The Big Sleep - juni 1997, nr 179

Voor aanvullingen, kritiek en suggesties: stuur uw email naar Hans Beerekamp.


Amstutz, Roland (55). Recklinghausen, Duitsland, 21 mei. Zwitsers acteur. Wierp zich voor een trein, vlak voor de voorstelling in een tournee van een door Luc Bondy geregisseerd stuk van Strindberg. Was na succes in Zwitsers theater vooral actief in Frankrijk, onder meer bij het Théâtre du Soleil en de Comédie Française. Veel filmrollen, zoals in Que la fête commence (Bertrand Tavernier, 1974), Pas si méchant que ça (Claude Goretta, 1974), La communion solennelle (René Feret, 1977), Félicité (Christine Pascal, 1979), La femme flic (Yves Boisset, 1979), Fernand (Feret, 1980), Sauve qui peut (la vie) (Jean-Luc Godard, 1980), Plein sud (Luc Béraud, 1980), Tir groupé (Jean-Claude Missiaen, 1982), La petite bande (Michel Deville, 1983), Nouvelle vague (Godard, 1990), Sale comme un ange (Catherine Breillat, 1990), Alberto Express (Arthur Joffé, 1990), Un coeur qui bat (François Dupeyron, 1991), Faut pas rire du bonheur (Guillaume Nicloux, 1994), Comment je me suis disputé...ou ma vie sexuelle (Arnaud Desplechin, 1996) en Amoureuses (Michel Piccoli, 1997).


Beal, John (87), Santa Cruz, Ca., 26 april. Amerikaans acteur, pseudoniem van James Alexander Bliedung. Wegens zijn jongensachtig uiterlijk populair als jeune premier in de jaren dertig, maar juist die jeugdigheid zou later tegen hem werken. Onder meer in Another language (Edward H. Griffith, 1933), Hat, coat and glove (Worthington Miner, 1934), tegenover Katharine Hepburn in The little minister (Richard Wallace, 1934) en Break of hearts (Philip Moeller, 1935), als Marius in Les miserables (Richard Boleslawski, 1935), in de titelrol van Laddie (George Stevens, 1935), The man who found himself (Lew Landers, 1937), Double wedding (Richard Thorpe, 1937), Madame X (Sam Wood, 1937), The Arkansas traveler (Alfred Santell, 1938), I am the law (Alexander Hall, 1938), Port of Seven Seas (naar Marcel Pagnols Fanny; James Whale, 1938), The cat and the canary (Elliott Nugent, 1939), Ellery Queen and the perfect crime (James Hogan, 1941), Edge of darkness (Lewis Milestone, 1943), de Disney-musical So dear to my heart (Harold Schuster, 1949), Chicago deadline (Lewis Allen, 1949), My six convicts (Hugo Fregonese, 1952), Remains to be seen (Don Weis, 1953), That night (John Newland, 1957), The vampire (Paul Landres, 1957), The sound and the fury (Martin Ritt, 1959), Ten who dared (William Beaudine, 1960), The house that cried murder/The bride (Jean-Marie Pelissie, 1974), Amityville 3D (Richard Fleischer, 1983) en tenslotte in The firm (Sydney Pollack, 1993).


Faye, Joey (87), Englewood, New Jersey, 26 april. Amerikaans danser, komiek en bijrolacteur, pseudoniem van Joseph Anthony Palladino. Gespecialiseerd in de rol van taxichauffeur. Films onder meer: Top banana (Alfred E. Green, 1954), tegenover Frank Sinatra in The tender trap (Charles Walters, 1955), Ten North Frederick (Philip Dunne, 1955), North to Alaska (Henry Hathaway, 1960), tegenover Doris Day in That touch of mink (Delbert Mann, 1962), For love or money (Michael Gordon, 1963), Dead heat on a merry go-round (Bernard Girard, 1964), How to succeed in business without really trying (David Swift, 1967), No way to treat a lady (Jack Smight, 1968), The Grissom gang (Robert Aldrich, 1971), The war between men and women (Melville Shavelson, 1972), The front (Martin Ritt, 1976) en Once upon a time in America (Sergio Leone, 1984). Overleden aan hartproblemen.


