Oktober 1998, nr 193
Laurens Geels
Het dorpsplein ontvlucht
Sommigen noemen hem arrogant. Anderen zien hem als een man die zijn filmdromen waarmaakt. Zelf heeft hij na vijftien jaar genoeg van het eeuwige gezeur om geld in Nederland. Internationale Engelstalige films moeten hem weer plezier in het werk bezorgen. Laurens Geels trekt nog één keer zijn mond open.
Laurens Geels (foto: André Bakker).
Zeg Laurens Geels en iedereen roept Flodder en Karakter. Voor eeuwig zal de producent die in 1984 met Dick Maas First Floor Features oprichtte, worden vereenzelvigd met een asociale familie en een artistiek verantwoorde Oscar-winnaar. Dat doet dus geen recht aan zijn werk, want behalve de drie Flodder-films en Karakter produceerde Geels nog tien films, waaronder Abel en De Noorderlingen van Alex van Warmerdam. In 1984 zette hij samen met Dick Maas hoog in. De twee bestormden de barricaden van de Nederlandse filmwereld, waarin het geloof in commercieel filmsucces na de opbloei in de jaren zeventig aan het wegebben was. Met hun eersteling Flodder (1986) haalden zij hun gelijk: 2,3 miljoen bezoekers. Van Warmerdams Abel had de producent eerder in dat jaar artistieke 'credibility' bezorgd. Die twee sporen - commerciële films en artistieke producties - bleven kenmerkend voor Geels' verdere carrière. Het leverde geen doorlopend succesverhaal op, want commerciële successen werden afgewisseld met flops.
De ambities van Geels en Maas uitten zich ook in de bouw van een filmstudio in Almere. Die droom bleek een brug te ver. Het in 1991 gebouwde, tien miljoen gulden kostende studiocomplex genereerde niet de filmactiviteiten die ervan werden verwacht. Geels en Maas verkochten enige tijd geleden hun aandelen in de studio aan het NOB, die nu de enige bezitter is, met Geels en Maas als huurders. Stuitte Geels, zoals velen voor hem op de grenzen van de Nederlandse filmwerkelijkheid, of overspeelde hij zijn hand? Moe van Nederland, verlegt hij zijn koers naar de productie van internationale Engelstalige films. Martin Lagestee's kinderfilm De rode zwaan, die volgend jaar in de bioscoop te zien zal zijn, is zijn laatste Nederlandstalige productie. Eind dit jaar beginnen de opnames voor Dick Maas' Do not disturb. Ook verkeren de plannen voor een Amerikaanse 'remake' van Maas' De lift na jarenlange conflicten met Amerikaanse studio's in een vergevorderd stadium.
Je wordt arrogant genoemd.
"Ik vind dat niet van mezelf, maar als dat zo overkomt mogen mensen dat vinden. Ik ben nogal terughoudend met interviews. Ik voel me niet verplicht om met iedereen te praten en maak een selectie. Met de bekende filmjournalist die mij een producent van de oude garde noemde, waarbij ik dan volgens hem nog als enige pluspunt had dat ik een beetje intellectueel was, praat ik bijvoorbeeld niet."
Je klinkt gekwetst.
"Over mijn producentenstatus hoor ik in Nederland weinig, noch in positieve noch in negatieve zin. Dat is nogal typisch Nederlands. Ik durf te zeggen dat ik in het buitenland, niet alleen in Amerika, maar ook in Duitsland, Frankrijk en Engeland, een enorme professionele reputatie heb, die daar ook wordt uitgesproken."
En wat vind je van die opmerkingen over dat intellectuele?
"Ik heb rechten gestudeerd, maar beschouw mezelf vooral als een 'selfmade' man."
Volgens mij heb je het helemaal gehad met de Nederlandse filmwereld.
"Dat ik nu in de internationale Engelstalige pool wil graven, komt inderdaad voort uit mijn metaalmoeheid over het financieringstelsel van Nederlandse films. Ik ben niet zo'n klager, maar ik kan je zeggen dat het een slopende en vaak vernederende 'business' is om hier films gefinancierd te krijgen. Je moet door heel veel rotzooi en stof heen om iets van de grond te krijgen."
Wat is het kernprobleem?
