November 1998, nr 194

The Truman show

Een leven van bordkarton

In hetzelfde razende tempo als waarin prinses Diana vorig jaar de in dertig jaar opgebouwde legende van Marilyn Monroe in twee weken voorbijschoot, is Peter Weirs The Truman show nu in enkele maanden tijd al tot klassieker gebombardeerd. Er is geen serieus weekblad of krant die geen beschouwing wijdt aan deze allegorie op het postmoderne leven die ironisch genoeg precies diezelfde gretigheid van de media ter discussie stelt. En terecht, het is een aanstekelijke, vermakelijke film, al overstijgt het resultaat de slimme clou niet echt.

Jim Carrey als Truman Burbank.

Lang voor de documentaire HAVO-4 van Schmidt & Doebele fantaseerde ik tijdens saaie laatste uren op de middelbare school weleens over zo'n camera achter in de klas, die aan langdradige lessen toch enige allure gaf. Zo'n imaginair camera-oog kon een geschiedenisles minder duf en alledaags maken, een melig klierende klasgenoot in een interessante karikatuur veranderen, en mijzelf bombardeerde ik op zo'n moment uiteraard tot het meest intrigrerende personage in een opmerkelijke klas. The Truman show appeleert aan diezelfde kinderlijke, narcistische behoefte om gezien te worden, ofwel aan het verlangen om in en via de ogen van de anderen boven de alledaagsheid uit te stijgen.

Paradijselijk
In de film ondergaat de nogal onbeduidende verzekeringsadviseur Truman Burbank het genoegen dat zijn wel en wee 24 uur per dag via vijfduizend verborgen camera's door miljoenen mensen wordt gadegeslagen. Het idiote is alleen dat deze Truman een mega-televisiester is zonder dat hij dat zelf weet. Al voor zijn geboorte is Truman geadopteerd door een televisiestudio en zijn leven voltrekt zich sindsdien in het studiodecor van het paradijselijke Seahaven, een vriendelijk nep-stadje aan het water, vol opgewekte wijkjes en aardige buurtbewoners, en met iedere avond van die unieke zonsondergangen die Gods paintbrush-kunst tot de meest natuurgetrouwe maken. Truman is getrouwd met een immer opgetogen verpleegster, heeft al vanaf de lagere school een betrouwbare boezemvriend, en bezoekt heel regelmatig zijn wat klagerige oude moeder. Zelden gebeurt er wat heftigs op Trumans idyllische Seahaven-eiland, behalve al lang geleden een bootongeluk van vader Burbank, dat er heel handig voor gezorgd heeft dat Truman het water niet meer op en dus ook de soap niet meer uit durft. Geen vuiltje aan de lucht verder en toch trekt deze saaiste aller soapseries over de hele wereld enthousiaste kijkers. De troef is dat Truman de enige in Seahaven is die niet weet dat alles en iedereen er fictie is. Hij is daarom echter en boeiender dan Brooke, Alexis of J.R. bij elkaar, want al zijn emoties, gedachtes en handelingen zijn van hemzelf. Ook is hij authentieker en spannender dan de echte jongeren uit MTV's 'The real world', want omdat hij geen weet heeft van het complot, is Truman ook nooit bezig met hoe hij overkomt.

Heroïsche tocht
Meer nog dan de concretisering van de filosofie dat televisiebeelden onze werkelijkheid vorm geven, biedt The Truman show een vrij pessimistische visie op vrije wil, fantasie en autonomie van het individu. Je krijgt aan verbeelding terug wat je erin stopt, zegt de film, en opgevoed door soap-acteurs in een wereld van mooie plaatjes heeft Truman zich ontwikkeld tot een vrij stupide stripfiguur - bepaald geen nieuwsgierige Alice in Wonderland - die ook lange tijd wonderlijk tevreden is met dit oppervlakkige schijnbestaan. In de gestalte van de gemaniëreerde komiek Jim Carrey onderscheidt Truman zich nauwelijks van zijn hysterisch glimlachende nep-echtgenote of van zijn stereotype nep-buddy. Dat past binnen het betoog van de film, maar doet tegelijk af aan de emotionele impact van het verhaal. Carrey speelt in vergelijking met eerdere rollen dan wel veel ingetogener, hij blijft een plastic en vrij kille acteur. Dat maakt hem geschikt voor de eerste helft waarin Truman nog onwetend samenvalt met zijn omgeving, maar wanneer zijn argwaan groeit en hij op onderzoek uitgaat, roept de kartonnen Carrey nog steeds weinig mededogen op. Aangezien ook de karikaturale vijand (regisseur annex god Ed Harris) weinig angst oproept, wordt Trumans heroïsche tocht naar de werkelijkheid buiten de soap nooit heel spannend. Dit gebrek aan intensiteit wordt echter geheel en al gecompenseerd door de inventiviteit van de film, die niet zozeer emotioneert als wel inspireert. Steeds borrelen er weer andere, meer en minder actuele, grotere en kleinere filosofische vragen op tijdens het zien van The Truman show. Ben je eigenlijk wel een gevangene zolang je je niet bewust bent van je gevangenis? Kun je nog wel spreken over het verschil tussen echt en onecht als je het onechte 24 uur per dag kan volhouden? Kan je wel een eigen identiteit ontwikkelen als je om je heen alleen maar rollen hebt aanschouwd? Het zijn vragen waar de film niet zo gauw een antwoord op heeft, maar die een kroegdiscussie toch een behoorlijke tijd aan de gang kunnen houden, en de schrijvende journalistiek nog ontelbare nieuwe invalshoeken zullen opleveren. En zo hoort het bij een Hollywoodklassieker uit de jaren negentig.

Jann Ruyters

The Truman show
Verenigde Staten, 1998
Productie: Scott Rudin
Scenario: Andrew Niccol
Regie: Peter Weir
Camera: Peter Biziou
Art direction: Dennis Gassner
Montage: William Anderson
Muziek: Burkhard Dallwitz
Met: Jim Carrey, Ed Harris, Laura Linney, Noah Emmerich
Distributie: UIP
Te zien: vanaf 29 oktober

Naar boven