Ferreri, Marco (68), Parijs, 9 mei. Italiaans regisseur. Gezichtsbepalend Europees filmauteur, vooral in de jaren zeventig; cruciaal voor de roem van steracteurs als Michel Piccoli, Marcello Mastroianni, Ugo Tognazzi, Gérard Depardieu, Ornella Muti en Roberto Benigni. Provocerende, extreme fabels en allegorische metaforen richten zich tegen onder meer de consumptiemaatschappij, het mannelijk chauvinisme, autoritaire structuren van kerk en staat en het kolonialisme. Op 11 mei 1928 in Milaan geboren Ferreri onderbrak zijn studie diergeneeskunde om verkoper van sterke drank te worden. Begon in die hoedanigheid reclamefilmpjes te maken. Produceerde in 1950-51 naar een idee van Cesare Zavattini een soort alternatief satirisch bioscoopjournaal met medewerking van onder meer Fellini, De Sica, Visconti en Moravia, Documento mensile, dat na twee afleveringen strandde. Andere door hem geproduceerde flops, de omnibusfilm Amore in città (1953) en Donne e soldati (Marchi & Malerba, 1955), deden Ferreri naar Spanje uitwijken, waar hij projectieapparatuur en anamorfotische lensen verkocht. Vriendschap met journalist en auteur Rafael Azcona leidde tot sarcastisch filmdebuut El pisito (1958), gevolgd door Los chicos (1959) en het internationale succes El cochecito/Het wagentje (1960), waarin een bejaarde man zijn familie terroriseert om aan een (onnodig) invalidewagentje te komen. Na El secreto de los hombres azules (1960) regisseerde Ferreri terug in Italië de aflevering Gli adulteri/L'infidelità coniugale in het meerluik Le Italiane e l'amore (1961) en het door de censuur getroffen Una storia moderna: l'ape regina (1963). Er volgden onder toenemend applaus van de internationale filmkritiek, vaak door economische beperkingen ascetisch en pregnant vormgegeven films als La donna scimmia (1964), de episode Il professore in Controsesso (1964), Marcia nuziale (1965), de sketch L'uomo dei cinque palloni in Oggi domani e dopodomani (1965), later uitgewerkt tot Break-up (1968), L'harem (1967), Il seme dell'uomo/Het zaad van de mens (1969), Dillinger è morto/Dillinger is dood (1969), Perché pagare per essere felici? (1970), L'udienza/De audiëntie (1971) en La cagna/Liza (1972, met Mastroianni en Deneuve op een onbewoond eiland). Choqueerde in 1973 Cannes met zijn meest geruchtmakende film La grande bouffe, waarin de onthechte bourgeois Piccoli, Mastroianni, Tognazzi en Philippe Noiret zich in gezelschap van de voluptueuze Andréa Ferréol te barsten vreten. Daarna Touche pas à la femme blanche (1974), La dernière femme/L'ultima donna (met de zelfcastratie van Depardieu, 1976), Ciao maschio!/Bye bye monkey (1978), Chiedo asilo/Pipicacadodo (1979) en de met een Gouden Leeuw in Venetië onderscheiden verfilming van Charles Bukowski's Tales of ordinary madness/Storie di ordinaria follia (1981). Daarna werden Ferreri's films, ook door veranderingen in het politiek-culturele klimaat minder scherp en de waardering op z'n best plichtmatig: Storia di Piera (1983), Il futuro è donna (1984), I love you (1986), Y'a bon les blancs/O come sono buoni i bianchi (1988), La carne (1991) en Diario di un vizio (1992). Zijn tamme parabel over de bejaardenzorg Il casa del sorriso (1991) won ten onrechte in Berlijn een feitelijk voor zijn hele oeuvre bestemde Gouden Beer. Speelde vilein rolletje als doof en adellijk kunstverzamelaar in Casanova 70 (Mario Monicelli, 1965). Schreef nagenoeg al zijn scenario's zelf. Overleden aan een hartaanval.


