Video - april 1997, nr 177

Een selectie uit de videotheek van nieuwe, interessante en curieuze films die niet in de bioscoop zijn uitgebracht.


Joe's appartment
John Payson
Sex, bugs and rock 'n roll! Wie een film met zingende kakkerlakken aan de jeugdige man wil brengen, heeft een wervende slogan als deze nodig. De glorietijd van dieren die monsters worden, is al lang geleden afgesloten toen men uit pure armoe een bloeddorstig knaagdier de hoofdrol schonk. Helaas was in het arme beestje niets knaagachtigs of engs te herkennen. Het omgekeerde, een akelig insect dat sympathiek blijkt te zijn, mag het daarentegen nog proberen in de videorecorder. New Yorks plaag nummer één is onuitroeibaar, leeft al miljoenen jaren op de aardbol en zal de mensheid ruimschoots overleven. Reden genoeg om dit griezelige beestje te laten schitteren in een satire, zodat we eindelijk antwoord krijgen op de vraag wat er toch in die hersentjes van de kakkerlak omgaat. Wat blijkt, ze lijken verdacht veel op de mens. Ook kakkerlakken kijken tv, sterker nog, ze hebben hun eigen ondergrondse zender. Hierop discussiëren zij met die andere stadsbewoners, de duif, de rat en de eekhoorn, over meer tolerantie ten opzichte van elkaar. Nog opzienbarender is dat uit hun kelen lieflijke liedjes komen, maar wel met toepasselijke teksten. 'Samen met de kakkerlak uit mijn dromen, lalala, neem ik een hap uit het chemisch afval, pomtiedom, dat op het strand is aangespoeld.' Maar met de beestjes valt niet te sollen: "We know where you live. We líve where you live." De film komt rechtstreeks uit de MTV-stal en is ook bedoeld voor liefhebbers van MTV-humor. Joe's appartment is gebaseerd op de gelijknamige korte film, wat duidelijk te merken is aan de wervelende stopmotion-stijl en de vele rake vondsten. De verleiding was natuurlijk groot om de succesformule op te blazen tot een speelfilm, net zoals dat met Wayne's world en Beavis and Butthead is gebeurd, maar beter was het geweest als de makers de kracht van de korte film hadden gerespecteerd. Nu riekt de film te veel naar zakkenvullerij.
Mariska Graveland
Te huur vanaf 8 april (Warner Home Video).

Joe's appartment: Jerry O'Connell bereidt zich voor op de strijd tegen de kakkerlakken.


In the bleak midwinter
Kenneth Branagh
Kenneth Branagh heeft waarschijnlijk voor heel wat situaties in In the bleak midwinter uit zijn eigen carrière kunnen putten. Hij had namelijk zelf al vier keer de Deense prins gespeeld voordat hij deze komedie over een amateuropvoering van Hamlet maakte. En waarschijnlijk was hij toen ook al bezig met zijn Hamlet-verfilming, die onlangs in Berlijn zijn première beleefde. In het licht van dat vier uur durende, megalomane project is In the bleak midwinter lichte kost. Een nerveuze, maar immer optimistische regisseur (gespeeld door Michael Maloney) krijgt de gelegenheid om met een piepklein budget een voorstelling te maken. Eigenlijk wil hij een science fiction-trilogie regisseren, maar zolang dat niet mogelijk is, kan hij met het geld dat zijn agent (Joan Collins, op dreef als comedienne) hem geleend heeft een andere regisseursdroom in vervulling laten gaan. Hamlet dus, in een verlaten provinciekerkje, met een samengeraapte spelersgroep vol excentriekelingen en een minimale voorbereidingstijd. Branagh moet het in deze in zwart-wit gefilmde komedie vooral hebben van de snelle opeenvolging van komische situaties die zich tijdens de hectische repetitietijd voordoen: variërend van een auditerende actrice die de to be-monoloog zwijgend, maar tappend opvoert, tot Claudius die tijdens het gebed te hard op zijn knieën valt. De grappen blijven meestal zo flauw. Toch is dit tussendoortje dat Branagh tussen zijn andere Shakespeare-verfilmingen gemaakt heeft beter te verteren dan Al Pacino's liefdesverklaring aan Shakespeare. Waar Pacino in
Looking for Richard het wezen van de Engelse schrijver tevergeefs probeerde te doorgronden, laat Branagh zien hoeveel plezier enthousiaste acteurs ondanks alle tegenslagen aan Shakespeare kunnen beleven.
Pieter Bots
Verschenen bij Columbia TriStar (import).


