April 1997, nr 177

Jaarboek Mediageschiedenis

De paus zegent de camera

Vorig jaar maart organiseerde de jubilerende vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid samen met de vakgroep Film en TV-wetenschap van de Universiteit van Amsterdam een baanbrekend congres over de beginjaren van de film in Nederland. Ruim een jaar later verschijnen de daar gepresenteerde 'papers' in het Jaarboek Mediageschiedenis.

Kroning van Koningin Wilhelmina in Amsterdam, 1898 (foto: Nederlands Filmmuseum).

Met het achtste deel neemt het Jaarboek - sinds evenzovele jaren een van de twee plekken in Nederland waar aanstormend filmhistorisch talent zich kon presenteren - afscheid. Deze zomer gaat het Jaarboek namelijk fuseren met de enig andere publicatiemogelijkheid voor filmhistorisch onderzoek, het kwartaaltijdschift GBG-Nieuws van de vereniging die het congres mede-organiseerde. Men wil zien te komen tot een twee keer per jaar verschijnend tijdschrift over film, tv, radio, omroep en fotografiegeschiedenis. Vermoedelijk wordt dat eerder een 'halfjaarboek' dan een tijdschift, met het risico van vlees noch vis; geen boek en ook geen tijdschrift. We zullen de academici echter het voordeel van de twijfel gunnen.

Verrassende kennis
Toch stemt het afscheid van het JBM melancholisch, vooral omdat dit laatste nummer inhoudelijk zo boeiend is. Voor het eerst slaagde de redactie er in om een Jaarboek geheel te vullen met artikelen rond een thema, namelijk de beginjaren van de film. Daar is de afgelopen jaren in Nederland veel onderzoek naar gedaan en de resultaten zijn bemoedigend. Er begint tekening te komen in een groot aantal blinde vlekken in onze kennis van de film in Nederland tot 1920. En dat leidt soms tot verrassende kennis.
Zo is het artikel van Mark van den Tempel over de Nederlandse tak van de Amerikaanse Mutoscope & Biograph Company buitengewoon interessant. Van den Tempel publiceerde reeds in een eerder Jaarboek over dit merkwaardige maatschappijtje van Edisons vroegere assistent William Dickson dat in 1898 de eerste opnamen van Koningin Wilhelmina maakte, maar ook Paus Leo XIII filmde terwijl hij de camera zegent en bovendien 'live' tussen de loopgraven beelden schoot tijdens de Boerenoorlog. Er werden ook speelfilmpjes gemaakt, zoals het fictieve De zieke gemeente-ambtenaar (1899). De basis van zijn kennis is een internationaal hoog aangeschreven collectie Biograph-films die een paar jaar geleden herontdekt werd in het Nederlands Filmmuseum. Deze films, op het curieuze, ongeperforeerde 68-mm formaat zijn inmiddels geconserveerd en beschikbaar voor onderzoek.
Peter Delpeut begon zijn VPRO-serie 'Cinema Perdu' met deze films, en als je dan de tientallen verdwenen molens langs de Zaan aan je voorbij ziet drijven of een Amsterdamse schipper op een van de grachten zich haastig aan de kant ziet manoevreren omdat het enorme gevaarte van de Biograph-camera recht op hem afkomt, wordt de toeschouwer weemoedig over alles wat in 100 jaar verdween. Maar gelukkig brengt de film(conservering) het terug op ons netvlies. Een van de prikkelende conclusies van Van den Tempel is dat dit Nederlandse bijkantoor van de Mutoscope & Biograph Company de ware voorloper geweest is van het bioscoopjournaal (en niet filmpionier Willy Mullens zoals vaak beweerd wordt), daarmee het belang van dit soort onderzoek naar de jaren nul en tien van de film in Nederland nog eens onderstrepend.

Amerikaanse suprematie
Een andere, eveneens tot nadenken stemmende bijdrage is van de hand van filmhistoricus Ivo Blom. Hij beschrijft de stormachtige overname van een belangrijk deel van de Nederlandse bioscoopwereld door het Franse Pathé-concern. Dat lijkt in eerste instantie geen filmgeschiedenis. Het Tuschinski theater heet tegenwoordig immers Pathé-Tuschinski? En inderdaad, ook in de jaren 1907-1911 was de haan van Pathé Frères alomtegenwoordig in de Nederlandse filmwereld. Zo liggen de wortels van het heden vaak in het verleden, toch aardig om te weten voor al die mensen die zich afvragen hoe bepaalde zaken zijn ontstaan. En filmhistorisch onderzoek maakt keer op keer duidelijk dat de Amerikaanse suprematie van de filmwereld steeds opnieuw bevochten is door de filmindustrie uit andere landen (soms Frans, soms Deens, soms Duits). Er is dus nog hoop.
En dit zijn maar twee van de verrassend geïnspireerde stukken in het Jaarboek. Het Jaarboek Mediageschiedenis heeft met dit kloeke werk over de studie van de vroege filmgeschiedenis misschien wel haar belangrijkste wapenfeit gepresenteerd. We wensen de redacties van de fuserende partners veel wijsheid en inspiratie toe bij het maken van het nieuwe Nederlandse blad, dat Tijdschrift voor Mediageschiedenis gaat heten.

Egbert Barten

Jaarboek Mediageschiedenis, deel 8
Uitgeverij Stichting Beheer IISG, 276 pagina's, f 39,50. Te bestellen bij IISG, tel. 020-6685866.

Naar boven