Oktober 1999, nr 204
Nederlands Film Festival
Van 22 september tot en met 1 oktober in Utrecht. Festivalcentrum: De Winkel van Sinkel, Oudegracht 158. Informatie en reserveringen: 030-2381144 en 030-2381280. Website: www.filmfestival.nl.
Nederlandse film
Special: Nederlandse film opent met een onderzoek naar de invloed van het Filmfonds.
Een nieuwe oogst wordt gepresenteerd op het Nederlands Film Festival. Interviews met negen regisseurs.
Richard Woolley is als intendant voor het Filmfonds op zoek naar het scenario van de Nederlandse Full monty.
Patrice Toye maakte met het Vlaamse drama Rosie haar beklemmende debuut.
De Filmacademie bestaat veertig jaar. Wat is er van sommige oud-studenten geworden?
Het einde van het gemopper over de Nederlandse film wordt bepleit in een essay.
Filmfonds: zonder sympathieke personages geen subsidie
Het rommelt al een tijdje in de Nederlandse filmwereld. De roep om herziening van filmsubsidiëring wordt groter, er zijn plannen om een eigen film-'studio' op te zetten en om (actie)films te maken met private investeringen. Op de komende zeven pagina's vindt u een essay en interviews met regisseurs wiens film op het Nederlands Film Festival draaien, met om te beginnen een artikel over het soms curieuze beulswerk van de adviescommissie van het Nederlands Fonds voor de Film.
Gesteggel rond het scenario van Somberman's actie (foto: Victor Arnolds).
Het Nederlands Fonds voor de Film kon vorig jaar bijna twaalf miljoen gulden aan speelfilms besteden. Met dat bedrag kon nog niet de helft van alle aanvragen worden gehonoreerd. Hoe verdeel je te weinig geld over teveel mensen? Welke filmprojecten steunt het, welke niet, en waarom? Het beulswerk wordt verricht door de adviescommissie speelfilm.
Je moet wel bijzondere redenen hebben om lid te willen zijn van een van die vier adviescommissies (speelfilm, documentaire, animatiefilm en onderzoek & ontwikkeling). Wie zich populair wil maken, kan zich beter niet aanmelden. Het Filmfonds heeft een structureel gebrek aan geld, zodat alleen daarom al de meeste subsidieaanvragen worden afgewezen. Het gevolg is dat er in de filmwereld altijd twee soorten mensen rondlopen: gelukkigen die net geld hebben gekregen van het Filmfonds en ongelukkigen van wie de aanvraag werd afgewezen. De gelukkigen genieten in stilte van hun geluk, de ongelukkigen dragen manmoedig hun verdriet of beklagen zich luidkeels over het hen aangedane onrecht. In die sfeer van teleurstelling borrelen al snel woorden op als belangenverstrengeling en incompetentie. Daarover straks meer.
Dat het Filmfonds veel vijanden maakt is onvermijdelijk: vorig jaar behandelden de vier adviescommissies in totaal 381 aanvragen, waarvan er 171 werden toegekend, wat neerkomt op 45 procent. De adviescommissie speelfilm - de commissie waartoe we ons verder zullen beperken - kreeg de meeste aanvragen: 182. Daarvan werden er 99 afgewezen. De meeste hadden betrekking op scenario-ontwikkeling, waar maximaal 65.000 gulden voor kan worden gekregen. Van de 116 aanvragers kregen er 58 een vrolijke brief van het Filmfonds. Een precies even groot aantal kreeg een afwijzingsbrief. Om meer geld gaat het bij aanvragen voor de realisering van speelfilms, want daaraan draagt het Filmfonds maximaal een miljoen gulden bij. De commissie behandelde vorig jaar 43 aanvragen, waarvan er 15 werden gehonoreerd, zodat 28 aanvragers hun filmdroom in rook zagen opgaan. Naast geld voor scenario-ontwikkeling en realisering heeft het Filmfonds ook geld beschikbaar voor projectontwikkeling (14 aanvragen, 4 gehonoreerd) en afwerking (4 aanvragen, waarvan twee toegekend). Tenslotte is er nog een kleine restpost 'aanvullend', waaronder van alles kan vallen (5 aanvragen, 4 toegewezen).
