Juni 1997, nr 179

Pierre Bokma, acteur

Help nou toch gewoon

Acteren is een mysterie dat zich nauwelijks in woorden laat vatten. Te vaak nemen critici én acteurs hun toevlucht tot dooddoeners als 'in de huid kruipen' of 'naturel spel'. Wie bepaalt wat goed acteren is, en op basis van welke gronden? Welke middelen staan de acteur tot zijn of haar beschikking en hoe worden ze het best benut? De Filmkrant is op zoek naar de geheimen van het vak in een serie over acteren in Nederland. Als tiende in de reeks: Pierre Bokma. "Veel regisseurs denken dat een acteur iemand is met een tas, waarin alle verschillende stemmingen en grimassen zitten. Ze kleden je aan, zetten je op de set neer en zeggen: 'Dit is start, dat is finish, ga je gang'."

Pierre Bokma (foto: André Bakker).

Nadat Pierre Bokma (41) in 1982 van de Maastrichtse Toneelschool kwam, speelde hij direct voor gerenommeerde gezelschappen als Globe, Baal en het Publiekstheater; vanaf de oprichting in 1987 is hij verbonden aan Toneelgroep Amsterdam. Niet alleen het publiek liep weg met de jeune premier, ook de kenners in diverse jury's toonden zich onder de indruk. Bokma kreeg tal van prijzen en nominaties, waaronder de Albert van Dalsum-ring na zijn rol als Jago in Othello, en de Louis d'Or voor zijn vertolking van Richard III.
Zijn eerste filmrol was in Giovanni van Annette Apon (1983); daarna speelde Bokma onder andere in De provincie (Jan Bosdriesz, 1991), Oude Tongen (Gerardjan Rijnders, 1994) en Hoogste tijd (Frans Weisz, 1995). Vorig jaar was Bokma te zien als de advocaat en kwartaaldrinker Ernst Quispel in
Advocaat van de hanen van regisseur Gerrit van Elst. Hij verdiende er een Gouden Kalf-nominatie voor beste acteur mee, een prijs die hij al eens won voor zijn rol in Leedvermaak. Op het moment werkt hij aan een nieuwe televisieserie van Weisz, Het jaar van de opvolging, en in het najaar is Bokma te zien in De gordel van smaragd van Orlow Seunke, met wie hij eerder de korte film Frans en Duits (1995) maakte.

Een beetje Bokma
In De gordel van smaragd speelt Bokma de Nederlander Theo Staats, die in 1939 naar Nederlands-Indië vertrekt om er als planter op een rubberplantage te gaan werken. Tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog en de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië beleeft Staats een ingewikkelde romance met Ems, een Indische femme fatale, vertolkt door Esmée de la Bretonnière (bekend uit De Johnsons). Bokma: "Het is een verzonnen figuur, er is niets over bekend. Wat je kunt doen, is je goed documenteren: beelden uit die tijd bekijken, boeken lezen over planters die in het verzet zijn geraakt. Het gaat vooral om de sfeer. Ik ben tegen het worden van Theo Staats, of van welke rol ook. Dat is nonsens. Ik ben het die hem speelt dus er zal altijd iets van mijn motoriek in blijven zitten, iets van mij persoonlijk."
"Ik kan wel een bochel verzinnen of een tumor of weet ik wat, maar dat vind ik allemaal niet zo interessant. Er bestaan geen aanwijzingen dat dat zo moet. Hij is een heel gewoon iemand, iemand zoals jij en ik, die in een uitzonderlijke situatie terecht komt. En hoe zouden jij en ik reageren? Met andere woorden: Staats is buiten een specifiek uiterlijk dat Orlow heeft bedacht, ook een beetje Bokma zoals hij in die tijd in die situatie zou reageren of ageren. Het is nu meer het verhaal dat het karakter van Theo vormt, dan een karakter dat in een verhaal verzeild raakt. Je moet duidelijk maken wat de consequenties van bepaalde daden in het script zijn. Je moet nagaan hoe iemand daar toe komt. Het was aanvankelijk volstrekt onduidelijk waarom Staats eigenlijk naar Indonesië ging, hij kwam daar gewoon aan. Ik wilde weten waarom, dat heeft namelijk direct met zijn karakter te maken."

