September 1999, nr 203
Het einde van de genrefilm
Roger Corman en de Cormanians
Terugblikken op honderd en nog wat jaar filmgeschiedenis is aantrekkelijk, maar met het nieuwe millennium in zicht is de vraag naar de toekomst interessanter. Wat zijn de uitdagingen waar de film zich de volgende honderd jaar voor geplaatst ziet? In de reeks 'Het einde van.../2001 vragen aan de cinema' onderzoekt de Filmkrant nieuwe ontwikkelingen in de filmkunst. Met Roger Corman spraken we tijdens het Filmfestival Locarno over de toekomst van de lowbudget genrefilm.
"Weet je wat het grootste nadeel is van die grote budgetten van tegenwoordig? Dat al die films zo verrotte lang duren. Doordat ze al die tegenshots toch al gedraaid hebben, voelen ze zich verplicht om ze ook maar te gebruiken. Dus zit je al gauw tweeëneenhalf uur naar een of andere overgeproduceerde film te kijken, terwijl je er in dezelfde tijd (en voor hetzelfde geld) wel twee had kunnen zien." Het mag duidelijk zijn: Roger Corman, de man die in zijn eentje verantwoordelijk was voor de uitvinding van zo'n beetje alle denkbare B-filmgenres, heeft nog steeds een missie. Hij is te gast op het Filmfestival Locarno, waar hij als godfather van het nevenprogramma 'Class of 1970: Joe Dante and the Second Corman Generation' acte de présence geeft.
Weerwolf
Satire
Angst
Geruchtenstroom
Dana Linssen
Roger Corman over Gremlins 2 van zijn pupil Joe Dante: "De beste parodie op de Amerikaanse samenleving die ik ken."
Zo'n vreemde eend in de bijt was het retrospectief - dat onder meer alle films van Joe Dante omvatte, evenals een aardige dwarsdoorsnede van het werk van Allan Arkush, Paul Bartel, Jonathan Demme en John Sayles - trouwens niet in de programmering van het festival. Directeur Marco Müller bewees in de afgelopen jaren aardige dwarsverbanden te kunnen leggen tussen bijvoorbeeld de Amerikaanse 'mavericks' en 'echte' filmauteurs als Abbas Kiarostami of Marco Bellocchio. Aan hen gewijde bijprogramma's vestigden Locarno's naam als festival voor de eigenzinnige, compromisloze en vooral onafhankelijke film. Goedkope horror is vanuit dat oogpunt evenveel waard als het land in gesmokkelde controversiële Chinese films.
Er gingen dit jaar heel wat harten sneller kloppen bij de gedachte dat cultklassiekers als Gremlins 2, Piranha en The howling al rond het ontbijtuur op het programma stonden, en niet alleen van griezelfanaten en cinefiele studenten. Keurige Zwitserse dames met parelkettinkjes en profeten van de artfilm bewonderden luidruchtig de inventiviteit van elk special effect, om tot slot tegen elkaar te fluisteren dat het "toch wel erg tragisch is om een weerwolf te zijn".
Terwijl de regisseur van deze films, Joe Dante, halverwege het festival sterallures kreeg en besloot om alleen nog de filmvertoningen met anekdotes op te luisteren en geen interviews te doen, wil eeuwige leermeester Roger Corman nog best een keertje college geven over de zegeningen van de lowbudgetfilm. Het succes van de onder meer voor zijn productiemaatschappij New World Pictures (de opvolger van het illustere American International Pictures) in de jaren zeventig gemaakte films verbaast hem niet. "Film is de belangrijkste kunstvorm van de twintigste eeuw, omdat de filmgeschiedenis de belangrijkste ontwikkeling van deze eeuw weerspiegelt, namelijk het parallel lopen van zakelijke en kunstzinnige belangen. Een goede film is zowel een artistiek als een commercieel succes.
