Oktober 1999, nr 204
Nederlandse film
Special: Nederlandse film opent met een onderzoek naar de invloed van het Filmfonds.
Een nieuwe oogst wordt gepresenteerd op het Nederlands Film Festival. Interviews met negen regisseurs.
Richard Woolley is als intendant voor het Filmfonds op zoek naar het scenario van de Nederlandse Full monty.
Patrice Toye maakte met het Vlaamse drama Rosie haar beklemmende debuut.
De Filmacademie bestaat veertig jaar. Wat is er van sommige oud-studenten geworden?
Het einde van het gemopper over de Nederlandse film wordt bepleit in een essay.
Filmcultuur: het einde van het gemopper
De Nederlandse film bestaat niet. Nederlandse films daarentegen bestaan al bijna net zo lang als de filmkunst zelf, evenals het gemopper erover. We willen een Nederlandse filmindustrie die internationaal is geörienteerd en die meesterwerken voortbrengt, voor minder doen we het niet. Zullen we de Nederlandse film dan maar gewoon opheffen?
Turks fruit: de beroemdste van de bekendste.
Een oud taalfilosofisch raadseltje probeert de vraag te stellen: "Waar is de universiteit?" In Amsterdam is de universiteit overal. In de Oudemanhuispoort, aan de Roetersstraat, in de bibliotheek van de letterenfaculteit. Maar ook in het zolderkamertje waar ik dit grapje voor het eerst las. Toch kun je niet zeggen als iemand de weg naar de universiteit vraagt: "Oh, tweede links en dan de straat uitlopen en dan op de hoek."
Met de Nederlandse film is het ongeveer hetzelfde gesteld. De vraag wat de Nederlandse film is, wat de stand van zaken in de Nederlandse film is, hoe het nu verder moet met de Nederlandse film, laat zich niet beantwoorden zolang we niet weten wat de Nederlandse film is. Of waar we hem moeten zoeken.
Mijn favoriete dichter T.S. Eliot schreef: "I can only say, there we have been: but I cannot say where. And I cannot say, how long, for that is to place it in time."
De Nederlandse film bestaat, maar er berust niets op zo'n groot misverstand als 'de Nederlandse film'.
Onbewoond eiland
Toen we de afgelopen zomer onze stem konden uitbrengen op 'de Nederlandse film van de eeuw' heb ik, terwijl ik bij wijze van spreken mijn stapeltje boeken en films al klaar heb liggen om mee te nemen naar dat spreekwoordelijke onbewoonde eiland, enigszins gegeneerd besloten dat het beter was om dat lijstje maar niet in te vullen.
Ik heb niet zo heel erg veel Nederlandse films gezien. De oudste dateert geloof ik uit 1940 (Ergens in Nederland), dan moet ik een quantumsprong maken naar de jaren zestig (Makkers staakt u wild geraas en Als twee druppels water - dát zou mijn favoriete Nederlandse film kunnen zijn). De eerste Nederlandse film die ik in de bioscoop zag was Martijn en de magiër (1979). Zo, nu weet iedereen hoe het komt.
Ergens eind jaren tachtig komt het goed, al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat dat voornamelijk films zijn die ik na een vervaldatum van twee jaar op de televisie heb gezien. Mijn kennis van de Nederlandse film is dus voor het grootste gedeelte gebaseerd op de productie van de afgelopen tien jaar, krap eenderde van mijn leven (maar nog steeds twintig procent van de Nederlandse filmoogst van deze eeuw), terwijl ik van sommige Amerikaanse films uit de jaren veertig (waar blijft het Nederlandse TNT) de dialogen wel kan dromen. Hoewel het Nederlands Film Festival en Filmmuseum gelukkig van tijd tot tijd de gelegenheid bieden om de lacunes in mijn kennis aan de vullen, ben ik, doordat ik het merendeel van deze films op televisie heb gezien, onwillekeurig gaan geloven dat hoe vaker een film wordt uitgezonden hoe belangrijker en maatgevender hij is.
Het lijkt heel stoer om daar nu opeens voor uit te komen, maar het is natuurlijk afschuwelijk. Nederlandse film? Dat is dus Schatjes, Flodder, Abel, Theo en Thea en de ontmaskering van het tenenkaasimperium. Want die heb ik allemaal wel tien keer gezien. De Nederlandse film is dus grappig, een beetje plat, gaat over oer-Nederlandse neo-burgerlijke onderwerpen en doet z'n uiterste best om vooral niet moeilijk of elitair te zijn.
