April 1999, nr 199
Easy riders, raging bulls
Dansen met de duivel
Door de dominante rol van de blockbuster in het hedendaagse Hollywood wordt er volop geklaagd over een artistieke bloedarmoede. In de jaren zeventig was alles beter, zo stellen de klagers, want toen konden regisseurs als Francis Ford Coppola, William Friedkin, Robert Altman en Martin Scorsese nog gewoon hun gang gaan, met klassiekers als Apocalypse now, The exorcist, Nashville en Taxi driver als resultaat. Peter Biskind schreef met 'Easy riders, raging bulls' een kroniek over de periode, het Filmmuseum hangt er een uitgebreid retrospectief aan op.

De regisseur was koning in Easy rider (boven) en Raging bull (onder).
Er bestaat momenteel weinig twijfel over de uitkomst van het filmjaar 1999: The phantom menace, de langverwachte vierde film in de Star wars-serie, zal commercieel gezien alle concurrenten verpletteren. De verwachtingen rond Stanley Kubricks zwanenzang Eyes wide shut mogen dan hooggespannen zijn, ondanks de aanwezigheid van Tom Cruise en ega Nicole Kidman zien experts de film op voorhand niet als een serieuze bedreiging voor The phantom menace, die een paar weken eerder in première zal gaan. De trailer alleen al trok in de Verenigde Staten volle zalen: fans van de serie kochten massaal kaartjes voor films waaraan het voorproefje gekoppeld was, een ongekend fenomeen in de filmgeschiedenis.
Door alle aandacht voor de commerciële verwachtingen en speculaties over de inhoudelijke en technische aspecten zou men bijna vergeten dat de film de terugkeer van George Lucas als regisseur markeert. De geestelijke vader van Luke Skywalker en consorten zat sinds de eerste Star wars nooit meer in de regisseursstoel, en was daarmee net zo lang afwezig als Terrence Malick, die onlangs na twintig jaar met The thin red line terugkeerde.
George Lucas, zo wil de gangbare lezing, maakte samen met Steven Spielberg een einde aan het Hollywood waarin eigenzinnige regisseurs als Malick konden gedijen. Spielberg overschreed met Jaws voor het eerst de grens van honderd miljoen dollar aan opbrengsten op de Amerikaanse markt, Star wars deed de rest. Toen de grote studio's door het ongekende succes van beide films beseften dat de markt voor publieksgericht spektakel uiterst lucratief, is kwam er een einde aan een tijdperk waarin de regisseur koning was. Gehaaide producenten, marketingspecialisten en bij het publiek geliefde sterren namen de macht over, met films als Top gun, Lethal weapon en Die hard als resultaat.
Bankroet
In zijn boek 'Easy riders, raging bulls' windt de Amerikaanse filmjournalist Peter Biskind er geen doekjes om: het hedendaagse Hollywood produceert hoofdzakelijk rotzooi, de jaren zeventig waren de laatste gouden jaren voor de studiofilm. Sterker nog: uit de ondertitel 'How the sex-and-drugs-and-rock 'n roll generation saved Hollywood' spreekt ook een duidelijke minachting voor de studiofilm van voor het gouden decennium, toen oppermachtige studiobazen uit roemruchte filmdynastieën nog de dienst uitmaakten. Het zijn provocerende stellingen, die Biskind maar moeilijk weet te onderbouwen. Het artistieke bankroet van het moderne Hollywood is voor hem zo vanzelfsprekend dat hij zich in een bijzin beperkt tot de constatering dat Titanic "belachelijk" is.