"Als maker moet je precies weten wat je publiek wil zien: seks, actie, humor, horror, en dat moet je zo doseren dat je er ook nog een boodschap van jezelf in kwijt kunt. Als je twee van de succesvolste New World Pictures-films neemt, Piranha van Joe Dante en Rock 'n' roll highschool van Allan Arkush, dan zijn dat allebei films die niet alleen een commercieel succes waren, maar ook een hoog niveau van creativiteit en vakmanschap uitstralen. Vakmanschap is de derde poot van een goede film."
Het vak leerden ze wel bij Corman, de eerste (Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, Peter Bogdanovich en Monte Hellman om er een paar te noemen), tweede en inmiddels ook derde en vierde generatie 'Cormanians'. In hoog tempo - soms slechts in enkele dagen - moesten er met geringe middelen films geproduceerd worden. En geld opbrengen. Want ondanks al zijn bevlogen woorden is film voor Corman ook gewoon business. Het grote verschil met de illustere jaren zestig en zeventig (door Corman geestig beschreven in zijn boek 'How I made a hundred movies in Hollywood and never lost a dime') en nu is dat jonge filmmakers toen gepassioneerder waren dan toen. "Ik krijg soms de indruk dat filmmaken voor veel hedendaagse regisseurs meer een baantje is. Voor mensen als Joe Dante en John Sayles is het bijna een roeping. De hedendaagse generatie mag dan dankzij hun scholing aan filmacademies technisch beter onderlegd zijn, thematisch gezien zijn hun films ondieper. Ze weten niet alleen minder goed wat ze willen vertellen (laat staan wat het publiek wil), maar lijken daardoor ook minder inventief in het bedenken van manieren om dat te doen."
Dat heeft volgens Corman formulefilms tot gevolg die helemaal niets te maken hebben met de films die de Cormanians maakten en maken. "Die zogeheten tweede generatie is misschien wat sneller door de grote studio's ingelijfd dan Scorsese of Coppola, maar een film van Joe Dante of zelfs Ron Howard ademt nog steeds die onafhankelijke geest."
Hoewel Cormans enige film waarin hij een maatschappijkritisch beeld wilde schetsen (The intruder, tijdens het festival in gerestaureerde versie te zien) tevens de enige film was waarmee hij geld verloor, noemt hij de impliciete kritiek op het Amerikaanse burgerdom en de sociale satire van Joe Dantes films als kenmerkend voor de ongebonden geest van de Cormanians. "Gremlins 2 is de beste parodie op de Amerikaanse samenleving die ik ken."
Het is ook precies die humor en (zelf)relativering die hij in de hedendaagse genrefilm mist. "Toen Jaws werd gemaakt, zei ik al: 'Dat is een big budget Corman film.' Toen werd het steeds moeilijker om nog met de grotere studio's te concurreren, want vanaf dat moment moest alles 'bigger and better'. Tot de jaren tachtig kreeg alles wat we maakten automatisch een bioscoopuitbreng. Tegenwoordig verdwijnt 75 procent rechtstreeks naar de betaaltelevisiekanalen of de videotheek.
"Natuurlijk ligt er tussen een groot en een laag budget een wereld van verschil. Geld stelt je in staat om langer te draaien, langere shots op te nemen, een complexere decoupage te hanteren, meer verschillende takes te doen, betere aandacht te besteden aan belichting en mooiere sets. En je hebt veel meer mogelijkheden voor de special effects natuurlijk. Maar het eindproduct wordt door al die verworvenheden niet noodzakelijkerwijs beter. Sterker nog, een vakmatig gedraaide lowbudgetfilm met een sterk verhaal kan concurreren met de grootste films. Hoe slechter een filmmaker is, hoe minder dat opvalt bij een grotere film. Maar met een klein budget valt hij meteen door de mand. Wie met weinig geld een goede film kan maken, kan dat met veel geld ook, maar andersom is dat maar heel zelden het geval."