Boston Kickout
Paul Hills
'Boston kickout' is de naam van een nogal destructief tijdverdrijf: met een stel vrienden trek je een willekeurige wijk in, en in korte tijd laat je een spoor van vernielingen achter in alle tuinen die je op je weg aantreft. Voor de opgroeiende Phil is het een van de weinige verzetjes. Na de zelfmoord van zijn moeder is hij met zijn vader in een troosteloos Engels nieuwbouwstadje komen wonen. Wat een nieuw begin had moeten zijn, is uitgedraaid op één doffe ellende. Zijn vader vindt na de dood van zijn vrouw alleen nog troost bij de whiskyfles. In het stadje valt hij daarmee niet uit de toon, want evenals elders in Brits Urbania zijn werkloosheid, zinloos geweld en drugsgebruik hier aan de orde van de dag. Phil dreigt zelf ook in een neerwaartse spiraal van drank en criminaliteit terecht te komen, na de plotselinge verdwijning van zijn beste vriend Ted. Door de komst van zijn levenslustige nichtje Shona wordt hij aan het denken gezet over de uitzichtloosheid van zijn situatie, en uiteindelijk besluit hij iets met zijn leven te gaan doen. Regisseur Hills putte uit zijn eigen ervaringen, hetgeen resulteerde in een realistisch en goed geacteerd portret van richtingloze jongeren met teveel energie. Jammer genoeg voegt Boston kickout niets toe aan wat we al weten over de sociale woestenij die Margaret Thatcher in Engeland heeft achtergelaten. De personages, Phil voorop, zijn te oninteressant om een film lang de aandacht vast te houden. De overwegende grauwheid wordt alleen even opengebroken door de heftige romance tussen Shona en Phil. Voor de rest is Boston kickout een tamelijk vlakke vertoning, ondanks de vele erupties van rauw geweld en een hippe soundtrack.
Fritz de Jong
Verschenen bij First Independent (import).

Boston kickout: John Simm en Emer McCourt vinden elkaar leuk.


Les apprentis
Pierre Salvadori
Pure komedie, zonder bekkentrekkerij van Amerikaanse randdebielen als Jim Carrey of Pauly Shore, is zeldzaam. Echt grappige slapstick is nog veel zeldzamer, maar de twee Franse sukkels uit Les apprentis kunnen er wat van. Veel is te danken aan de acteurs: droogkloot François Cluzet en superslacker Guillaume Depardieu (zoon van). Samen vormen zij een klassiek komisch duo. Ze leven gratis in een appartement van een vriend die er meestal niet is. Ze gooien hun bioritme om en ontbijten met wodka en cornflakes. Ze zitten zo diep in hun vrijgezellen-ellende dat geen vrouw in een straal van vijftig meter wenst te komen. De gesjeesde toneelschrijver Cluzet verdient zijn geld zwart als onderbetaald journalist bij karatetijdschriften en kruiswoordpuzzelboekjes. Guillaume skiet door het trappenhuis en vindt het vreemd als hij bont en blauw beneden belandt. Omdat de heren personages niet zijn gezegend met enige dynamiek wordt de film halverwege een beetje saai. De slapstick blijft aanhouden. Voor diegenen die zichzelf in de personages kunnen herkennen, of de film met veel andere mensen bekijken tijdens een dronken/stonede videomarathon, valt er nog heel wat af te lachen. Wie deze film in de armen sluit, zal er meerdere malen naar kijken en er hele stukken dialoog uit citeren. Kortom, Les apprentis heeft alles in zich om een cultfilm te worden.
Thessa Mooij
Verschenen bij Tartan Video (import).


Violent tradition
John Woo
Eerst was het nog 'Van Damme Hard target', toen luidde het 'John Travolta
Broken arrow', maar nu staat er toch echt 'John Woo's Violent tradition' op de doos. Kennelijk wordt de naam van regisseur John Woo nu ook in de Verenigde Staten op eigen kracht als een publiekstrekker van formaat beschouwd. En dat terwijl de uit duizenden herkenbare, explosieve filmstijl die hij in Hong Kong met The killer, Bullet in the head en Hardboiled zo fraai etaleerde in zijn Amerikaanse werk nagenoeg ontbreekt. Zo ook in Woo's nieuwste, een voor de Amerikaanse tv-markt gedraaide remake van Once a thief (1991), de in het Westen minst bekende film uit Woo's Chinese bloeiperiode. Was het origineel een aanstekelijke en spectaculaire kruising tussen Alfred Hitchcocks To catch a thief en Woo's beproefde gangsterfilms, de nieuwe versie oogt als een aflevering van een goedkope tv-serie: de belichting is flets, de acteurs deugen niet en de opbouw heeft om de tien minuten een kunstmatig rustpunt voor het inlassen van reclame. Net als in het origineel staat de gecompliceerde driehoeksverhouding van een stel beroepsdieven centraal en dat levert ook nu weer een aantal geslaagde komische momenten op, maar, om een oude Chinese wijsheid aan te halen, wie met hetzelfde zakje een tweede pot thee zet hoeft geen sterk bakkie te verwachten. Met het binnenkort in de bioscoop verwachte Jean Claude Van Damme-vehikel Maximum risk, van Woo's eveneens naar de VS geëmigreerde Chinese troonopvolger Ringo Lam, begint zich een akelig patroon af te tekenen: Chinezen die met de Belg heulen zijn voorgoed verloren. Hong Kong-filmgoeroe Tsui Hark zal de volgende zijn. De Chinese machtsovername van Hong Kong maakt meer kapot dan mij lief is.
Bart van der Put
Te huur vanaf 8 april (Still Entertainment).

