Video - november 1999, nr 205

Een selectie uit de videotheek van nieuwe, interessante en curieuze films die niet in de bioscoop zijn uitgebracht.


Bitter sugar
Leon Ichaso
De Cubaanse regisseur Leon Ichaso verblijft al jaren buiten zijn geboorteland, waar hij net als vele landgenoten wacht op de val van een van 's werelds laatste communistische bolwerken. Het is dan ook geen wonder dat zijn in Havana gesitueerde politieke drama Bitter sugar geen al te vriendelijk beeld schetst van het regime van Fidel Castro. Hoofdpersoon Gustavo is een gezagsgetrouwe student die gelooft in Castro's heilstaat, maar door een aantal gebeurtenissen vallen hem de schellen van de ogen, wat hem uiteindelijk drijft tot een dramatische wanhoopsdaad. Niemand in Gustavo's omgeving ontkomt aan de invloed van de economische malaise en de soms keiharde repressie door de communisten. De meest ernstig getroffene is Gustavo's recalcitrante broer Bobby, een heavymetal-fan wiens bandje wordt opgedoekt door de autoriteiten, waarna hij zich samen met zijn medemuzikanten voor de camera injecteert met het aidsvirus, onder het motto "Socialisme of de dood? Dan maar dood!" Het is een heftige protestdaad, die tragisch genoeg werkelijk heeft plaatsgevonden. Daarnaast laat Ichaso ook zien hoe de politieke situatie het leven van alledag beïnvloedt. Soms gebeurt dat met humor, zoals in de scène waarin Gustavo's vader het gesjacher beschrijft dat voorafgaat aan het bakken van een 'socialistische cake'. Diezelfde vader demonstreert ook hoe in Cuba de wereld in sommige opzichten op zijn kop staat, als hij zijn psychiatrische praktijk inruilt voor een veel beter betalende baan als barpianist in een toeristenhotel. Gustavo begint het communistische systeem pas echt te haten als hij ziet hoe zijn grote liefde Yolanda door de economische omstandigheden wordt aangezet om zich te prostitueren. Ichaso verfilmde Gustavo's bewustwordingsproces in levendige zwart-wit beelden, waarin aan het Italiaans neo-realisme refererende straatopnames worden afgewisseld met flitsend gemonteerde erotische scènes. Gedurende de helft van de film weet de regisseur met zijn gevarieerde stijl de aandacht uitstekend vast te houden. Daarna neemt zijn politieke agenda het wat al te nadrukkelijk over en uiteindelijk komt Bitter sugar ten val door een overmaat aan pamflettisme.
Fritz de Jong
Te huur vanaf 3 november (Filmfreak)


Dracula (1931)
Tod Browning
Het is niet ongewoon voor een modern componist zich te wagen aan een score voor een klassieke zwijgende film. Iemand als Carl Davis doet niet anders. Maar een geluidsfilm voorzien van nieuwe muziek is toch een heel andere verhaal. Toen Tod Brownings Dracula in 1931 met veel succes werd uitgebracht, bestond de score uit fragmenten van Tsjaikovsky's Zwanenmeer. Effectief, maar nooit voor de film bedoeld. Nu heeft Philip Glass een poging gewaagd muziek te schrijven die beter aansluit bij de geest van Dracula. Brownings versie van Bram Stokers negentiende-eeuwse roman was in tegenstelling tot bijvoorbeeld Friedrich Murnau's eerdere Nosferatu (1922) niet zuiver een griezelfilm. Er zitten nauwelijks schokeffecten in, en er wordt veel in gepraat. De meeste spanning ligt in het spel van schaduw en licht dat zo meesterlijk gecreëerd werd door Karl Freund, nota bene Murnau's cameraman bij Der letzte Mann. Zelfs de gaatjes in de nek van Dracula's slachtoffers blijven kies buiten beeld, laat staan dat er nadrukkelijk bloed wordt vergoten. De film laat zich nog het beste bekijken als een barok noodlotsdrama, doorspekt met thema's als seksuele drift, overspel en verslaving. De graaf, theatraal vertolkt door Bela Lugosi, is meer tragisch dan eng. Hij spreekt zelfs zijn verlangen uit echt dood te mogen wezen in plaats van als een bloedjunkie te moeten ronddolen. Glass gaat aan de haal met de Oost-Europese achtergrond van zowel Dracula (Roemeen) als Lugosi (Hongaar). Zijn score, uitgevoerd door het Kronos Quartet, bestaat uit weemoedige zigeunermuziek, met jammerende violen en dreigende cello's. Je kunt niet zeggen dat de muziek een uitgesproken verbetering is, daarvoor kennen we de repeterende motieven van Glass te goed. Herkenbare thema's zitten er niet in, en soms zou je willen dat er helemaal geen muziek was gebruikt. Glass' Dracula is simpelweg een andere film geworden, interessant op een andere manier. Maar niet beter.
Mark van den Tempel
Te koop vanaf 25 november (Universal Pictures Video)