Als ik had moeten kiezen wat ik de beste Nederlandse film (er is steeds sprake van film, maar bedoeld wordt natuurlijk speelfilm, want op onze documentaires zijn we apetrots) van de eeuw vond, dan was het lijstje waar ik uit had kunnen kiezen aanmerkelijk korter geweest dan de acht- of negenhonderd van nu. En ongetwijfeld had Turks fruit dan ook gewonnen, want dat is immers de beroemdste van de bekendste Nederlandse films.
Vondel in love
Wat is dat toch? Terwijl er niet zoiets bestaat als de Amerikaanse, de Franse of de Italiaanse film, er zijn hooguit toonaangevende genres en stromingen, zijn al onze inspanningen en frustraties erop gericht om te formuleren wat dé Nederlandse film is. En dan niet op productionele gronden (hoe Nederlands is de financiering van deze film?), maar op inhoudelijke. Halloho, waar gaat de Nederlandse film eigenlijk over? Dat klinkt als redelijk constante toon door de hele Nederlandse filmgeschiedenis. Er is veel malaise, er wordt veel gemopperd (al is dat veel minder dan we graag geloven - over het algemeen is de Nederlandse filmpers behoorlijk galant voor het vaderlandse product), het was vroeger altijd beter. Kortom het bekende.
En terwijl we het over de Nederlandse film hebben, hebben we het eigenlijk over wat we zouden willen dat de Nederlandse film zou zijn. Groot opgezet en internationaal georiënteerd bijvoorbeeld. Gone with the wind had een Nederlandse film moeten zijn. En Ghandi. 'Vondel in love' had een gooi moeten doen naar al die Oscars en niet die geromantiseerde biopic over die bard uit Stratford upon Avon. Grijpstra & De Gier is dan misschien nooit dat wereldwijde succes geworden waar producent Rob Houwer op had gehoopt, maar er is nog altijd hoop voor 'De Cock en Vledder: The final crime'.
In plaats daarvan moeten we het doen met prachtfilms als De noorderlingen, Zusje, De langste reis, De nieuwe moeder en De pijnbank (die hadden best op mijn lijstje voor kunnen komen). Nederlandser kan bijna niet, maar halen we er Toronto, Kaapstad, Ulan Bator en Caïro mee? Zijn dat de vlaggenschepen van onze cinematografische VOC? Want laten we eerlijk wezen, dat is toch wat we het liefste willen, handel drijven en belangrijk zijn. Zou het zo toevallig zijn dat al die 'nieuwe' fiscale maatregelen, die het voor privé-investeerders makkelijker moeten maken om in film te investeren (oh nee: om hun bijdrage aan een filmproductie direct van hun inkomen af te kunnen trekken, dat is echt heel wat minder idealistisch dan het wordt gepresenteerd) eigenlijk ontleend zijn aan de scheepsbouw? Die commanditaire vennootschappen werken prima bij de vervaardiging van Rijnaken, onderzeeboten en oceaanstomers. En de kans dat je er nog iets mee verdient is stukken groter. Dat hebben de eerste scheepsbouwers ook al in de gaten gekregen, want nog geen jaar na de presentatie van FINE tijdens het vorige Nederlands Film Festival kreeg ik al een brochure in de bus waardoor ik, aangeschreven als 'persoonlijkheid uit de Nederlandse filmwereld' lekker gemaakt moest worden voor het idee om te investeren in de bouw van luxe zus-en-zo schepen. De film in het slop, de scheepvaart er weer bovenop.
Wij willen helemaal geen films maken, maar vloten bouwen en de wereld veroveren.
Chauvinistisch
Waarom kunnen wij toch niet wat die Amerikanen (en die Fransen en die Italianen, die Iraniërs en die Zuid-Koreanen) wel kunnen?
Maar we kunnen het: Karakter, De Poolse bruid, Dropouts en zelfs All stars en Antonia. Authentieke, aansprekende films maken. Films die reflecteren op onze eigen cultuur en tegelijkertijd romantisch genoeg zijn om een publiek aan te spreken dat helemaal geen weet van de winkelstraten in Groningen heeft. Wie de internationale recensies van deze films leest, staat versteld van de rijkdom aan thema's en motieven die de critici eruit weten te distilleren, terwijl wij hier toch al snel discussiëren over de maat van de bal.