Figueroa, Gabriel (90), Mexico-Stad, 27 april. Mexicaans cameraman. Oscarnominatie voor The night of the iguana (John Huston, 1964), maar lang voor die tijd al een invloedrijk en om zijn expressionistische kwaliteiten en beheersing van het 'clair obscur' bewonderd director of photography in eigen land. In Mexico bestaat zelfs de algemeen begrepen uitdrukking "een Figueroa-wokenlucht". In 1935 in Hollywood leerling en assistent van Gregg Toland. Draaide in eigen land de door Fernando de Fuentes geregisseerde Allà en el rancho grande, het begin van de lange traditie van "comedia ranchera" of plattelandskomedie, waarvoor hij in 1936 in Venetië de cameraprijs won. Voorts onder meer La noche de los Mayas (1939), Flor silvestre (Emilio Fernández, 1943), het in Cannes bekroonde María Candelaria (Fernández, 1943), Las abandonadas (Fernández, 1945) Rio Escondido (Fernández, 1947), The fugitive (John Ford, 1947), La perla (Fernández, 1947), Maclovía (Fernandez, 1948), Tarzan and the mermaids (Robert Florey, 1948), Salón Mexico (Fernández, 1948), La malquerida (Fernández, 1949), Los olvidados (Luis Buñuel, 1950), The torch (Fernández, 1950), El (Buñuel, 1952), La escondida (Roberto Gavaldón, 1955), Nazarin (Buñuel, 1958), La cucaracha (Ismael Rodriguez, 1958), Macario (Gavaldón, 1959), La joven/The young one (Buñuel, 1961), El angel exterminador (Buñuel, 1962), Simón del desierto (Buñuel, 1965), The big cube (Tito Davison, 1969), Two mules for sister Sarah (Don Siegel, 1970), Kelly's heroes (Brian G. Hutton, 1970), Interval (Daniel Mann, 1973), Once upon a scoundrel (George Schaefer, 1974), The children of Sánchez (Hall Bartlett, 1978) en Under the volcano (Huston, 1984). Overleden aan een hersenbloeding.


Francovich, Allan (56), Houston, 17 april. Amerikaans documentaireregisseur. Vooral bekend geworden door de in Berlijn met de FIPRESCI-prijs bekroonde kritische, drie-urige film over de CIA On company business (1980). Voorts onder meer The lobster pot (samen met Eugene Rostrow, 1973), Chile in the heart (1975), Dark passage (1990), Murder in Mississippi (1991), Gladio (1992) en The Maltese double cross (1994). Overleden aan een hartaanval tijdens het passeren van de douane.


Kotetisjvili, Vachtang 'Tato' (38), Rotterdam, 16 mei. In Nederland wonend Georgisch regisseur. Na in 1987 zijn enige lange speelfilm Anemia te hebben gepresenteerd op het International Filmfestival Rotterdam, bleef de Duits sprekende reus, die door iedereen alleen maar bij de voornaam aangesproken werd, in Rotterdam achter, bij collega-regisseur Ineke Smits. Tato maakte in Nederland enkele korte films: Rose Violet and Lily (1992), To be or not to be (1994) en Het effect van Pascals citaat op de wereldgeschiedenis (1996). In zijn geboortestad Tbilisi nam Tato de episode Thou shalt not speak evil op voor de internationale episodenfilm City life (1990). Onlangs voltooide hij in Georgië de opnamen voor een min of meer autobiografische documentaire, Nostalgie. Eerder maakte Kotetisjvili in eigen land de korte films De held (1979) en De trein (1985). Tato speelde kleine rollen in een aantal Nederlandse films, waaronder The best thing in life (Paul Ruven, 1992) en de korte film Méliès in colour (Ruven, 1992). Overleden aan een hartaanval.


Lambert, Paul (74), Santa Monica, 27 april. Amerikaans bijrolacteur. Was te zien in Spartacus (Stanley Kubrick, 1960), House of women (Walter Doniger, 1962), The big mouth (Jerry Lewis, 1967), The planet of the apes (Franklin J. Schaffner, 1968), A gunfight (Lamont Johnson, 1971), Play it as it lays (Frank Perry, 1972), Where does it hurt? (Rod Amateau, 1972), All the president's men (Alan J. Pakula, 1976), Sparkle (Sam O'Steen, 1976) en Wrong is right/The man with the deadly lens (Richard Brooks, 1982). Overleden aan kanker.


