September 1999, nr 203

De Filmliga

Film is geen lolletje

Is er dan niets meer heilig? De Filmliga was toch de vereniging die zo'n grote bijdrage had geleverd aan de emancipatie van de film als kunstvorm? In de door Céline Linssen, Hans Schoots en de Amerikaan Tom Gunning geschreven studie 'Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandse Filmliga 1927-1933' blijft van dit beeld weinig over. Een gesprek met de twee Nederlandse auteurs over hun fileerwerk.

Sergei Eisenstein (l.) samen met Joris Ivens op weg naar de Filmliga.

Dat de conservatieve maatschappelijke elite in het begin van deze eeuw geen hoge pet op had van film, is een open deur. Film was in haar ogen platvloers kermisvermaak dat bijdroeg aan zedenverwildering en criminaliteit. Met gemeentelijke censuurinstellingen en vanaf 1928 met een landelijke filmkeuring moest het gevaar in toom worden gehouden. Minder bekend is dat ook de progressieve culturele elite de amusementsfilm het liefst met wortel en tak uitroeide. Zij was niet beducht voor zedenverwildering en criminaliteit, maar zag in de gangbare speelfilm - zedendrama's, gangster- en avonturenfilms - een hinderlijk obstakel in de ontwikkeling van de film tot kunstvorm. Aan het einde van de negentiende eeuw had de film in haar ogen een valse start gemaakt als kermisvermaak. Hoog tijd dus om de strijd aan te binden met de ordinaire speelfilm, want film moest kunst worden. Een internationale avantgarde van filmmakers liep met hun vormexperimenten alvast op de nieuwe tijd vooruit. In een enkel geval deden ook speelfilms vermoeden tot welke kunstzinnige hoogte films konden reiken. Sergei Eisensteins Pantserkruiser Potjomkin was zo'n film, waarover men in Nederland niet uitgesproken raakte. Ook Vsevolod Poedovkins De moeder deed vermoeden een bijzondere film te zijn, maar helaas verboden de burgemeesters van de vier grote steden de film. In Amsterdam legde een groepje filmenthousiastelingen, waaronder Menno Ter Braak en Henrik Scholte, zich niet neer bij het verbod. In de kunstenaarssociëteit De Kring vertoonden zij op de avond van 13 mei 1927 in een besloten voorstelling de film aan een select publiek. Het bleef niet bij vertonen, want dezelfde nacht richtten zij de Nederlandse Filmliga op, met als doel 'in besloten kring te vertonen wat men in bioscopen niet of bij vergissing te zien krijgt'. Met dat laatste werd bedoeld 'de zuivere, autonome film, de film als kunst en als toekomst.' Overbodig te zeggen dat 'in dit stadium' volgens de oprichters van de Filmliga 'de film en bioscoop elkaars natuurlijke vijanden' waren.

Zoete koek
"Ja, de vertoning van De moeder is een heroïsch verhaal", zegt Céline Linssen, co-auteur van 'Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandse Filmliga 1927-1933' en regisseuse van De nacht van de vier hoeden, een fotografische reconstructie van de oprichting van de Filmliga. "Het past prachtig bij het beeld van de Filmliga als een club van compromisloze strijders voor de betere cinema." Haar bijdrage aan het boek bevat de neerslag van een kritisch onderzoek naar de geschiedenis van de Filmliga. Daarbij kon ze putten uit het volledige correspondentie-archief van de vereniging. Ze kwam tot de conclusie dat het traditionele beeld van de Filmliga niet klopt met de werkelijkheid. "De suggestie van de voormannen van de Filmliga dat de reguliere bioscoop alleen maar rommel vertoonde, was volstrekt onjuist. Weet je waarom de Filmliga na 13 mei De moeder nooit meer heeft vertoond? Omdat hij een jaar later werd goedgekeurd door de landelijke filmkeuring en gewoon in de bioscoop werd uitgebracht. Ook zonder de Filmliga zou deze film dus in Nederland te zien zijn geweest." Ze zegt het kalm, maar het doorprikken van de mythe is er niet minder om. Dachten we dat de Filmliga De moeder voor de poort van de hel had weggesleept, blijkt de film gewoon met succes in de bioscoop te hebben gedraaid. Waarom heeft geen enkele filmhistoricus ons dat ooit verteld? Linssen: "Dat is niet helemaal waar, want Michel Hommel schreef in 1993 in het Jaarboek Mediageschiedenis een kritisch artikel over de geschiedschrijving over de Filmliga. En vorig jaar schreef Ansje van Beusekom in haar dissertatie 'Film als kunst' over het succes van Russische films in de reguliere Nederlandse bioscoop. Dat het zo lang heeft geduurd zegt iets over de kracht van de mythe." Een grote rol in de mythevorming speelde volgens haar Leo Jordaan, die als filmcriticus van het eerste uur - hij schreef vooral in de Groene Amsterdammer - nauw betrokken was bij de oprichting van de Filmliga. "Jordaan heeft zijn verslag over de vertoning van De moeder in de loop van de tijd steeds mooier gemaakt en zijn versie slikte later iedereen voor zoete koek. Het paste natuurlijk ook mooi in het beeld van een groepje cinefielen dat zich teweer stelt tegen censuur en het commerciële bioscoopbedrijf." Enigszins beteuterd voegt ze eraan toe dat ze het 'niet zo leuk' vond om de mythe onderuit te halen. "Het was zo'n mooi heldenverhaal."

