Juni 1998, nr 190

Bert Hogenkamp

Na het optimisme volgde de kater

Wie alles wil weten over filmkostuums in de Amerikaanse film van de jaren dertig of de betekenis van het landschap in de Franse film van de jaren vijftig, vindt na even zoeken gedetailleerde studies over deze onderwerpen. Kom daar eens om in Nederland! De filmgeschiedschrijving staat hier al tientallen jaren in de kinderschoenen zodat we inmiddels mogen spreken van een ongezond lange kindertijd. De recent in Utrecht benoemde bijzonder hoogleraar Bert Hogenkamp ziet het licht ook in de nabije toekomst niet doorbreken. "Het blijft prutswerk in de marge."

Bert Hogenkamp (foto: André Bakker).

Wie in Nederland wel eens een bijeenkomst, symposium of een forum over filmgeschiedenis heeft bezocht, moet Bert Hogenkamp zijn tegengekomen. Waar filmgeschiedenis, daar Hogenkamp. De man is zo actief dat de vraag opkomt of Hogenkamp in het geheim misschien gekloond is, zodat er twee, of misschien wel drie Hogenkampen als filmhistorici werkzaam zijn. Hogenkamp begon zijn carrière in het begin van de jaren zeventig bij het filmtijdschrift Skrien. Het waren de hoogtijdagen van de politisering en één keer in de twee maanden waarschuwde het linkse tijdschrift de Nederlandse filmwereld voor de laatste maal. Hogenkamp voelde er zich met zijn linkse betrokkenheid als een vis in het water. Toen het blad zich langzaam uit het politieke vaarwater terugtrok, werd Hogenkamps betrokkenheid minder. Vanaf het begin van de jaren tachtig richtte hij zich steeds meer op filmhistorisch onderzoek. Aanvankelijk financierde hij dat met een parttime baan bij de PTT, later kwam hij als researchmedewerker in dienst bij de Stichting Film en Wetenschap, de archiefinstelling die een grote collectie audiovisueel materiaal over sociale bewegingen in Nederland bezat. In 1991 promoveerde Hogenkamp in Engeland op een onderzoek naar de Britse documentaire beweging en de naoorlogse Labourregeringen. In Nederland publiceerde hij talloze artikelen en een aantal boeken, met als belangrijkste het in 1988 verschenen 'De Nederlandse documentaire film 1920-1940'. Toen vorig jaar het archief van de Stichting Film en Wetenschap met de archieven van de Rijksvoorlichtingsdienst en de omroepen werd samengevoegd tot het Nederlands Audiovisueel Archief (NAA) werd Hogenkamp bij de nieuwe instelling benoemd tot hoofd research.

Leuk bedrag
De totstandkoming van het Nederlands Audiovisueel Archief ging gepaard met een felle strijd omdat sommige archieven vreesden dat in de nieuwe archiefinstelling de omroepen, die de grootste archiefcollectie hebben, het voor het zeggen zouden krijgen. Kennelijk om die vrees weg te nemen, financiert het Nederlands Audiovisueel Archief sinds april aan de universiteit van Utrecht een leerstoel, die door Hogenkamp wordt vervuld. Voor een periode van vijf jaar zal Hogenkamp zich een dag per week in Utrecht bezighouden met 'de geschiedenis van film, radio en televisie', zoals zijn leeropdracht luidt. Het Nederlands Audiovisueel Archief weet in elk geval hoe het public relations moet bedrijven. "Dat is wel een heel cynische voorstelling van zaken", zegt Hogenkamp. "Dat zo'n leerstoel leuk overkomt, is mooi meegenomen, maar je moet het vooral zien als een signaal van het Nederlands Audiovisueel Archief dat het iets wil betekenen voor de wetenschap." Ook onze opmerking dat universitaire leerstoelen tegenwoordig wel erg makkelijk kunnen worden gekocht, wordt door Hogenkamp van een nuancering voorzien. "Zo gemakkelijk gaat het niet. Eerst moet de leerstoel worden goedgekeurd door het universiteitsbestuur en daarna ook de persoon die hem gaat bezetten. In mijn geval heeft het anderhalf jaar geduurd. Maar het is waar dat er discussie over is. Ik was nog maar net benoemd toen NRC Handelsblad een groot artikel publiceerde over de wildgroei in bijzondere hoogleraarschappen. Daaruit begreep ik dat Louis Andriessen een leuk bedrag opstrijkt voor het één keer per week naar de universiteit van Nijmegen reizen om daar wat eigen cd'tjes te laten horen."
Bij Hogenkamp hoeft voor gemakzucht niet te worden gevreesd, want hij heeft al een overvol programma bedacht. "Elk jaar ga ik met een werkgroep aan de slag met materiaal dat in het Nederlands Audiovisueel Archief voor handen is. Ik start het volgende collegejaar met een onderzoek naar de commentaarstem - 'the voice of God' - in de Nederlandse documentaire. Inderdaad: Philip Bloemendal maar ook anderen. Veel van die mannen hadden een radio-achtergrond, zodat je een link kunt leggen tussen film en radio." Daarnaast gaan we in een casestudy de invloed van film, radio en televisie op de stad Utrecht bestuderen. Dat is een terrein vol witte vlekken." De achterliggende opdracht bij zijn leerstoel is, zegt Hogenkamp, dat audiovisueel materiaal serieus wordt genomen als bron van historisch onderzoek. "Dat is nog lang niet het geval en wij willen ons daar als Nederlands Audiovisueel Archief wervend in opstellen. Wij vinden dat als een gerenommeerd historicus als Fasseur aan het tweede deel van zijn biografie over Wilhelmina begint, hij ook het audiovisuele materiaal over haar zou moeten raadplegen. Je kunt wachten tot hij langskomt, maar je kunt hem ook uitnodigen. Ook het tweede deel van Langevelds biografie over Colijn zou aan waarde kunnen winnen als de radio-opnames van hem in het onderzoek worden betrokken. En laatst las ik in Marc Dieriks prachtige biografie over Anthony Fokker dat hij een verwoed amateurfilmer was. Ik zou graag over die filmpjes hebben gelezen."