Louis, Jean (89), Palm Springs, Ca., 20 april. Oorspronkelijk Frans kostuum- en modeontwerper, eigenlijk Jean Louis Berthault. Kwam in 1935 voor een vakantie naar Amerika en vond meteen emplooi in New York als modeontwerper. Won een Oscar voor The solid gold Cadillac (Richard Quine, 1956). Dertien andere nominaties in de categorie kostuumontwerp: Born yesterday (George Cukor, 1950), Affair in Trinidad (Vincent Sherman, 1952), From here to eternity (Fred Zinnemann, 1953), A star is born (Cukor, 1954), It should happen to you (Cukor, 1954), Queen bee (Ranald MacDougall, 1955), Pal Joey (George Sidney, 1957), Bell, book and candle (Quine, 1958), Back street (David Miller, 1961), Judgment at Nuremberg (Stanley Kramer, 1961), Ship of fools (Kramer, 1965), Gambit (Ronald Neame, 1966) en Thoroughly modern Millie (George Roy Hill, 1967). Werd in 1944 door Columbia-chef Harry Cohn aangesteld als hoofd van zijn kostuumafdeling en was de eerste ontwerper die zijn naam op de filmcredits vermeld zag worden. In 1948 werd kostuumontwerp een Oscarcategorie. Tot zijn beroemdste creaties horen de zwarte satijnen jurk met lange handschoenen die Rita Hayworth droeg in Gilda (Charles Vidor, 1945) en de jurk waarin Marilyn Monroe president Kennedy "Happy Birthday" toezong. Kleedde vele sterren en groten der aarde, onder wie first lady Nancy Davis Reagan, de hertogin van Windsor en Merle Oberon. Tot zijn overige films behoren Scandal sheet (Phil Karlson en John Cromwell, 1931), Together again (Vidor, 1944), Kiss and tell (Richard Wallace, 1945), Over 21 (Vidor, 1945), A thousand and one nights (Alfred E. Green, 1945), Tonight and every night (Victor Saville, 1945), The Jolson story (Green, 1946), The thrill of Brazil (S. Sylvan Simon, 1946), Tomorrow is forever (Irving Pichel, 1946), Dead reckoning (Cromwell, 1947), Johnny O'Clock (Robert Rossen, 1947), The dark past (Rudolph Maté, 1948), The lady from Shanghai (Orson Welles, 1948), The loves of Carmen (Vidor, 1948), The man from Colorado (Henry Levin, 1948), The mating of Millie (Levin, 1948), Sign of the ram (John Sturges, 1948), To the ends of the earth (Robert Stevenson, 1948), You gotta stay happy (H.C. Potter, 1948), Johnny Allegro (Ted Tetzlaff, 1949), Jolson sings again (Levin, 1949), Knock on any door (Nicholas Ray, 1949), Lust for gold (Simon, 1949), Miss Grant takes Richmond (Lloyd Bacon, 1949), Shockproof (Douglas Sirk, 1949), Slightly French (Sirk, 1949), Tell it to the judge (Norman Foster, 1949), Tokyo Joe (Stuart Heisler, 1949), The undercover man (Joseph H. Lewis, 1949), The walking hills (Sturges, 1949), We were strangers (John Huston, 1949), In a lonely place (Ray, 1950), Kill the umpire (Bacon, 1950), The petty girl (Levin, 1950), A woman of distinction (Edward Buzzell, 1950), Saturday's hero (Miller, 1951), The marrying kind (Cukor, 1952), Paula (Maté, 1952), The big heat (Fritz Lang, 1953), Let's do it again (Alexander Hall, 1953), Miss Sadie Thompson (Curtis Bernhardt, 1953), Salome (William Dieterle, 1953), The Caine mutiny (Edward Dmytryk, 1954), Phffft! (Mark Robson, 1954), Pushover (Quine, 1954), 5 agains the house (Karlson, 1955), Count three and pray (George Sherman, 1955), The long gray line (John Ford, 1955), My sister Eileen (Quine, 1955), Picnic (Joshua Logan, 1955), Tight spot (Karlson, 1955), The violent men (Maté, 1955), Jubal (Delmer Daves, 1956), Nightfall (Jacques Tourneur, 1956), 3:10 to Yuma (Daves, 1956), The brothers Rico (Karlson, 1956), The garment jungle (Vincent Sherman en Robert Aldrich, 1957), Jeanne Eagels (Sidney, 1957), The story of Esther Costello (Miller, 1957), Imitation of life (Sirk, 1959), The last angry man (Daniel Mann, 1959), Middle of the night (Delbert Mann, 1959), Pillow talk (Michael Gordon, 1959), Suddenly, last summer (Joseph L. Mankiewicz, 1959), They came to Cordura (Rossen, 1959), Song without end (Vidor en Cukor, 1960), Strangers when we meet (Quine, 1960), If a man answers (Levin, 1962), For love or money (Gordon, 1963), The thrill of it all (Norman Jewison, 1963), Send me no flowers (Jewison, 1964), Strange bedfellows (Melvin Frank, 1964), Bus Riley's back in town (Harvey Hart, 1965), Mirage (Dmytryk, 1965), Madame X (David Lowell Rich, 1966), Guess who's coming to dinner? (Kramer, 1967) en The hell with heroes (Joseph Sargent, 1968). Overleden aan natuurlijke oorzaken.