Onzin
Nauwelijks bekomen van de schrik dat de oprichting van de Liga in elk geval voor De moeder niet nodig was, vuurt Linssen een nieuwe kogel af. "Ik heb altijd geleerd dat de Filmliga een beweging was die er strikte filmopvattingen op nahield, maar toen ik het dagboek van Scholte las, zag ik dat ze het eigenlijk allemaal niet zo zeker wisten. In hun tijdschrift poneerden ze met veel stelligheid hun standpunten, maar er zat veel bluf bij. Naar buiten toe vormden zij een bastion, maar binnenskamers heerste niet zo'n grote eensgezindheid." Vier jaar bleven de meningsverschillen voor de buitenwereld verborgen, maar in 1931 barstte de bom en hief de Amsterdamse afdeling van de Filmliga zichzelf op. Linssen: "Om de ware reden te verdoezelen, hield voorzitter Scholte een toespraak waarin hij betoogde dat de Filmliga zijn doel had bereikt. De Filmliga was gekomen, had gestreden en overwonnen en kon dus verdwijnen. Dat was natuurlijk onzin, want zoveel was er niet veranderd in vier jaar." Dat beseften ook de overige afdelingen van de Filmliga, zodat de vereniging nog twee jaar voortmodderde onder het weinig bezielende voorzitterschap van Rotterdammer en NRC-redacteur Johan Huyts, waarna in 1933 definitief het doek viel. Linssen: "Ook toen verdoezelde men de werkelijke gang van zaken. Officieel ging het om politieke meningsverschillen over de vertoning van Duitse films. Die speelden wel een rol, maar belangrijker was dat Huyts er gewoon geen zin meer in had."

Jeugdzonde
Het beeld dat opdoemt uit Linssens geschiedschrijving is dat van een groepje jonge mannen, waarvan sommigen nauwelijks iets van film afwisten, maar die de filmwereld wel met veel tromgeroffel de les lazen. De 'ergste' van het stel was Menno Ter Braak, die door Hans Schoots met zijn filmtheorie in het boek op de pijnbank wordt gelegd. Schoots: "Wat ik Ter Braak, die zeker de eerste jaren de Filmliga domineerde, verwijt, was zijn rigiditeit. Hij was vooral bezig met het formuleren van wat niet deugde en dat was vrijwel alles. Zelfs wat hij wel goed vond, was niet meer dan een voorbode van wat filmkunst zou kunnen worden. Er spreekt een hang naar zuiverheid en gestrengheid uit, die een calvinistische inslag verraadt."
Linssen: "Er mocht vooral geen lol worden beleefd aan film."
Schoots: "Noch in de zaal, noch op het doek."
Linssen: "Typerend waren de openingswoorden van Scholte, ze hadden ook van Ter Braak kunnen zijn, bij de tweede Ligavoorstelling: 'Bij deze tweede matinee zitten wij reeds midden in de arbeid', waren zijn welkomstwoorden."
Schoots: "Dit was helemaal de sfeer van Ter Braak, die ongelooflijk beperkte filmkritische normen aanlegde, zodat vrijwel niets deugde. De hele Amerikaanse cinema werd door hem uitgeschakeld."
Ter Braaks afkeer van de amusementsfilm kwam volgens Schoots voort uit zijn geworstel met de moderne tijd. "Zijn filmkritiek was een wapen tegen het modernisme, waarvan hij niets moest hebben. Wat dat betreft verschilde hij niet veel van zijn oudoom Johan Huizinga, die als historicus fel van leer trok tegen de Amerikaanse cultuur, die hij met zijn massacultuur zag als een verdorven uitwas van de moderne tijd." Wat Schoots Ter Braak vooral aanrekent is dat hij zijn filmkritische visie niet baseerde op het zien van films. "Hij zag niet zo veel films en leidde zijn filmtheorie af uit zijn algemene cultuurvisie. Film was voor hem een theoretische kwestie."
Linssen: "Heb je Ter Braaks Cinema Militans [essaybundel met Ter Braaks filmtheoretische opvattingen, jvdb] gelezen? Daar kom je toch niet doorheen?"
Schoots: "Nadat Ter Braak in 1931 opstapte, was het ook meteen over met zijn filmliefde. Hij ging er als een haas vandoor en heeft nooit meer over film geschreven. In de jaren dertig heeft hij nog twee keer een filmlezing gehouden en dat was het dan. Zijn korte filmperiode zag hij als een jeugdzonde."