Onuitstaanbaar
"Op het moment dat ik een script lees, denk ik vaak: volgens mij hebben ze twintig miljoen nodig om de helft op een redelijke wijze te verfilmen. Je kunt alleen maar hopen dat wat er staat ook daadwerkelijk verfilmd wordt, maar eenderde van alle leuke dingen in het script wordt vaak weggelaten omdat het financieel niet haalbaar is. Ik heb het idee dat het er vaak alleen maar in staat om acteurs te lokken. Bij Advocaat van de hanen zijn er scènes geschrapt die ik belangrijk vond, maar er was geen geld voor. Het leek op een gegeven moment alsof enkel Gerrit en ik geïnteresseerd waren in het verhaal, verder ging het alleen nog over cash-flow. De woede over dat soort zaken vreet zoveel energie dat je geen puf meer over houdt om je met echt belangrijke dingen bezig te houden. De voorbereiding was helemaal niet slecht, maar tijdens het draaien ontstonden er zoveel problemen, dat ik door de bomen het bos bijna niet meer zag, dat ik niet meer wist waar ik was, en waar het wel of niet over ging."
"Het wordt me weleens verweten dat ik niet altijd even loyaal ben, maar ik heb niet zoveel aan loyaliteit als het om kwaliteit gaat. Wat heeft het voor zin om iets waarvan je ziet dat het niet optimaal is, of zelfs verre van dat, om dat eindeloos tegen de stroom in te verdedigen. De nietsnut is volledig de mist in gegaan. Schaduwlopers idem. Dan vind ik het, met alle respect voor de inzet die mensen zich getroost hebben en alle liefde die ze eraan hebben gegeven, onuitstaanbaar dat het resultaat zo vanzelfsprekend matig is, zo knullig in vergelijking tot wat we vantevoren met zijn allen dachten dat het zou moeten worden. Met toneel heb ik geluk gehad; ik ben direct bij Gerardjan Rijnders terecht gekomen en ik vind hem nog steeds de meest interessante regisseur en artistiek leider van Nederland en verre omstreken. Maar filmregisseurs die werkelijk verstand van zaken hebben... Die een concept hebben, weten wat ze willen, met die en die mensen omdat zij bepaalde kwaliteiten hebben waar ze dan bovenop nog proberen om dit en dat eruit te halen, omdat het in die combinatie een film oplevert waar iedereen in de hele wereld van zal opkijken... ik ben ze niet vaak tegengekomen."

Naam en faam
"Wat ik vaak meemaak is een enorme aimabiliteit, ik word aan alle kanten in de watten gelegd. Dat is leuk en aardig, maar uiteindelijk denk ik: 'Godverdomme, help nou toch gewoon, vertel me toch wat ik moet doen!'. Veel regisseurs zien de crux van je worsteling niet; anderen hebben weinig of nooit met acteurs gewerkt op een manier die voor film vereist is. Ze denken dat een acteur iemand is met een tas, waarin alle verschillende stemmingen en grimassen zitten. Ze kleden je aan, zetten je op de set neer en zeggen: 'Dit is start, dat is finish, ga je gang'. Ze laten zich verblinden door je naam en faam. Volslagen onterecht. Pierre Bokma is hier dus het komt wel goed. Het is weleens moeilijk om je daartegen te verzetten, want als het écht lastig wordt, ben je soms ontzettend dankbaar als iemand roept dat het geweldig was, terwijl je weet dat het niks is. Je wordt lui, want je hebt een excuus: 'Het mocht niet over want de regisseur vond 't geweldig; kan ik er wat aan doen?'."
"Op het moment ben ik opnieuw met Frans Weisz bezig. Hij is een perfectionist, is soms uitermate lastig, maar erg prettig om mee te werken. Hij heeft begrip voor de problemen van een acteur, ziet wat jouw moeilijkheden zijn en blijft dus niet in het wilde weg roepen dat je het moet doen zoals hij net al zei. Op mijn manier heb ik ook veel aan Orlow gehad en ik denk dat Mike van Diem goed met acteurs kan werken. Ik ben ooit gevraagd voor de rol van De Gankelaar (die nu wordt gespeeld door Victor Löw, red.) in Karakter. Van Diem begon met me te zeggen dat hij me helemaal niks vond. Ik deed op film niet wat hij me op toneel had zien doen. En het toneel vond hij eigenlijk ook maar matig, maar daarin was ik soms wel interessant. Hij had een duidelijk plan met mij en baseerde dat dus niet op gezien materiaal. Hij vond dat ik nooit goed gebruikt, nooit goed geregisseerd was, en wilde dat anders doen. Hij wilde laten zien dat ik meer kan, maar ik was zeer onoplettend waardoor het niet is doorgegaan. Mea maxima culpa."