Pim en Wim-story
Aan het eind van de jaren tachtig leek het filmhistorisch onderzoek in Nederland eindelijk serieus van de grond te komen. Aan de Universiteit van Amsterdam werd de vakgroep Film- en Televisiewetenschappen opgericht, aan de Utrechtse universiteit werd het filmhistorisch onderzoek een zelfstandige tak van wetenschapsbeoefening en er kwam met de oprichting van de vereniging Geschiedenis Beeld en Geluid (GBG) een stimulerende ontmoetingsplek voor mediahistorici. Nog geen tien jaar later is het elan weer weggeëbd: uit Amsterdam en Utrecht komen nauwelijks filmhistorische publicaties en de vereniging Geschiedenis Beeld en Geluid ligt op apegapen. Hogenkamp: "De vakgroepen hebben niet zo'n uitstraling gehad als ik had gehoopt en verwacht. Ik had gehoopt dat Karel Dibbets' proefschrift over de overgang van de stille naar de geluidsfilm zou worden gevolgd door andere, maar er komt niks. En dat terwijl er zoveel witte vlekken zijn: de jaren vijftig, de jaren zestig en zeventig met hun Pim en Wim-story, er is zoveel dat geschikt is als promotie-onderzoek, maar het wordt niet opgepakt. Het weinige dat er is, zit jaren in de 'pipeline'." Tekenend voor de armoedige stand van zaken is dat de zeldzame filmhistorische promoties niet eens automatisch leiden tot een boekpublicatie. Zo is het recente proefschrift van Ansje van Beusekom over de discussie in de periode voor de oorlog over film als kunstvorm alleen in gefotokopieerde vorm verkrijgbaar bij de auteur. Hogenkamp: "Het is inderdaad treurig dat er geen publicatiestructuur is voor mediahistorisch onderzoek."
Als men geen filmhistorisch onderzoek doet in Amsterdam en Utrecht, wat doet men er dan wel? Hogenkamp zegt lachend dat hij dat ook wel eens zou willen weten. Duidelijk wordt dat hij vooral van hoogleraar Thomas Elsaesser, de leider van de Amsterdamse vakgroep, geen hoge pet op heeft. "Hij hangt de mediahistoricus uit, maar is vooral op conferenties in interessante oorden in Verweggistan te vinden. Karel Dibbets is de enige die daar nog serieus filmhistorisch onderzoek verricht." Over de aanvoerder van de Utrechtse vakgroep, hoogleraar William Uricchio, is hij iets milder. "Die beoefent nog enigszins het historische handwerk." Omdat de universiteiten het laten afweten, hebben volgens Hogenkamp culturele instellingen als het studiecentrum van het Nederlands Filmmuseum en de rearchafdeling van het Nederlands Audiovisueel Archief het voortouw genomen in het filmhistorisch onderzoek. "Het is de omgekeerde wereld."
Wat er mis is gegaan met de vereniging Geschiedenis Beeld en Geluid zou, zegt Hogenkamp, 'een leuke afstudeerscriptie opleveren'. "Mijn analyse is dat de vereniging in de aanloop naar het Nederlands Audiovisueel Archief door de hoofden uit de archiefwereld als een leuke, informele ontmoetingsplek werd gebruikt, waarna zij toen zij hun doel bereikt hadden, de vereniging lieten voor wat zij was. Toen deze mensen met een status binnen hun instellingen het lieten afweten, werd het bestuur samengesteld uit mensen uit het middenkader, die niet zelfstandig beslissingen konden nemen. Dat heeft de vereniging geen goed gedaan. Wat je de wetenschappers mag aanrekenen is dat zij dit hebben laten gebeuren."

Pioniersgeneratie
De huidige studiestructuur van de universiteit noemt Hogenkamp eveneens als een belangrijk obstakel in het van de grond helpen van filmhistorisch onderzoek. "Studenten moeten snel werken, er is te weinig tijd om de diepte in te gaan. De essentiële vraag is: wil de universiteit een soort HBO-opleiding bieden of een universitaire scholing geven? Het probleem dat overal speelt zijn de gigantische studentenaantallen, zodat de werkdruk enorm is. Het filmhistorisch onderzoek kwam in de jaren tachtig net te laat aan de universiteit om nog te kunnen profiteren van financiële potjes waarmee homo- en vrouwenstudies en dergelijke werden gefinancierd. De huidige financieringsstructuur is zo dat je er niet aan ontkomt om veel studenten binnen te halen, want die heb je nodig om financieel overeind te blijven. Dus moet je ook de kneusjes erbij houden, want die leveren geld op. Het probleem is om de goede studenten eruit te vissen, waarbij weer een ander probleem opdoemt, want wat kunnen wij hen aan perspectief bieden? In de korte periode dat ik in Utrecht zit heb ik het al meegemaakt dat een afgestudeerde student wegging omdat wij met lege handen stonden." Bij wat Hogenkamp de pioniersgeneratie noemt, speelde geld en het banenperspectief volgens hem geen rol. "Zij beten zich vast in de filmgeschiedenis omdat zij erdoor gegrepen waren, ongeacht of ze er een baan mee konden krijgen. Zulke studenten bestaan niet meer. Als de universitaire structuur niet verandert, zie ik het somber in, want geen vakgebied overleeft zonder voldoende nieuwe aanwas."

Egbert Barten/Jos van der Burg

Naar boven