De moeder inspireerde de voormannen van de Filmliga tot rigide filmopvattingen. Uit: De nacht van de vier hoeden (foto: Bob Bronshoff).

Doof
Dat Schoots en Linssen wellicht te weinig oog hebben voor de historische context van de Filmliga, die opereerde in een tijd toen niemand nog twijfelde aan de scheiding tussen hoge en lage cultuur wat uitnodigde tot het formuleren van scherpe criteria, ontkennen zij. Schoots: "Zo rigide als de Filmliga het formuleerde, was absoluut onnodig. In het buitenland ging het veel minder dogmatisch toe in filmclubs. Bovendien waren er in die tijd ook in Nederland wel andere geluiden te horen, alleen bleek Ter Braak, en met hem de Filmliga, daar doof voor. Als je het tijdschrift De rolprent leest, dat in 1925 was opgericht door Max de Haas, die later regisseur werd, zie je dat het ook anders kon. Artisticiteit en amusement werden hier niet als elkaars tegenpolen opgevoerd.
"Ter Braak staarde zich blind op de filmavantgarde, zodat hij de emancipatorische kant van de bioscoopfilm niet zag. Ik beweer dat de bioscoopfilm belangrijker was voor het moderniseringsproces in Nederland dan de avantgarde. Natuurlijk werden en worden er veel slechte films gemaakt, maar als je wilt dat een op de tien films goed is, moet je de negen andere op de koop toe nemen. Als je zoals Ter Braak vindt dat die negen niet gemaakt mogen worden, draai je ook de goede films de nek om. Bovendien vormen de commerciële en de kunstzinnige film communicerende vaten. Over en weer zijn er stilistische en inhoudelijke invloeden."

Fileerwerk
Dat Ter Braak en de Filmliga miskleunden met hun filmkritiek zou volgens Linssen en Schoots niet zo vervelend zijn geweest als zij niet zoveel invloed hadden gehad. Schoots: "De Filmliga heeft met zijn rigide standpunten een schadelijke invloed uitgeoefend op het Nederlandse filmklimaat. Met name de speelfilm is de dupe geworden, omdat hun opvattingen het maken van speelfilms bijna uitsloten." Linssen: "Ook op de filmkritiek heeft zij een negatieve invloed uitgeoefend, die decennia lang heeft doorgewoekerd. Iemand als Janus van Domburg, en met hem het filmtijdschrift Filmforum, was een zuivere erfgenaam van het gedachtegoed van de Filmliga." Schoots onderstreept dit met een anekdote: "Toen Fons Rademakers Dorp aan de rivier wilde maken, kreeg hij in Filmforum-kringen te horen dat hij eerst maar eens ervaring als documentairemaker moest opdoen. In de documentaire waren de beginselen van de ware filmkunst, lees: ritme en beweging, veel zuiverder aanwezig. Dat was de teneur in Nederland: documentaires werden geaccepteerd, speelfilms werden altijd als problematisch gezien. Pas met het tijdschrift Skoop in het begin van de jaren zestig verdween de invloed van de Filmliga, alhoewel deze korte tijd later weer terugkeerde in het tijdschrift Skrien.
Linssen: "Daar werd de Filmliga weer omhelsd als de verdediger van de filmkunst, maar het blad stond daarin alleen. De tijd was voorbij dat de Nederlandse filmwereld zich nog wat aantrok van de rigide opvattingen van de Filmliga."
Ontgoocheld door hun fileerwerk durf ik het bijna niet te vragen, maar heeft de Filmliga wellicht, heel misschien, mogelijkerwijs, ook iets positiefs opgeleverd? Schoots en Linssen moeten even nadenken.
Linssen: "Ze toonde aan dat je je succesvol kunt verzetten tegen de commerciële bioscoop, dat het economisch marktmechanisme niet allesoverheersend hoeft te zijn."
Schoots: "De Hollandse documentaire school heeft veel te danken aan de Filmliga".
Verdere positieve bijdragen?
Schoots en Linssen zwijgen langdurig.

Jos van der Burg

De studie 'Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Filmliga' verschijnt in het kader van het programma 'Het tegengif van de Filmliga', dat tussen 2 september en 3 oktober in het Filmmuseum is te zien. Het programma bevat vijftien reconstructies van Filmliga-voorstellingen en Céline Linssens De nacht van de vier hoeden, een reconstructie van de oprichtingsnacht van de Filmliga.
Zie ook de recensie van 'Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Filmliga'.

Naar boven