Violent tradition: Sandrine Holt aan de zwier met anonieme partner.


Kunst - Cult - Kul
De bron

Met open vizier en onbegrensde nieuwsgierigheid stort videovorser Bart van der Put zich op verse waar. Is het kunst, cult of gewoon kul?

Het moet ergens begonnen zijn, maar waar precies en met welke film is onduidelijk. Waren het The Marx Brothers, was het W.C. Fields, Marilyn Monroe, of misschien de combinatie Humphrey Bogart en John Huston? Vermoedelijk was Alfred Hitchcock de boosdoener, met een film uit zijn Britse periode: The man who knew too much, The 39 steps of mogelijk The lady vanishes. Vast staat dat Hitchcock de grootste was, en blijft, en dat hij een sleutelrol vervulde. Maar of het ook bij hem begon?
Het is pijnlijk, mijn filmliefde laat zich niet herleiden tot de bron. Hoe anders is het gesteld met de voorkeur voor specifieke filmgenres. Ik zag als kind hoe Bela Lugosi in Dracula van zijn kasteeltrap afdaalde, verstopte me gillend achter de bank, had wekenlang nachtmerries en was voorgoed gefascineerd door griezelfilms. En daarom zat ik op 25 maart 1990 om vijf uur 's ochtends in een kleine zaal van het Amsterdamse Tuschinski theater, waar het Weekend of Terror plaatsvond. Ik had genoeg van het Amerikaanse formulewerk dat het duizendkoppig publiek in de grote zaal schorre kelen bezorgde. De titel en de herkomst van het alternatief maakten nieuwsgierig: A Chinese ghost story, nu eens geen film met half ontklede tieners in een boshut, maar een exotisch spookverhaal, helemaal uit het verre Hong Kong.
Het was liefde op het eerste gezicht. Leslie Cheung, die later internationaal doorbrak met een hoofdrol in Farewell to my concubine, speelt een onwaarschijnlijke heldenrol als belastinginspecteur. Hij belandt in het oude China in een behekste tempel waar hij geheel in de ban raakt van een beeldschoon spook, vertolkt door de Taiwanese actrice Wong Tsu Hsien, die bij de eerste kennismaking meteen ook mijn hart stal. Hun liefde is wederzijds, maar geen lang leven beschoren, zeker niet wanneer een taoïstische spokenjager en demonen uit de onderwereld tussenbeiden komen.
Met zijn perfect uitgebalanceerde combinatie van aanstekelijke humor, ouderwetse romantiek, adembenemende choreografie, prachtige muziek en oogstrelend camerawerk belandde A Chinese ghost story nog diezelfde nacht op mijn lijstje van favoriete films. Het was duidelijk, in Hong Kong wist men nog hoe je een originele en meeslepende film maakt. De namen van regisseur Ching Siu Tung en producent en stuwende kracht Tsui Hark boden houvast. In de Chinese videotheken die ik met een hongerige blik bezocht had men echter nog nooit van het duo of de film gehoord, en steeds weer werd ik er met illegale kopieën van de nieuwste Jackie Chan naar huis gestuurd. Ook leuk, maar niet je ware.
Tien jaar na de Chinese première is duidelijk dat ik niet de enige ben die door A Chinese ghost story in vervoering raakte: de film markeerde een ware renaissance van de Chinese genrefilmproduktie en opende menig westerling de ogen. De cultus rond het werk van Tsui Hark en Jackie Chan mondde in Engeland uit tot de oprichting van twee gespecialiseerde videolabels: Made in Hong Kong en Eastern Heroes. Bij die eerste verscheen onlangs eindelijk de film waar alles mee begon, in een prachtige widescreen-versie, Kantonees gesproken, met de ondertitels keurig in het zwarte balkje, zoals het hoort. Ik ben blij, heel blij. Want ik kan mijn liefde voor de
Hong Kong film niet alleen herleiden tot de bron, ik kan die bron nu ook keer op keer aanboren. Die tape krijgt het nog zwaar te verduren.

Bart van der Put
A Chinese ghost story van Ching Siu Tung en Tsui Hark verscheen bij Made in Hong Kong (import; koop en huur).

Naar boven