Piet snot
De adviescommissie speelfilm bestaat uit twee vaste en zes roulerende leden. Zij brengt advies uit aan het bestuur van het Filmfonds, dat formeel de beslissingen neemt. In de praktijk worden de adviezen vrijwel altijd overgenomen. Alle commissieleden zijn 'vakmensen met een brede kennis op het gebied van film'. De vaste leden worden voor een jaar benoemd met de mogelijkheid om drie keer te worden herbenoemd. Ook de roulerende leden worden voor een jaar benoemd, maar zij kunnen onbeperkt worden herbenoemd. Vorig jaar waren de vaste leden Suzanne van Voorst, voormalig producent en tegenwoordig adviseur bij producent Pieter van Huystee, en Anton Smit, die zich bezighoudt met de oprichting van een speelfilmtak bij IDTV. De roulerende groep bestond uit cameraman Paul van den Bos, filmmaker Ate de Jong, dramaturge Syl van Duyn, scenarist en filmcriticus Stan Lapinski, filmrecensent Antoinette Polak en filmdocent en -criticus Ernie Tee.
Elke vergadering wordt bijgewoond door de twee vaste leden en een roulerend lid. Ook zijn er altijd drie 'bureauleden' van het Filmfonds aanwezig, waaronder de twee stafmedewerkers speelfilm Barbara Stroink en Ger Bouma. Waarom deze bureaumedewerkers met de commissie meevergaderen, ja zelfs de vergaderingen voorzitten? Bouma: "Wij zijn binnen het Filmfonds de contactpersonen voor de aanvragers van speelfilmsubsidie. Wij kennen dus de voorgeschiedenis van elk project en die informatie kan nuttig zijn voor de adviescommissie." Bouma verhult niet dat hun inbreng groter is. "Wij zitten er niet voor Piet snot bij. Als ik vind dat de commissie een project ten onrechte negatief beoordeelt, breng ik zoveel mogelijk positieve elementen naar voren. De commissie beslist uiteindelijk, maar ik probeer zeker invloed uit te oefenen." Filmfonds-directeur Ryclef Rienstra is geregeld het derde 'bureaulid' dat de vergaderingen bijwoont. Waarom hij erbij zit? Bouma: "Zo blijft hij goed op de hoogte van wat er speelt."
Statutair zal het wel in orde zijn, maar de vermenging van het interne Filmfonds-circuit met het externe circuit van adviseurs roept bevreemding op. Het past in het algemene Nederlandse beeld dat de bureaucratie een stevige invloed uitoefent op beleidszaken. Bij het Filmfonds heeft dat tot gevolg dat de adviezen van de commissie soms niet worden opgevolgd. Officieel heet het in zo'n geval dat het bestuur zich niet conformeert aan het advies, maar omdat het bestuur ver van de dagelijkse praktijk afstaat, mogen we aannemen dat de twee stafleden speelfilm en Rienstra in zo'n geval hun zin hebben doorgedreven.
Dat gebeurde bijvoorbeeld bij Hany Abu-Assads Het 14e kippetje, toen de commissie het na vier scenarioversies welletjes vond en een streep onder het project wilde zetten. Het bestuur besloot dat er nog een nieuwe scenarioversie ingediend mocht worden, op voorwaarde dat Paul Ruven als scenarist zou worden ingeschakeld. De commissie vond het nieuwe scenario 'een leuk script', dat 'amusant en herkenbaar' was, zodat de film uiteindelijk alsnog werd gerealiseerd.
Sluis
De adviescommissie speelfilm speelt een cruciale rol in de carrières van vrijwel alle speelfilmscenaristen en -makers, omdat het in Nederland vrijwel onmogelijk is een speelfilm te maken zonder financiële steun van het Filmfonds. Wellicht dat door de recente aantrekkelijke fiscale maatregelen voor filminvesteringen dat zal veranderen, maar tot nu toe valt daarvan nog niet veel te merken.