Wie op de hoogte is van de totstandkoming van Titanic kan zich na vierhonderd pagina's van Biskinds kroniek over bezeten filmmakers echter niet aan de indruk onttrekken dat James Cameron in zekere zin een geestverwant van Francis Ford Coppola is. Want ook Cameron wist Hollywood voor zijn karretje te spannen, bouwde in Mexico zijn eigen studio en liet zich door niemand de wet voorschrijven. Of de artistieke waarde van zijn film zich kan meten met die van pakweg The godfather staat ter discussie, het neemt niet weg dat er ook in het huidige Hollywood nog plaats is voor geobsedeerde, megalomane regisseurs die hun dromen najagen. Ze vormen beslist een minderheid, maar wie terugblikt op de jaren zeventig, alleen de klassiekers behandelt en bijvoorbeeld verzuimt te vermelden dat een flauwe actiekomedie als Smokey and the bandit tussen Jaws en Star wars ook honderd miljoen opbracht en van Burt Reynolds een oppermachtige ster maakte, vertelt slechts het halve verhaal.
Ongewassen klaplopers
Biskinds minachting voor het Hollywood van de jaren zestig blijkt vooral gestoeld op het onvermogen van de filmbonzen aansluiting bij de tijdgeest en de opkomende tegencultuur te vinden. Hilarisch zijn de passages waarin de reacties van oude studiobazen op Easy rider worden beschreven: ze begrepen helemaal niets van een film over twee ongewassen klaplopers, die zich met een drugsdeal verrijken, een vage droom najagen en om onduidelijke redenen concluderen dat ze daar niet in geslaagd zijn. En wat moest het publiek in godsnaam met die rare flash forwards en die popmuziek, die belangrijker leek dan dialogen en dat excessieve druggebruik?
Easy rider werd onafhankelijk van Hollywood gefinancierd door de kliek rond producent Bert Schneider en regisseur Bob Rafelson, die een kapitaal vergaarden met het op The Beatles gebaseerde concept van The Monkees, maar was voor distributie op gevestigde studiokanalen aangewezen. De film werd aanvankelijk gedumpt in provinciale bioscopen, en pas na een goede ontvangst in Cannes fatsoenlijk uitgebracht. Het werd een fenomeen dat in Hollywood een cultuuromslag afdwong: de oude garde moest onderkennen geen binding met de tijdgeest te hebben, waarop men de deuren voor de generatie van Francis Ford Coppola opende. Dennis Hopper kreeg gelijk: hij had Hollywoodveteraan George Cukor eerder al gezegd dat de nieuwe generatie de oude garde zou begraven.
Aan de hand van niets verhullende uitspraken van een imposante rij betrokkenen schetst Biskind een behoorlijk uitputtend en, waar het de seks- en drugsexcessen betreft, ontluisterend beeld van de opkomst van de jonge honden. Veel was er al bekend over Coppola's droom een eigen filmimperium op te bouwen. De man die in het boek als de grote roerganger naar voren komt, wilde een vrijplaats voor eigenzinnige filmers creëren en richtte met kapitaal van Warner Bros. in 1969 American Zoetrope op. Het aanvankelijk in San Francisco gevestigde bedrijf leek meteen al op de eerste productie te stranden, maar hield in diverse incarnaties stand tot 1990, zonder ooit de vorm en betekenis te krijgen die Coppola voor ogen stonden.
Biskind geeft de bekende tragedie een interessante draai door de verhouding tussen Coppola en George Lucas tot in details uit te diepen. Coppola was Lucas' mecenas, en onder diens bescherming slaagde uitgerekend de toekomstige maker van Star wars erin met de Orwelliaanse nachtmerrie THX-1138 de meest compromisloze film van zijn generatie af te leveren. Ook achter Lucas' uiteindelijke succes schuilt een tragedie: de filmmaker ambieerde een oeuvre vol kunstzinnige experimenten, maar liep in de fuik van de commercie. Heel even gaf het machtsvacuüm dat door Easy rider ontstond regisseurs de vrijheid te doen wat ze wilden, maar na een paar jaar zwichtte men voor het grote geld en de behoefte aan volle zalen.