Plaatsvervangende schaamte
"Ik vind mezelf nog steeds geen begenadigd filmacteur. Victor Löw, Gijs Scholten van Aschat of Rick Launspach; ze spelen met zoveel meer gemak. Als ik naar die jongens kijk, denk ik: 'dat kan ik ook, easy'. Maar dat is zo moeilijk. Als er echt goed geacteerd wordt, is het een soort fluïdum, een stroom met precies de juiste viscositeit. Geen water, als het water is, is het ook niks. GTST, dat is water. Het moet een soort lavastroom zijn die heerlijk glijdt. Het heeft dan een enorme uitstraling waardoor het door het doek heen zindert. Als het niet goed gaat en je ziet iemand moeite doen, met de hakken over de sloot, wat veel gebeurt, dan heb ik plaatsvervangende schaamte voor degene die zo hard moet werken. En tegelijkertijd vraag ik me af hoe het dan in hemelsnaam wel moet."
"Hoewel ik weet dat er geen methode is, probeer ik me te herinneren hoe ik te werk ging in bepaalde stukken van films. Hoe ik mezelf gevangen durfde te zetten in de regels van de scène, van de regisseur, van mezelf en van het script, en daarbinnen een onmetelijke vrijheid vond. Ik moet alle tijd van de kunnen wereld nemen, alles van me af zetten, durven vragen of we nog eens kunnen repeteren, halverwege 'stop' zeggen en nog eens evalueren wat precies de bedoeling is. Als Orlow vond dat een scène er goed op stond, wilde ik het vaak nog een keer doen, maar dan helemaal zoals ik dacht dat het moet. Orlow zei altijd ja, spaarde tijd noch materiaal. En zes, zeven van de tien keer was het dan beter dan daarvoor, omdat alle druk van me afvalt. Wat de regisseur goed vindt is er al, als je daar nog iets aan toevoegt is het meegenomen."
"Acteren wordt mooi als de toeschouwer zijn eigen verhaal mag maken. Als het hem wordt toegestaan op een persoonlijke basis met het personage mee te denken en het ook mogelijk is om een andere kant op te gaan. Als het een goed verhaal is, zitten er een miljard varianten vlak omheen, die iedereen kan oppikken. Dat zit 'm puur in het acteren. Jack Nicholson in zijn vroege films heeft zo'n enorme kracht, die brandt een onuitputtelijke voorraadkamer aan ideeën, angsten en verlangens open, waar je als toeschouwer eindeloos mee kunt spelen. Hij geeft het publiek het gereedschap in handen waarmee ze het personage zelf kunnen vervolmaken. Als je met een dubbele tong gaat praten, met een bochel en weet ik wat gaat lopen, plak je het zo verschrikkelijk dicht. Dan valt er bijna niks meer te verzinnen, wordt het een eenduidige figuur zonder een mogelijke achtergrond. Je moet een karakter niet opgedrongen krijgen, maar er mee kunnen spelen. Pas als de toeschouwer mee mag werken, en hij dat vanuit zichzelf, automatisch doet, dan lever je iets af als acteur. Diep in mijn hart ben ik ervan overtuigd dat mensen niet in een stoel willen zitten terwijl alles voor ze gedaan wordt. Want als ze achterover zitten en het lijdzaam aan zich voorbij laten gaan, is het een kwartier later weg. Ze hebben een aardige middag gehad, maar het gaat nergens over..."

Jan Pieter Ekker

De gordel van smaragd wordt verwacht tijdens het 17e Nederlands Film Festival, van 24 september tot 4 oktober in Utrecht. Voor het Theaterfestival dat in september in Amsterdam plaatsvindt zijn drie stukken geselecteerd van Toneelgroep Amsterdam met Pierre Bokma: 'Ashes to Ashes', 'Licht' en 'Een soort Hades'.

Naar boven