De commissie is voor elke scenarist en speelfilmmaker een sluis waar hij doorheen moet. Kwaliteit, diversiteit en continuïteit zijn de criteria waarop de aanvragen worden beoordeeld. Hoe de commissie kwaliteit herkent? Het jaarverslag over 1997 stelt dat dit gebeurt "aan de hand van het niveau van het scenario, het talent en vakbekwaamheid van de makers en de vertoningsmogelijkheden van het project". Met kwaliteit als eerste zeef, streeft het Filmfonds verder naar "een zo groot mogelijke verscheidenheid aan films". Men wil geen tien All stars, maar ook kleine kunstzinnige films als Vaarwel Pavel. Als derde criterium beoogt het Filmfonds "de continuïteit van filmmakers te bevorderen", zodat de commissie rekening houdt met de 'trackrecord', de voorgaande prestaties, van filmmakers.
In haar schriftelijke advies gaat de commissie niet alleen in op filminhoudelijke zaken als de structuur van het verhaal, plotontwikkeling, vormgeving en stijl, personages, dialogen, thematiek en genre, maar ook op de te verwachten publieksbelangstelling, interesse van marktpartijen en het marketingplan.
Mottenballerig
Tot zover de theorie, in de praktijk komt het uiteraard aan op de toepassing van de drie criteria. Is de beoordeling van treatments en scenario's voor de commissie louter een vaktechnische aangelegenheid of spelen andere overwegingen ook een rol? Wie de adviezen leest die de commissie de laatste jaren uitbracht, ziet een mengeling van overwegingen. Ook kan hij constateren dat de commissie het onderling vaak oneens is. Waar de één een prachtige film ziet opdoemen, ziet de ander een desastreuze flop verschijnen.
Over smaak valt veel te twisten, met als resultaat dat sommige films een jarenlange Filmfondsgeschiedenis hebben. Zoals Casper Verbrugge's Somberman's actie, die op het Nederlands Film Festival zijn première beleeft. In 1995 zag de commissie in het treatment "een eigentijds gegeven" dat "een behoorlijk scenario" kan opleveren. Bijna anderhalf jaar later, toen er een nieuwe commissie zat, vond een van de drie commissieleden dit verhaal een beetje "mottenballerig", waarmee hij bedoelt "een gedateerdheid, die in de wat oudere boeken van Remco Campert ook aanwezig is". Dit commissielid zag voor zijn ogen "een typische Nederlandse subsidiefilm, die noch in cinematografisch opzicht noch voor het bioscooppubliek veel zal opleveren".
Ook een tweede commissielid was niet enthousiast: "Het is degelijk vakwerk, maar er is te weinig toegevoegde waarde aan wat het boek gaf en wat van de scriptontwikkeling verwacht werd." Het derde commissielid had een andere visie: "Het is een mooi, ijzersterk verhaal." Einde Somberman's actie? Toch niet, want ondanks het negatieve eindoordeel luidde het advies om nog geen beslissing te nemen, maar de makers uit te nodigen voor een gesprek. Het gesprek leidde tot een nieuwe scenarioversie, waarbij Stan Lapinski werd betrokken. Een curieuze keuze, want Lapinski was op dat moment roulerend lid van de commissie. Kunnen we het woord belangenverstrengeling hier nog vermijden: een commissielid dat meewerkt aan een scenario waarover dezelfde commissie moet oordelen? Dat Lapinski de commissievergadering waarin over 'zijn' scenario werd geoordeeld, niet bijwoonde, neemt die indruk niet weg. Laten we het toeval noemen, dat in deze vergadering twee van de drie commissieleden positief oordeelden over het scenario ("Het is sterk verbeterd vergeleken bij de vorige versie"), zodat de makers 800.000 gulden realiseringsgeld kregen.
Het herschrijven van scenario's op gezag van de commissie is overigens een normale gang van zaken. Daar is niets mis mee, maar soms leidt het tot curieuze resultaten. Zo werd Wim Verstappens scenario van Elschots Lijmen/Het Been, dat verfilmd wordt door Robbe de Hert, op last van de commissie een aantal malen herschreven door Verstappen en later De Hert, met als gevolg dat het steeds verder van de oorspronkelijke opzet afdwaalde, om uiteindelijk weer terug te keren "op het uitgangspunt van Verstappen".
