of muzikant, al mocht Sidney Poitier af en toe opdraven als onderwerp van door blanken gevoerde discussies over discriminatie. Maar in de jaren zeventig veranderde dat met de komst van het blaxploitation-genre. De kleurrijke actiefilms van toen zijn nu populair bij cultliefhebbers en staan centraal in een retrospectief in de Amsterdamse Melkweg-cinema.

Vitrinefoto van Blacula (William Crain, 1972).

Het heeft lang geduurd, veel te lang, maar het blaxploitation-genre lijkt nu eindelijk in brede kringen de herwaardering te krijgen die het al jaren verdient. Vorig jaar organiseerde het British Film Institute een uitgebreid retrospectief, verscheen er in de Verenigde Staten voor het eerst een boek over het fenomeen en speelden Pam Grier en Fred Williamson, het koningspaar van het genre, beiden hun eerste rol in grote Amerikaanse filmprodukties. Williamson dook op als vampierdoder in From dusk till dawn, waarmee regisseur Robert Rodriguez en scenarioschrijver/acteur Quentin Tarantino hun oude held eerden, Grier speelde een rol als transseksueel in John Carpenter's Escape from L.A. En onlangs was de koningin van weleer samen met oud-collega Jim Brown te zien als gescheiden echtpaar in Tim Burtons Mars attacks!, waarmee duidelijk is dat in ieder geval de genrefilmers in het hedendaagse Hollywood het verleden niet vergeten zijn.
Dat verleden wordt gedomineerd door de aanstekelijke combinatie van uitzinnige kleding (felle kleuren, wijde pijpen, plateauzolen en bontkragen), opvallende haardracht (afro-kapsels, druipsnorren en bakkebaarden) en de steevast prominente aanwezigheid van de beste zwarte muziek van de jaren zeventig (Isaac Hayes, Curtis Mayfield en Quincy Jones). Het zijn deze uiterlijke kenmerken van de blaxploitation-film die het genre in de jaren tachtig een nog altijd geldende cultstatus bezorgden. De benaming, een samentrekking van de woorden black en exploitation, verwijst naar de inhoud van de meeste films, waar gangsters, pooiers en hoeren en seks, drugs en geweld tot de standaard ingrediënten behoren, daarmee het commerciële karakter onderstrepend. Het gros werd voor weinig geld en uit puur financiële motieven gemaakt. Door de angst van grote Hollywood-studio's voor films met een zwart thema werd de afzetmarkt niet bedreigd door dure, gelikte produkties.

Gesoigneerde sterren
Al ogen de films anno 1997 door de gedateerde uiterlijke kenmerken nogal kunstmatig en kolderiek, de lage budgetten dwongen de makers aanvankelijk juist tot een realistische benadering: er werd snel, uit de losse pols en op authentieke lokaties gefilmd. Ook de meeste acteurs leken zo van de straat geplukt en waren in uiterlijk en taalgebruik mijlenver verwijderd van de gesoigneerde sterren Sidney Poitier en Harry Belafonte, de enige twee zwarten die door Hollywood omarmd waren. Het trendsettende trio Sweet sweetback's baadasssss song (Melvin van Peebles, 1971), Shaft (Gordon Parks sr, 1971) en Superfly (Gordon Parks jr, 1972) bracht het getto in de bioscoop en gaf het zwarte publiek voor het eerst helden waarmee men zich werkelijk kon identificeren.
Inhakend op het succes van de door zwarten gemaakte films gingen blanke B-filmproducenten al snel met het concept aan de haal. Ze kruisten het genre met kungfu in Black belt Jones en Cleopatra Jones and the casino of gold en met horror in onder meer Blacula en Blackenstein. Van enig realisme was daarbij geen sprake, van onbedoelde parodie des te meer. De benaming blaxploitation kreeg een extreem negatieve connotatie, al waren sommige betrokkenen er van meet af aan al niet gelukkig mee. Zo stelde Fred Williamson in een interview met ondergetekende vijf jaar geleden: "Die term sloeg nergens op, want er werd niemand geëxploiteerd. De acteurs waren juist blij met hun rollen, ze hadden eindelijk werk en speelden nog helden ook. En het publiek ging graag naar de films en vermaakte zich uitstekend. De term blaxploitation is er opgeplakt door de Hollywood-elite, die zich bedreigd voelde door het succes van kleine, onafhankelijke filmers. Ze hoopten de produktie met die negatieve benaming een halt toe roepen."

Stereotiepen
Eind jaren zeventig stierf het uitgeholde genre een stille dood. Williamson is de enige betrokkene die zich sindsdien altijd staande heeft gehouden in de filmwereld, door zijn naam als producent, regisseur, scenarioschrijver en/of acteur aan een onafzienbare reeks internationale pulpfilms te verbinden. Hij mag misschien vol trots en tevredenheid op zijn werk voor blanke blaxploitation-filmers terugkijken, sommige zwarten hebben gemengde gevoelens over de filmers die zich de cultuur van het getto toeëigenden en zich uitsluitend concentreerden op stereotiepen als de pooier, de hoer en de drugsdealer. Zij zien in de assimilatie van een zwart fenomeen door de blanke filmwereld een stuitende vorm van cultureel imperialisme.
Zoniet Darius James, auteur van het hilarische 'That's Blaxploitation! Roots of the Baadasssss 'Tude', het enige boek waarin het genre centraal staat. James ziet het hele genre, inclusief de stereotiepen en de Blacula's, als een van de meest geslaagde, vermakelijke en toonaangevende exponenten van een cultuur die uitmondde in eigentijdse gettofilms en hiphop- en rapmuziek. De boodschap: zolang die zwarte pooiers in de films maar genoeg blanken in elkaar slaan maakt het geen moer uit wie er achter de camera stond. James' lofzang is geheel geschreven in de taal en de stijl van de films en vormt daarmee een vermakelijke opmaat tot een serieuze herwaardering van een goeddeels vergeten en nog altijd omstreden filmgenre.

Bart van der Put

Blaxploitation!
Een zeventien titels omvattend retrospectief is van 3 april t/m 23 april dagelijks te zien in de Melkweg Cinema, Amsterdam. Op 15 en 18 april worden vier blaxploitation-films ook vertoond in Vera Zienema, Groningen.

That's Blaxploitation! Roots of the Baadasssss 'Tude.
Darius James. Uitgeverij St. Martin's Griffin, 200 pagina's, f 36,-.

Naar boven