Mei 2000, nr 211

Lek

Snorren versus bakkebaarden

Na De kleine blonde dood en All Stars voegt Jean van de Velde opnieuw een vakkundige publieksfilm aan zijn oeuvre toe. Een naar de IRT-affaire knipogende misdaadthriller ditmaal, vol bizarre afrekeningen, lullige agenten en een vleugje macabere humor.

Victor Löw imiteert een John Woo-personage.

Meteen de eerste scène van Lek zet je al aardig op het verkeerde been. De schmaltz van André Hazes' 'Kleine jongen' zet in, en je ziet homevideo-achtige beelden van twee spelende jochies. Een wat sentimentele introductie van twee mannelijke hoofdpersonen, denk je eerst nog. Totdat je te zien krijgt dat het geen huiskamerfilmpje, maar een karaoke-video betreft. Een kale Amsterdammer staat het lied te zingen. Zijn maten krijgen af en toe de microfoon onder de neus geduwd. Een gezellige avond? Niet helemaal, zo blijkt wanneer een tussenshot degene toont die wordt toegezongen: strop om de nek, gehavend gezicht, prop in de mond, zijn handen vastklampend aan een ijzeren staaf die aan het plafond hangt. Wat eerst zo klef leek blijkt een tamelijk bizarre criminele afrekening. De gasbrander komt te voorschijn.

Ginnegappend
Regisseur en coscenarist Jean van de Velde betoont zich zo op alle fronten een vakman. De decoupage houdt het tempo erin, en de korte scène is een toonbeeld van economisch vertellen. Want hier slaat hij meteen de toon aan die in de rest van de film wordt vastgehouden: een tot ietwat barokke proporties opgepompt realisme, zoals het een goede misdaadthriller betaamt. Evenzeer is er, ook aangenaam bijdetijds, een vleugje macabere humor in Lek verwerkt. En wat blijkt even later: het gaat inderdaad ook over de vriendschap tussen twee jongens. Ze kenden elkaar ooit als kleine ettertjes uit de buurt. Als ze elkaar na jaren weer tegenkomen is de één een jong agentje (Cas Jansen), de ander (Victor Löw) een zware crimineel met dikke bakkebaarden en een nog dikkere Lamborghini.
Knap is vervolgens ook hoe Van de Velde de scènes elkaar in vliegende vaart laat voortstuwen. Hij maakt daarbij elegant gebruik van het contrast tussen humor en spanning. Zo hebben we net een geestige scène gehad waarin de jonge agent met zijn vrouw (Ricky Koole) er schutterend voor een vrouwelijke arts achter komt dat ze maar geen kind kunnen krijgen omdat het met de seks niet zo vlot ("Nou, Eddy komt eigenlijk altijd meteen klaar, heel grappig, en dan floept-ie er zo weer uit"). Een moment later is het rennen door de Amsterdamse Indische Buurt, op jacht naar een voortvluchtige crimineel, onder stuwende klanken van gitaarrock.
Ondertussen draait Van de Velde soepel een kunstig vlechtwerk in elkaar. Hier en daar worden eindjes aan elkaar geknoopt (agent Eddy wordt door de CID onder druk gezet zijn criminele jeugdvriend te vragen informant te worden en zelf als doorgeefluik te fungeren), daartussendoor worden weer nieuwe losse draadjes geweven die om ontknoping vragen (Eddy's politiechef is er niet blij mee - problemen in het verschiet).
En alsof dat nog niet genoeg is, wordt een overtuigende sfeer neergezet van het landerige politieleven. Beetje slenteren op straat, hangen boven de laptop, keten op kantoor waar de ene saaie mop na de andere wordt verteld: een weinig opwindend leven. Van de Velde krijgt daarbij hulp van een onnavolgbare Thomas Acda, als Eddy's collega. Ginnegappend en ogenschijnlijk maar wat voor de vuist weg leuterend zet hij een waar monument neer van zo'n zakkige, besnorde oer-Hollandse lul-van-een-agent, met wie veel te lachen valt. Ook Cas Jansen is op zijn plaats. Deze 'GTST'-acteur lijkt aanvankelijk wat te bleekjes voor de hoofdrol, maar dat maakt hem juist een prima 'everyman', een uitstekend vehikel voor identificatie in een thriller die voornamelijk lijkt te willen vertellen hoe dun de scheidslijn is tussen eerlijkheid en corruptie, tussen gewoon je werk doen en naar lucht happen omdat je tot over je oren in de puree zit.