Dracula: Bela Lugosi's doodsverlangen.


American cuisine (Cuisine américaine)
Jean-Yves Pitoun
Het is een gokje, maar wie op 46-jarige leeftijd debuteert met een film die zo nauwkeurig de hectiek van een eersteklas restaurantkeuken belicht, moet een dergelijke culinaire omgeving wel van dichtbij hebben meegemaakt. Regisseur Jean-Yves Pitoun is verzot op blinkende fornuizen, schone pannen, fijne kruiden, goede wijnen en verse koffie. De aandacht die hij schenkt aan truffelsoufflés en perziktoetjes slaat alles. Dat hij daarbij een hoofdpersoon opvoert die als peuter al bedankte voor de Olvarit-potjes van zijn moeder en met groot genoegen de romige aardappelpuree van zijn vader naar binnen lepelde, spreekt voor zich. Pitoun moest er wel een verhaaltje omheen verzinnen en dus liet hij voor de grap 'all American boy' Loren (Jason Lee) in de keuken van de norse Franse meesterkok Louis Boyer (Eddy Mitchel) terechtkomen, een beetje in de sfeer van An American in Paris. Gek genoeg is er van een werkelijke cultuurclash helemaal geen sprake. Loren is verzot op de Franse keuken. Hij heeft tijdens zijn jaren bij de marine de kookboeken van Louis Boyer zelfs uitgebreid bestudeerd. Boyer ziet ook wel wat in de 'yank', evenals zijn dochter Gabrielle (Irène Jacob) die bemind wil worden met culinaire passie, hetgeen betekent dat een amoureus treffen op de keukentafel - hoe voorspelbaar - niet uitblijft. Raadselachtig blijven Pitouns komische noten. Ze zijn wel aanwezig in de belastinginspecteur die wordt aangezien voor een culinair journalist, maar ze zijn zo onnadrukkelijk dat ze ook meteen weer vervliegen.
Belinda van de Graaf
Te huur vanaf 3 november (Filmfreak)


Jack Frost
Troy Miller
Toen Michael Keaton de Batman-serie na het eerste vervolg vaarwel zei, maakte hij een verstandige keuze. Een acteur die vier keer dezelfde stripheld speelt loopt immers het gevaar geen serieuze rollen meer te krijgen. Hoewel Keaton dus blij mag zijn nooit geassocieerd te worden met het fiasco
Batman & Robin, heeft hij met Jack Frost ook een behoorlijk zwarte bladzijde aan zijn curriculum vitae toegevoegd. Keaton speelt de titelfiguur, een vader die het te druk heeft met zijn werk als rockzanger en daardoor zijn beloftes aan zijn zoontje Charlie niet kan nakomen. Nadat hij op kerstavond bij een auto-ongeluk om het leven is gekomen, komt Frost terug als sneeuwpop om de relatie met Charlie weer recht te breien. Dat doet hij door zijn zoon te helpen bij een sneeuwballengevecht en hem ijshockeytechnieken bij te brengen. Erg veel dieper wordt de vader-zoon relatie niet uitgewerkt. Kerst is een tijd van bezinning en Amerikaanse kerstfilms (bestaan er eigenlijk wel andere?) dragen hun steentje hieraan bij door de kerstboodschap er nog dikker bovenop te leggen dan de kunstsneeuw op de studiovloer. Maar doordat regisseur Miller bij het oproepen van deze sentimenten alleen valse snaren raakt, ontstaat het vermoeden dat het hem alleen te doen is om het op zo makkelijk mogelijke manier behagen van het publiek. Met beelden van een sneeuwpop die al snowboardend met een rotvaart van een berg afglijdt, doet hij mij echter geen plezier. Wie de kerstboodschap veinst, is in elk geval niet goed bezig. Misschien is het daarom enigszins rechtvaardig dat de voornaamste troef van Jack Frost, een levende sneeuwpop, niet werkt. Ondanks alle mogelijke middelen, computeranimaties en schuimrubber incluis, ziet het ding er niet uit. De rest van de film overtuigt ook niet. Van een brommende Keaton als rockzanger tot de slechte kwaliteit kunstsneeuw die meer wegheeft van uitelkaar getrokken wattenbollen. Zelfs de kerstliedjes zijn slecht gekozen.
Roel Haanen
Te koop en te huur vanaf 10 november (Warner Home Video)