Wat we alleen niet kunnen is een overheid kiezen die nét chauvinistisch genoeg is om zich verantwoordelijk te voelen voor de Nederlandse filmcultúúr, in plaats van zich louter te bekommeren om de Nederlandse film - tsja industrie kan ik het nauwelijks noemen, de, eh, Nederlandse filmeconomie dan maar? Hadden we maar een filmindustrie. Vooralsnog sta ik buitengewoon sceptisch tegenover het idee dat The little vampire dankzij een Nederlandse make-up afdeling een enorme stimulans zal gaan betekenen voor de Nederlandse filmsituatie.
Kinderen die door hun ouders alleen maar worden geprezen of vernederd en die nooit eens te horen krijgen: "Daar heb je goed je bést op gedaan" (en soms: "En dat kan vast nog wel wat beter"), die ontwikkelen faalangst en een gigantisch minderwaardigheidscomplex. Wij (filmcritici, profs, geldschieters, maar ook u: publiek!) zijn niet zulke heel erg goede opvoeders. Het moet een meesterwerk zijn of niets, en aangezien het niet zo heel erg vaak een meesterwerk is, is het meestal niets.
Jonge filmmakers komen na die ene veelbelovende, geniale, bekroonde eindexamenfilm terecht in een wurggreep van paternalistische fondsbeheerders en financiers. Er is geen tweede kans.
Hypocriet
De Nederlandse film heeft niet alleen een imagoprobleem, dankzij ons oer-Nederlandse anti-chauvinisme, die eeuwige doe-maar-gewoon-mentaliteit en dat doorlopende minderwaardigheidscomplex, de Nederlandse filmkijker heeft bovendien ook nog eens lijm aan z'n broek. Het is nu al wat beter geloof ik, maar jarenlang was het gemiddelde aantal films (dus ook niet-Nederlandse) dat hier ter lande gemiddeld werd bekeken nog lager dan in Albanië. En daar heeft men dus helemaal geen bioscopen.
Laat ik niet de schuld aan de televisie geven, die is immers voor een groot deel verantwoordelijk voor mijn media-Bildung, maar het is ondertussen natuurlijk wel zo dat iedereen die hier een film wil maken eerst langs de omroepen moet voordat hij de twee andere belangrijke geldschieters, Stimuleringsfonds en Filmfonds meekrijgt. En het ergste is: er worden inmiddels zoveel goede films voor televisie gemaakt (Ivoren wachters en Suzy Q zouden nog in mijn top tien voor kunnen komen) en de televisie is het enige medium waar wel van een bescheiden industrie sprake is, dat we serieus zouden kunnen overwegen om de Nederlandse film maar eenvoudigweg op te heffen.
Gewoon fijn veel van die puike dramaproducties op een van die geherprofileerde netten en dat hypocriete gedoe met telefilms, telescoopfilms verder maar achterwege laten. In één keer een veelvoud aan toeschouwers van wat je ooit in dat achterafzaaltje voor de Nederlandse film had getrokken. Aan die belastingmaatregelen is vast ook wel een mouw te passen, want die gingen toch al nooit over film, maar over aftrekposten.
In mijn ergste nachtmerries denk ik wel eens dat dat allemaal de bedoeling is.
Nog zo'n misverstand: Nederlandse lowbudgetfilms zijn beter dan degene die met een normaal budget tot stand zijn gekomen. Het kost geen geld en het is charmant. En het steekt niet boven het maaiveld uit.
Utopist
Nu we de Nederlandse film hebben opgeheven is er opeens een hoop tijd en geld vrijgekomen voor mensen die films willen maken. Die hoeven dan godzijdank aan geen andere wetten te voldoen dan hun eigen artistieke en commerciële eisen. Er hoeven geen fondsbeheerders meer behaagd te worden, geen cultuureconomen meer naar de mond gepraat. We hoeven ons alleen nog maar te verheugen over goede films. En trots dat we erop zijn! Zo trots dat we ze nog een keer zullen gaan zien en de buurman meenemen. En voor je het weet bruist heel Nederland van een nieuw filmcultureel elan.
Een utopist? Ik?
Ik heb een hoop vertrouwen in de Nederlandse film van de toekomst. Maar dan wel eentje van filmmakers en niet van boekhouders.
Dana Linssen
VPRO's Stardust zendt tijdens 'De nacht van de Filmacademie' op zaterdag 16 oktober een discussie uit over de toekomst van de Nederlandse film.
Dit is het vierde deel van de serie 'Het einde van.../2001 vragen aan de cinema'.