"Om in Nederland een film te maken heb je een basisfinanciering van twee miljoen gulden nodig. Met dat geld kun je vervolgens buitenlandse distributeurs over de streep trekken om mee te doen in de financiering. Het eerste miljoen is geen probleem, want dat komt van het Filmfonds, het tweede moet van het CoBO-fonds komen. Om bij dat geld te komen moet je eerst een omroep vinden die mee doet. Ik moet met mijn projecten dus eerst door een haag van omroepmannetjes heen. Dat is een langdurig, zweterig proces. Als me dat al is gelukt ben ik nog maanden bezig met overtuigen en bedelen om het budget naar drie miljoen te krijgen. Bij mij is nu het moment aangebroken dat ik dat effe een paar jaar niet meer wil."
Komt het ooit nog goed met de Nederlandse film?
"Ik meen dat Wim Verstappen ooit heeft gezegd dat de slag om de filmfinanciering jaren geleden verloren is gegaan. Met die nederlaag is de restauratiearbeid een moeizaam proces dat jaren vergt."
Zal de redding komen van het nieuwe financieringsstelsel FINE BV, dat het makkelijker moet maken om particulier kapitaal voor commerciële films te genereren?
"Meer geld betekent niet automatisch dat er ook betere films gemaakt zullen worden. Ik ben heel erg benieuwd of de Nederlandse filmmakers de ruimte die er komt ook gaan gebruiken. Over een aantal jaren zal blijken wat de Nederlandse filmmakers met de mogelijkheden hebben gedaan."
Je klinkt nogal sceptisch.
"Ik ben een beetje stukgelopen op en een beetje vermoeid van al dat gezeur over de Nederlandse film, ook vanuit de kring van filmmakers zelf. Ik hou bijvoorbeeld niet van die hang naar low budget films als doel op zich. Iemand als Eddy Terstall, wat overigens absoluut een oprechte jongen is, zou eens moeten zeggen: nu ga ik een 'full blown' speelfilm maken. Koste wat het kost en met een professioneel budget. En dan niet als de financiering niet meteen rondkomt met een soort trots voor een paar ton een film maken."
Veel filmmakers hebben toch helemaal geen keuze? Zij zitten of werkloos thuis of maken een low budget-film.
"Low budget mag van mij als tussendoortje, maar het moet geen excuus worden om die grote film maar telkens uit te stellen."
De twaalf films die je produceerde trokken ongeveer zeven miljoen bioscoopbezoekers. Als je ...
"Volgens mij waren het er meer, maar het kan me niet schelen."
...van die zeven miljoen het bezoek aan de drie Flodder-films aftrekt, hou je er nog twee miljoen over voor de overige negen films.
"Ik wil het nog wel bonter maken: als je Amsterdamned er ook nog aftrekt hou je misschien een miljoen bezoekers over voor tien films. Kijk, jij wilt graag de mythe horen, waarmee allang is afgerekend, dat ik leun op het succes van Maas. Ik ben net zo verantwoordelijk voor het maken van de films van Maas als hijzelf."
Twee miljoen bezoekers voor negen films, dat kun je toch nauwelijks succesvol noemen?
"Ik snap niet waar je heen wilt, tenzij het je doel is om denigrerende kanttekeningen bij mijn carrière te plaatsen."
Er is toch verschil tussen produceren en regisseren?
"Ik weet niet wat jou perceptie van het producentschap is."
Het mogelijk maken dat er films worden gerealiseerd.
"Dat betekent in mijn geval dat ik niet alleen financiële voorwaarden schep, maar ook een flinke creatieve invloed heb op de door mij geproduceerde films. Dat zal iedereen die met mij films maakt, beamen. Filmprojecten zijn voor mij niet zomaar een vehikel waarvoor ik de organisatie regel en geld genereer. Projecten moeten mij aanspreken, ik moet er ook mijn ei in kwijt kunnen."
Hoe komt het dat vier van je films (Wings of fame van Otokar Votocek, The last island van Marleen Gorris, My blue heaven van Ronald de Beer en Oh boy! van Orlow Seunke) reuzeflops werden?