Genadeslag
Dat het merkwaardige huwelijk tussen de grote studio's en door de nieuwe Europese cinema van de jaren zestig beïnvloedde regisseurs ijzersterke films heeft opgeleverd staat vast. Zonder de verplichting de schulden van het geflopte THX-1138 in te lossen was Coppola nooit aan The godfather begonnen: het verfilmen van een ordinaire bestseller paste niet in zijn ambitie volbloed auteursfilms te maken. William Friedkin nam na drie flops het advies van Howard Hawks ter harte. De Hollywoodveteraan stelde dat het publiek actie wilde, de goeden tegen de slechten, en dat zijn jonge collega zich maar beter naar die wens kon schikken als hij succes ambieerde. Het leidde tot The French connection, een artistieke en commerciële triomf, en later tot The exorcist, een kaskraker die tegenwoordig als een artistiek hoogtepunt in het horrorgenre wordt beschouwd.
Waar Coppola en Friedkin het dansen met de duivel zonder al te veel kleerscheuren doorstonden hadden anderen het minder gemakkelijk. Al leidde zijn aansluiting bij het nieuwe Hollywood wel tot de samenwerking met Paul Schrader bij Taxi driver, Martin Scorsese overleefde de combinatie van de hedonistische levensstijl en de botsingen met de studio's slechts ternauwernood, om uiteindelijk voorgoed naar New York terug te keren. Robert Altman zou jaren na moeizaam bevochten successen als M*A*S*H en Nashville in totale verbittering eindigen en rekende in The player resoluut af met de hele Hollywoodcultuur.
De genadeslag voor de gouden jaren komt niet alleen op het conto van het door de buitenstaander Spielberg gemaakte Jaws en Star wars, maar ook op dat van Coppola, die met het potsierlijke One from the heart zijn eigen ruiten ingooide, Friedkin, wiens Sorcerer roemloos ten onder ging, en Michael Cimino, die zich na het succes van The deerhunter aan de commerciële ramp Heaven's gate vertilde. Het kortstondige succes van de regisseurscultuur leidde niet alleen tot persoonlijke excessen, maar ook tot megalomane producties die het pad effenden voor de zakelijke cultuur die Hollywood nog steeds in zijn greep heeft.
Psychedelisch feest
Al valt er op Biskinds boek het een en ander af te dingen, het lijkt onwaarschijnlijk dat er ooit nog een dergelijk onthullend exposé over de roerige periode zal verschijnen. Het is dan ook terecht dat het Filmmuseum er een retrospectief aan wijdt, al rijst de vraag of de koppeling aan het boek niet wat minder rigide had moeten zijn. Wie op het Hollywood van de jaren zeventig terugblikt en net als Biskind Alan J. Pakula's The parallax view en All the president's men negeert laat twee belangrijke klassiekers liggen. Daar staat echter tegenover dat het programma een aantal zelden vertoonde parels bevat. Zo mag de tv-serie rond The Monkees een eindeloze herhaling van zetten zijn geweest, de door Jack Nicholson geschreven bioscoopfilm Head is een psychedelisch feest voor oog en oor. De acteur is op zijn best in het eveneens door Bob Rafelson geregisseerde Five easy pieces, Hal Ashby's The last detail en Polanski's Chinatown. Door de vertoning van essentiële titels van Coppola en Friedkin, Spielberg en Lucas tot Altman en Scorsese regent het aanraders die op het grote doek eindelijk weer eens volledig tot hun recht komen, en helemaal fantastisch is het dat Terrence Malicks onafhankelijk geproduceerde debuut Badlands nu ook te zien is. Wie zich na zijn Hollywoodproducties The thin red line en het onlangs door de VPRO uitgezonden Days of heaven nog afvraagt waaraan de regisseur zijn status dankt, vindt hier een antwoord. De film bewijst dat sommige filmmakers er goed aan doen zich ver van Hollywood op te houden.
Bart van der Put
Het filmprogramma 'Easy riders, raging bulls' is van 1 april tot en met 5 mei dagelijks in het Filmmuseum te zien. Informatie: 020-5891400. Het gelijknamige boek van Peter Biskind is aldaar aan de balie te koop en verscheen bij Simon & Schuster. In de boekenrubriek is een recensie van het boek te lezen.