Tevreden concludeert Corman echter dat de lowbudget genrefilm niet voorgoed het onderspit hoeft te delven in Hollywoods recyclewoede van de afgelopen jaren, waarin de filmgeschiedenis wordt geplunderd, klassieke televisieseries en strips aan de lopende band worden verfilmd. "Het imiteren van de B-film is een trucje geworden om zo snel mogelijk zo veel mogelijk geld te verdienen. Kijk maar naar Wild wild west. Die combinatie van verschillende genres zie je ook al bij Joe Dante en Paul Bartel, dat is niet nieuw. Maar de grote studio's strijken alles glad, dat levert geen echte emoties op. Of zoals de drijvende kracht van de B-film: angst en spanning. Mensen willen bang gemaakt blijven worden. Iedereen wil in een donker hoekje de angsten uit zijn kindertijd herleven en ontdekken dat hij er levend uit kan komen."
Last van kritiek op het soms gewelddadige karakter van zijn films heeft hij niet: "Natuurlijk raken mensen als ze steeds hetzelfde zien geconditioneerd. Van steeds hetzelfde geweld, of steeds hetzelfde griezeleffect raken mensen inderdaad verveeld en afgestompt. Maar het is toch ook je eer te na als filmmaker om steeds hetzelfde special effect te gebruiken, ook al heeft het zijn waarde bewezen. Het is veel aardiger om andere manieren te vinden om in te spelen op dezelfde onbewuste angsten van de toeschouwer. Die zijn nog steeds hetzelfde als bij de oude Grieken."
En passant corrigeert hij ook nog even het veelvuldig foutief gebruikte begrip 'exploitatiefilm'. "Een exploitatiefilm wil gewoon zeggen dat er geen sterren in voorkomen die als publiekstrekker kunnen fungeren, dus heb je sterke thema's en effecten nodig die de aandacht op de film vestigen, zodat je de film zo goed mogelijk kan exploiteren. Het heeft niets met het uitbuiten van acteurs of het uitmelken van effecten te maken."
Als voorbeeld van een geslaagde hedendaagse genrefilm noemt Corman The Blair Witch project (later dit jaar in Nederland te zien), een horrorfilm van Daniel Myrick en Eduardo Sanchez, die net als de klassieke exploitatiefilm gedraaid werd zonder sterren en met een gering budget, waardoor er ook nauwelijks geld voor reclame was. Was voor de Cormanians een goede trailer bepalend voor het succes van de film, Myrick en Sanchez kozen voor een meer eigentijdse oplossing. Corman: "De film is geheel en al bekend geworden dankzij een constante geruchtenstroom op het internet. Niemand wist wat voor film het precies was, maar wel dat hij nieuw was en spannend en dat je hem gezien moest hebben."
Internet, video, de digitalisering van de filmindustrie, Corman praat erover met het gemak van de schooljongen die hij eens geweest is en die net de verlokkingen van het bewegende beeld heeft ontdekt. "Al die nieuwe ontwikkelingen bieden enorme mogelijkheden voor de lowbudget film. Dankzij de DV-camera kan iedereen weer goedkoop films produceren, en belangrijker, kun je een deel van het productieproces in eigen hand houden. Die hele digitalisering heeft ook een geweldige invloed op wat er op het gebied van special effects allemaal mogelijk is. Je kunt het zo gek niet bedenken of het is wel te realiseren."
Ook het internet biedt een schat aan mogelijkheden, niet alleen voor de marketing, maar ook voor de vertoning en verspreiding van films, meent Corman. "Binnen vijf jaar zijn we zover", voorspelt hij, "dan kan iedereen tegen betaling precies die films downloaden waar hij zin in heeft. Weet je dat ik in 1970 mijn productiemaatschappij eigenlijk New World Films wilde noemen? Gelukkig heb ik dat niet gedaan en in plaats daarvan gekozen voor New World Pictures, wat ik toen nog als een eerbetoon beschouwde aan hoe de film in zijn beginjaren werd genoemd: 'moving pictures'. En moet je nu eens zien. Inmiddels is al lang duidelijk geworden dat film niet meer het eeuwige leven heeft, maar pictures, moving pictures hebben nog steeds de toekomst!"