De jurk van Rita Hayworth in Gilda.


Santis, Giuseppe de (80), Rome, 16 mei. Italiaans regisseur en scenarist. In Fondi, provincie Latina, geboren filmcriticus stond door zijn kritische stukken in het blad 'Cinema' en zijn assistentschap, ook als coscenarist, bij Luchino Visconti, toen die Ossessione (1942) regisseerde, mede aan de wieg van het Italiaanse neorealisme. Schreef enkele scenario's (Don Pasquale, Camillo Mastrocinque, 1940; Desiderio, Roberto Rossellini en Marcello Pagliero, 1943), assisteerde ook Rossellini en Aldo Vergano, alsmede Mario Serandrei bij diens documentaire over het Italiaanse verzet, Giorni di gloria (1945). Regiedebuut in 1947 met Caccia tragica (1947) werd gevolgd door een van de grootste kassuccessen van het neorealisme, Riso amaro/Bittere rijst (1949), een relaas over in korte broekjes gestoken rijstpluksters in de Povlakte, dat een ster maakte van hoofdrolspeelster Silvana Mangano. De Santis gaf met zijn barokke en sexy melodrama's, knipogend naar het Sovjet-realisme, een populistische impuls aan de stroming dankzij films als Non c'è pace tra gli ulivi (1950), Roma ore 11 (1952) en Un marito per Anna Zaccheo (met Silvana Pampanini, 1953). De Santis' latere films kregen minder waardering: Giorni d'amore (1954), Uomini e lupi (1956), de coproductie met Joegoslavië La strada lunga un anno/Cesta duga godinu dana (1958), La garçonnière (1960), de in Rusland opgenomen Sovjet-coproductie Italiani brava gente (1964) en Un apprezzato professionista di sicuro avvenire (1972). Invloedrijk lid van de Italiaanse communistische partij en oudere broer van cameraman Pasqualino de Santis (1927-1996).


Selznick, L. Jeffrey (64), Los Angeles, 12 mei. Amerikaans producent. Zoon van producent David O. Selznick en Irene Mayer, dus kleinzoon van MGM-studiohoofd Louis B. Mayer. Produceerde naast de documentaire The making of a legend: Gone with the wind (1989) onder meer in Frankrijk Longue marche (Alexandre Astruc, 1966) en in Engeland Breaking of Bimbo (Arthur Sinclair). Overleden aan een hartaanval.


Tang Wing-cheung (81), Hongkong, 22 april. Hongkongs operazanger en acteur. Ster van de Kantonese opera. Was vanaf de jaren vijftig in meer dan 200 films te zien. Vermaard opiumgebruiker. Overleden aan chronische bronchitis. Na zijn dood ontstond veel commotie over de verdeling van zijn erfenis en de regeling van de begrafenis.


Tatelman, Harry (82), Los Angeles, 26 april. Amerikaans producent, voormalige vice-president van Universal Pictures. Produceerde naast veel televisie films als Underwater! (John Sturges, 1955), Run for the sun (Roy Boulting, 1956) en Incident at Phantom Hill (Earl Bellamy, 1966). Overleden na een korte ziekte.