Nieuw in de videotheek
Maandelijks maakt de Filmkrant een selectie uit het aanbod van nieuwe films in de videotheek. Deze films waren eerder te zien in de bioscoop en zijn toen besproken in de Filmkrant (zie ook de Filmkrant zoek-pagina).

Koopvideo
Rounders - John Dahl
High art - Lisa Cholodenko
Like it is - Paul Oremland
The mask of Zorro - Martin Campbell

Huurvideo
American history X - Tony Kaye
Another day in paradise - Larry Clark
Men with guns - John Sayles
Central do Brasil - Walter Salles
Sitcom - François Ozon
Journey to the sun - Yesim Ustaoglu
Arlington Road - Mark Pellington
Who am I - Jackie Chan
Babe - Pig in the city - George Miller
Year of the horse - Jim Jarmusch
Jezus is een Palestijn - Lodewijk Crijns
Bride of Chucky - Ronny Yu
The acid house - Paul McGuigan


De Videovorser
Kinderlijke geesten

Bij de ontvangst van zijn Gouden Kalf haalde regisseur Roel Reiné uit naar de Nederlandse filmpers: er moet een nieuwe generatie critici komen. Ongetwijfeld bracht de slechte ontvangst van The delivery hem tot die opmerking. Ik heb de film voor Het Parool gerecenseerd en al stelde ik daarbij dat de intentie goed was en navolging verdient, de recensie was bepaald niet positief. Ik ontleen er geen enkel plezier aan om een negatief oordeel te vellen. Zeker niet bij deze film, want ik heb een voorkeur voor genrefilms en ben van mening dat de Nederlandse filmwereld er bij gebaat is als er meer genrefilms gemaakt worden. Het schrijven van die recensie was daardoor net zo lastig als het vellen van een oordeel over Temmink. In beide gevallen ging er een flinke worsteling aan vooraf. Met mijn bescheiden inbreng wil ik de productie en acceptatie van genrefilms in Nederland graag stimuleren, maar als een film me teleurstelt is het mijn taak de lezer daar eerlijk over te informeren. Filmcritici zijn er niet om uit nationalistische overwegingen alles van eigen bodem de hemel in te prijzen, het is hun taak een afgewogen mening te geven en waar nodig films in een breder kader te plaatsen. Oprechte liefde voor het medium, passie voor het vak en kennis van de filmgeschiedenis zijn daarbij onontbeerlijk, eerlijkheid dient het motto te zijn. Zo denk ik er tenminste over.
Tot mijn grote verbazing zijn er echter ook critici die stellen dat een recensent niet teveel van film mag houden. Vier jaar geleden kreeg een van mijn opdrachtgevers van een ervaren recensent te horen dat ik niet in het gilde der filmcritici thuishoorde, omdat mijn filmliefde de ontwikkeling van enig kritisch vermogen uitsloot. Ik was een liefhebber en niets meer dan dat, en liefhebbers slikken alles voor zoete koek. De opdrachtgever kon zich daar niet in vinden. Collega's stelden dat ik beslist scherp genoeg was en het merkwaardige voorval moest negeren, en dat deed ik dan ook. Omdat het een oud incident betreft, de klager zijn mening hopelijk herzien heeft en ik doorgaans niet op conflicten in de beroepssfeer uit ben, laat ik zijn identiteit hier buiten beschouwing. Maar wanneer een andere criticus een recensie van The Blair witch project gebruikt om mijn verstandelijke vermogens in twijfel te trekken kan ik niet zwijgen.