Ontwikkelingshulp
De adviezen van de commissie maken duidelijk dat de leden vooral gecharmeerd zijn van speelfilms die voldoen aan de traditionele dramatische scenariowetten. Films moeten een dramatisch conflict hebben, dat tot een climax komt, waarna het verhaal volgens de regels wordt afgerond. Sommige adviezen lezen als een scenariohandboek. Filmmakers die er een afwijkende vertelwijze op nahouden, hebben het moeilijk bij de commissie.
Zoals David Safarian. Van hem was in 1993 in Nederland The lost paradise te zien, dat op associatieve wijze een beeld opriep van het Armeense leven, waarin heden en verleden een onontwarbare kluwen vormen. De aanvraag van een Nederlandse coproducent voor een realiseringssubsidie voor Safarians Her name, his name viel buiten het geijkte denkkader van de commissieleden: "De commissie heeft moeite om de betekenis van dit scenario exact te doorgronden. Het is een scenario dat op een erg associatieve manier is geschreven, waarbij je in dit geval al spoedig situaties, personages en gebeurtenissen niet meer op de juiste manier kunt duiden. De wisselwerking en betekenis tussen heden en verleden ontgaat de commissie, waarschijnlijk vanwege de onheldere structuur van het script."
Ook de Iraniër Bahram Beyzai, die in 1992 met Bashu zijn naam vestigde in het internationale artfilmcircuit, kon het vergeten bij de commissie. Een filmproject van hem omschreef de commissie als "een nogal eenvoudig en simpel verhaal, ook al heeft het wel de sfeer van het originele land en is het sympathiek. Het niveau van het verhaal is echter niet hoog en steun aan een dergelijk project ligt meer op het gebied van ontwikkelingshulp." Je moet maar durven bij een filmmaker die meer succes oogste op internationale festivals dan de hele Nederlandse filmwereld bij elkaar.
Bangelijk gedrag
Niet alleen over dramawetten, maar ook over personages heeft de commissie beperkte opvattingen. Films waarin de kijker zich niet kan identificeren met de personages verdwijnen bij de commissie in de prullenbak. Dropouts van Will Wissink en Zebi Damen sneuvelde onder meer omdat de film over zwervers ging. "Het gaat over mensen aan de zelfkant van de maatschappij, over mensen in Amsterdam die het niet gered hebben. Identificatie met deze personages zal daardoor moeilijk zijn."
Ook houdt de commissie niet van onsympathieke personages. "Alle karakters in het verhaal zijn onsympathiek", kregen de aanvragers van een scenariosubsidie voor Snoer, naar het boek van Saskia van Rijnswou, als afwijzingsargument te horen. Ook Dana Nechustan had in Total loss beter aardiger personages kunnen opvoeren: "Hoewel de vertelvorm aardig is geprobeerd, vindt de commissie het scenario erg oppervlakkig en vol met onsympathieke figuren." Ook de aanvragers van scenariosubsidie voor The big break struikelden over onvriendelijkheid: "De hoofdpersoon is een opportunistische schrijver, die beslist niet sympathiek wordt neergezet, wat identificatie al bemoeilijkt."
Niet alleen opportunistische maar ook zwakke mannen leveren problemen op, zo leert het advies over Voor de lol, dat over zinloos geweld gaat. "Storend vindt de commissie ook dat het mannelijke hoofdpersonage nogal snel bangelijk gedrag vertoont en dat zijn jongere vriendin de kastanjes uit het vuur moet halen. De man wordt als een nogal zwak personage afgeschilderd die zich snel bang laat maken door de jongeren, waardoor je minder met hem mee gaat." Ook met 'losgeslagen jongeren' kan de commissie zich slecht identificeren, blijkt uit de afwijzing van Hooligans: "Een commissielid vindt dat deze film kennelijk aansluit bij een trend die al enige tijd aan de gang is in de filmindustrie: een film over de losgeslagen jongere generatie met beelden van verwording, ellende, drugs, verkrachting en verwoesting. Met een dergelijke film heeft dit commissielid, zowel naar inhoud als stijl, weinig affectie."
Sympathieke mannen, aardige vrouwen en voorbeeldige jongeren: we begrijpen nu waarom we in Nederlandse films de werkelijkheid nooit herkennen.
Jos van der Burg
Met dank aan Karin Wolfs voor de hulp bij de research.