Vale, Eugene (81), Los Angeles, 2 mei. Oorspronkelijk Zwitsers, later tot Amerikaan genaturaliseerd schrijver. Werkte mee aan scenario's voor Jean Renoir. Emigreerde naar VS, waar hij ondermeer het script schreef voor The bridge of San Luis Rey (Rowland V. Lee, 1944), The second face (Jack Bernhard, 1950), Francis of Assisi (Michael Curtiz, 1961) en de voor een Oscar genomineerde documentaire The dark wave (1956). Zijn roman A global affair werd onder dezelfde titel verfilmd met Bob Hope in de hoofdrol (Jack Arnold, 1964). Auteur van de bestseller "The 13th apostle" en van het handboek "The technique of screenwriting" (1944). Overleden aan natuurlijke oorzaken.


Widerberg, Bo (Gunnar) (66), Ängelholm, 1 mei. Zweeds regisseur en schrijver. In Malmö geboren 'angry young man' van de jaren vijftig was al een van Zwedens meestbelovende nieuwe romanciers, toen hij in het dagblad "Expressen" filmrecensies begon te publiceren. Zijn aanklacht tegen de ver van de sociale realiteit staande Zweedse filmcultuur culmineerde in 1962 in het verschijnen van de filippica tegen Ingmar Bergman "Visionen i Svensk film". Widerberg verweet "de verticale cinema" van Bergman dat er meer te vertellen was dan over het zwijgen van God. Hetzelfde jaar regisseerde Widerberg de korte film Pöjken och draken/De jongen en de vlieger en de lange speelfilm Barnvagnen/De kinderwagen. De overeenkomsten met de Franse Nouvelle Vague waren evident: Widerberg was de vlaggendrager van een nieuwe generatie filmmakers, onder wie zijn aanvankelijke cameraman Jan Troell, Jan Halldoff, Kjell Grede, de actrice Mai Zetterling en, op enige afstand, Bergmans vrienden Vilgot Sjöman en Jörn Donner. Widerbergs tweede film Kvarteret Korpen/Het ravenkwartier (1963), onlangs nog uitgeroepen tot de beste Zweedse film aller tijden in een verkiezing door een kunstblad uit Stockholm, was een eclatant succes, waarin de regisseur en scenarist herinneringen ophaalt aan zijn jeugd in de jaren dertig in een volkswijk in Malmö. Minder politiek gekleurd waren zijn Kärlek 65/Liefde 65 (1965) en de kostuumfilm Elvira Madigan (1967), die ervoor zorgde dat Mozarts 21ste pianoconcert voortaan bekend staat als "het thema uit Elvira Madigan". Voor veel controverse zorgde daarentegen Ådalen 31 (1969), de reconstructie van een staking in 1931, die vijf deelnemers het leven kostte. Ook de volgende, Amerikaanse film van Widerberg, Joe Hill (1971), speelde zich af in een vakbondsmilieu tijdens de Depressiejaren. Na de kinderfilm over een voetballertje Fimpen (1974) besteedde Widerberg jaren aan de grootscheepse verfilming van Knut Hamsuns Victoria (1979). Ondanks de vertoning als 'work in progress' in Cannes, heeft de film nooit brede verbreiding gekregen, mede ten gevolge van auteursrechtelijke problemen. De sterk teruglopende waardering voor Widerbergs werk werd weersproken door het commerciële succes van zijn twee verfilmingen van politieromans van Sjöwall en Wahlöo: Mannen på taket/De man op het dak (1976) en Manne från Mallorca/De man van Majorca (1985). Het werd stil rond de regisseur na Ormens väg på Halleberget/The serpent's way (1987) tot het verrassende succes van het wederom autobiografische, dit keer op een middelbare school in de jaren veertig gesitueerde
Lust och fägring stor/All things fair (1995). Het was na Kvarteret Korpen (1964) en Ådalen 31 (1969) de derde film van Widerberg die voor een Oscar genomineerd werd. Ådalen 31 en Joe Hill wonnen de speciale juryprijs in Cannes. Naast Widerbergs favoriete acteur Thommy Berggren speelden drie van zijn kinderen rollen in films van hun vader, met name Johan Widerberg in Lust och fägring stor. Overleden na slepende ziekte.


Yepes, Narciso (69), Murcia, 3 mei. Spaans gitarist. Componeerde de muziek bij Jeux interdits (René Clément, 1951).

Naar boven