"Horror is bij uitstek een genre voor kinderen of kinderlijke geesten", zo schrijft Peter van Bueren minachtend in de Volkskrant. Mijn naam wordt niet genoemd, maar de goede verstaander kan uit de slotzin opmaken wie hij een kinderlijke geest toedicht: "Verbazingwekkend is alleen dat er zelfs in Nederland nog iemand is bij wie met alle ingepompte voorkennis de haren te berge rijzen." Ik schreef in de vorige Filmkrant: "Maar toch, terugdenkend aan het laatste half uur van de film rijzen de haren me weer te berge..." Dat "zelfs geroutineerde filmkijkers" de film doodeng vinden is voor Van Bueren "onbegrijpelijk", zoals hij ook het slot van de film niet kan duiden. Wie bij de interviews met de dorpsbewoners van Burkittsville (en niet "Burkittvile") in het begin van de film oplet weet echter precies wat er aan het slot gebeurt. Wie horrorfilms bij voorbaat met minachting tegemoet treedt heeft geen oog voor dergelijke subtiele verwijzingen. Een week later is het weer raak. Een recensie van The haunting, door mij gekraakt in diezelfde Filmkrant, krijgt bij Van Bueren de volgende uitsmijter: "Liefhebbers van het genre hebben er nooit iets op tegen dat het inhoudelijk allemaal niets voorstelt, maar de mode is opeens omgekeerd". Wat een baarlijke nonsens!
Zes jaar geleden schreef ik mijn eerste lange stuk voor de Filmkrant, waarin ik mijn onvrede uitte over de manier waarop sommige critici het horrorgenre benaderen. De passage over Van Bueren sneuvelde helaas in de eindredactie: ik merkte op dat een recensent die glashard stelt dat Murnau's Nosferatu door Fritz Lang geregisseerd werd niet serieus te nemen valt. Op kennis van het genre en de liefhebbers valt hij nog steeds niet te betrappen. Over het bestaan van een eerdere, klassieke versie van The haunting zwijgt Van Bueren, de website van The Blair witch project was volgens hem al in 1988 online en de film wordt op geen enkele manier in een genrekader geplaatst, maar vergeleken met het Nederlandse Lap rouge, want dat was ook een nepdocumentaire. En die truc kende het Amerikaanse publiek nog niet, althans niet volgens de specialist, die kennelijk nog nooit van, pakweg, het populaire This is Spinal Tap (1984) gehoord heeft. Enzovoort.
Nee, ik ben blij dat zo'n secure vakman met zoveel kennis van zaken mij een kinderlijke geest toedicht. Ik ben blij dat ik The Blair witch project met open vizier tegemoet kan treden en dat de film mij volkomen gesloopt achterlaat. En ik erger me al jaren kapot aan de slordige aanpak, de vooroordelen en de desinformatie die het werk van de nestor van de Nederlandse filmkritiek kenmerken, wanneer hij zich over mijn geliefde genre buigt. Dat wil echter niet zeggen dat ik de oproep van Roel Reiné voor een grote schoonmaak in mijn beroepsgroep onderschrijf. Er is sinds een paar jaar al een nieuwe lichting recensenten actief en daar zitten veel oprechte filmliefhebbers tussen. En ook enkele genreliefhebbers, die wel degelijk over kritische vermogens beschikken. Maar het zou de nestor sieren als hij zijn eigen beperkingen onderkent en zich voortaan tot die films beperkt waarover hij wel met passie en enige kennis van zaken kan schrijven. Dat doe ik ook, uit principe, want bij slap gelul is niemand gebaat.

Bart van der Put

Naar boven