"Naar internationale maatstaven is vier flops op veertien films een uitstekend resultaat, want het internationale flop-percentage ligt veel hoger. Dat terzijde. Ik voel me echter volledig verantwoordelijk voor al mijn films, dus ook voor de flops. Die verwijder ik niet uit de ouderlijke woning. Dat het commerciële flops waren wil trouwens niet zeggen, dat het slechte films zijn. Wings of fame van Otokar behoort tot mijn absolute lievelingsfilms. In Nederland is die film geloof ik door twintig- of dertigduizend mensen bezocht, maar ik zie hem als een proeve van mijn artistieke en professionele bekwaamheid als producent."
In de jaren tachtig maakten Alex van Warmerdam, Marleen Gorris en Orlow Seunke deel uit van je stal. Alle drie zijn bij je weggegaan.
"Al in 1987 riep ik dat ik geen stal of kudde regisseurs wilde kweken. Dat vloeit voort uit mijn werkwijze, waarin de producent en de regisseur in creatieve en artistieke zin gelijkwaardige eenheden zijn. Het ontmoetingspunt tussen beiden moet de film zijn. Het gaat om het script, het concept, de gedachte. Daarom sluit ik nooit optiedeals met filmmakers. Ik wil me niet van tevoren vastleggen, want ik wil alleen films maken waarin ik geloof."
Laat ik het anders vragen: in de jaren tachtig had je een aantal smaakmakende regisseurs, maar afgezien van Mike van Diem en Esmé Lammers zijn die niet opgevolgd door nieuwe jonge talentvolle filmmakers.
"Ze weten me allemaal te vinden, ik krijg veel huwelijksaanzoeken. Het probleem is dat ik met veel van die mensen die jij zou bestempelen als een eventuele stal geen synthese bereik over projecten. Ik moet projecten tegenkomen die ik wil maken. Ik ben al een poosje met Eddy Terstall in gesprek. Met hem heb ik een project in de ontwerpfase. Van een aantal anderen - ik noem geen namen want dat vind ik gênant - heb ik projecten onder ogen gehad, maar daar zat tot nu toe niets bij dat ik wil maken."
Een grote teleurstelling voor je moet het niet van de grond komen van de studio in Almere zijn geweest.
"De studio is na een aardig begin van anderhalf jaar een deceptie geworden. De belangrijkste oorzaak was het mondiaal in elkaar storten van het onafhankelijke filmmaken, want daar hadden wij ons op gericht. Jij weet ook dat vanaf 1992 in ijltempo onafhankelijke productiebedrijven als Palace en Castle Rock - de lijst is eindeloos - failliet zijn gegaan. Er zijn nog maar heel weinig onafhankelijke productiebedrijven van enige omvang over. De speelfilmactiviteiten in de studio beperken zich nu vrijwel tot onze eigen producties."
Hoeveel verlies lijdt de studio?
"Laat ik zeggen dat het nooit een winstpot is geworden, maar ook geen gigantische verliespot. De studio hangt voortdurend rond het punt van break even. De lasten bedragen zo'n 1,2 à 1,3 miljoen per jaar en hij levert zo'n 1,1 á 1,2 miljoen op. Voor het NOB betekent dat verlies niet het einde van de wereld. Bovendien worden de kapitaalslasten steeds minder groot."
Nog een boodschap voor het Nederlandse volk?
"Wat heb ik nog voor nieuws te melden op het dorpsplein van de Nederlandse filmwereld?"
Jos van der Burg
Laurens Geels produceerde voor First Floor Features de volgende films, die allen te zien zijn op het Nederlands Film Festival:
Flodder (Dick Maas, 1986)
Abel (Alex van Warmerdam, 1986)
Amsterdamned (Dick Maas, 1988)
Wings of fame (Otokar Votocek, 1989)
The last island (Marleen Gorris, 1990)
My blue heaven (Ronald de Beer, 1991)
Oh boy! (Orlow Seunke, 1991)
Flodder in Amerika (Dick Maas, 1992)
De Noorderlingen (Alex van Warmerdam, 1992)
Flodder 3 (Dick Maas, 1995)
Lang leve de koningin (Esmé Lammers, 1995)
Karakter (Mike van Diem, 1997)
De rode zwaan (Martin Lagestee, uitbreng in 1999)