Heijs - april 1997, nr 177
De lange weg van idee tot film, en verder... Jan Heijs gaat in op aspecten van het maken en uitbrengen van films. Filmhuizen, bioscopen, televisie, festivals, fondsen en bovenal makers, plannen en hoe die te realiseren.
Werelden van verschil blijven het in Nederland kennelijk nog steeds, die van de filmmakers en die van de mensen van de televisie. Dat kan haast ook niet anders, want terwijl de laatsten beschikken over honderden miljoenen, waarvan op dit moment kennelijk wat bezuinigd moet worden, hebben de eersten in veel gevallen niet meer dan goede ideeën, die ze voor een groot deel pas met geld van die televisiemensen kunnen realiseren.
Het Nederlands Fonds voor de Film heeft jaarlijks hooguit zo'n twintig miljoen weg te geven en daarover wordt via beoordelingscommissies heel gewichtig gedaan. Als je daar doorrolt, heb je een hoop gewonnen, maar ben je er in de meeste gevallen nog lang niet. Want dan moet het omroepgeld er nog bij. Daar stuit je op redacteuren, dramaturgen, directeuren enzovoort, waarvan het gros zelf nog nooit iets heeft gemaakt, maar wel weet hoe jij het moet doen omdat zij theaterwetenschappen gestudeerd hebben, door carrière-moves waar ze zelf ook geen vat op hadden op bepaalde plekken terechtgekomen zijn, dan wel onder druk staan van hun baas om kijkcijfers te scoren.
Onder de doem van het eind van de omroepverenigingen in het jaar 2001 komt daar in toenemende mate nog een nieuwe gekte bij: opeens kunnen of moeten de omroeplieden ook nog eens zelf gaan produceren. Onder je producentenneus lonken ze de regisseurs weg die mede door jouw collegiale begeleiding, kennis van zaken, inspiratie en tijd voor hun problemen ooit een goede film hebben kunnen maken.
Ik verwijt de filmmakers niets; die willen altijd hun nieuwe film gisteren al gemaakt hebben. Maar ze trappen in valse beloftes, waar ze zelf naturlijk wel achter komen. Want de omroeplui werken nu eenmaal binnen hun omroep-cao's van 9 tot 5 en zitten daarnaast met vreselijk volle overlegagenda's die helemaal geen ruimte laten voor het begeleiden van filmprojecten en inspringen op momenten dat er echt sprake is van crisis. Op die manier verworden briljante ideeën tot verwaterde produkten, waaruit alle inspiratie verdwenen is.
Deze beunhazerij, die de komende paar jaar alleen maar veel slechte produkties en gefrusteerde makers zal opleveren is een prijs die willens en wetens betaald moet worden. Je vraagt je alleen af waarom, als dat alles al zo evident is. Miljoenen aan omroepgelden, waarvan de filmmakers er helemaal niet zoveel van hoeven te hebben om mooie, zinvolle films te maken, worden nu op voorhand vergooid dankzij een mentaliteit van middelmaat en nog meer van hetzelfde.
Jan Heijs