Wansmaak
Al dit vakmanschap ten spijt, er ontbreekt wel iets essentiëels aan Lek. Dat de film geen ferme uitspraken pretendeert te doen over de huidige toestand van het justitiële apparaat of de criminaliteit is makkelijk te vergeven. Ondanks dat de film met een ironisch lachje wuift naar de realiteit (de IRT-affaire) is het per slot van rekening gewoon een thriller, en dan mag je het materiaal zo kneden dat het zo spannend mogelijk wordt. Een politieke of sociologische visie zou dan alleen maar in de weg kunnen zitten.
Maar een duidelijke kijk op de criminele wereld wordt wel node gemist. Het blijft allemaal in stereotypen hangen. De mensen van de kleding en make-up schijnen in Nederland altijd te denken dat de onderwereld een feest van wansmaak is. Daar hebben ze misschien ten dele gelijk in, maar om die flauwe bakkebaarden die Victor Löw kreeg aangemeten zou zelfs Pistolen Paultje zich nog bescheuren. Bovendien wekt Löw de indruk kort tevoren een leuke avond met Jiskefets Michiel Romeyn te hebben doorgebracht. De kleinere criminele rollen zijn nog storender: die hebben van die maniakale lachjes, alsof een Tarantino-epigoon ze een script van een kinderserie in handen heeft gedrukt.
De ietwat barok-gewelddadige toon waar Van de Velde op mikt - Löw houdt tijdens de meest woeste scènes à la John Woo zijn baby aan de borst gedrukt - krijgt bij een dergelijke clichématigheid iets potsierlijks. In een film die de dunne scheidslijn tussen goed en kwaad wil bewandelen moet het kwaad wel een kans krijgen. Nu houdt Van de Velde in de heftige scènes de kijker te veel op afstand om echt rake klappen te kunnen uitdelen.

Chris Buur

Lek
Nederland, 2000
Productie: Rolf Koot
Regie: Jean van de Velde
Scenario: Jean van de Velde en Simon de Waal
Camera: Jules van Steenhoven
Montage: Herman P. Koerts
Art direction: Rikke Jelier en Alfred Schaaf
Kostuums: Simone Geels
Met: Cas Jansen, Thomas Acda, Victor Löw, Gijs Scholten van Aschat, Ricky Koole, Daniel Boissevin, Ton Kas, Lou Landré
Kleur, 105 minuten
Distributie: C-Films
Te zien: vanaf 27 april


Jean van de Velde

Serpico in de polder

Regisseur Jean van de Velde vindt dat zijn politiethriller Lek moest beantwoorden aan alle spelregels van het politiegenre, maar ook ingebed moest zijn in de werkelijkheid. "Amsterdam is een bijzonder interessante arena. Ik hoefde niets te verzinnen; een figuur als De Hakkelaar hoef ik bij wijze van spreken alleen maar een andere naam te geven."

Jean van de Velde (foto: Dinand van der Wal).

Jean van de Velde had voor de uitbreng van zijn realistische verhaal over een lek bij de Amsterdamse politie nauwelijks een beter tijdstip kunnen plannen. Politieseries op tv, zoals 'Blauw blauw', 'Unit 13' en 'Baantjer' (2 miljoen kijkers) zijn nog immer populair, en Johan V. alias de Hakkelaar en Mink V., één van de criminele regisseurs van de IRT-affaire, zijn weer volop in het nieuws. Evenals CID-chef Klaas Langendoen, die samen met IRT-agent Joost van Vondel honderden miljoenen aan drugsgeld zou hebben achterovergedrukt. Het milieu waarin deze mannen zich begeven, sluit naadloos aan op de Amsterdamse onderwereld die Van de Velde toont.
Lek is bij vlagen bloedstollend. Te beginnen bij de openingsscène waarin een bendelid wordt gefolterd omdat hij heeft geklikt. En zoals Kas alias Haveman het fijntjes verwoordt in de film: "Wie klikt, wordt op z'n billetjes getikt". De toon is gezet; je hebt je aan de regels te houden, of je nou rechercheur bent of crimineel. Jean van de Velde: "In 1998 vond in Amsterdam gemiddeld één liquidatie per week plaats. Geloof het of niet, het gaat er echt keihard aan toe in het drugsmilieu. Daar komt bij dat we sinds de IRT-affaire weten dat criminaliteit en corruptie in Nederland hand in hand gaan. Lek is een verhaal dat grotendeels parallel loopt aan die werkelijkheid. Met dien verstande dat de werkelijkheid altijd nog absurder is dan onze fictie. Etienne U. ging na zijn vrijlating linea recta naar een wapenhandelaar om een pistool te kopen. Vervolgens heeft hij in een wei een paar schapen neergeknald, om weer een beetje in vorm te komen. Overigens kan een crimineel natuurlijk ook een zwakke plek hebben. Zoals De Hakkelaar, die zich zeer schuldig voelde vanwege het feit dat zijn dochter geen leven had op school. Iedereen behalve zij wist dat pappa im- en exporthandelaar was in hele andere producten dan hij haar had wijsgemaakt.
"In Nederland, Amsterdam in het bijzonder, stikt het van dit soort figuren. Ze zijn een gevaar voor de maatschappij, en dan bedoel ik ook de keurige advocaten die hun verdediging op zich nemen en de politici die het mogelijk hebben gemaakt dat Nederland zich momenteel mag rekenen tot een van 's werelds grootste drugsindustrieën. De XTC-export overtreft inmiddels de kaasexport, om maar wat te noemen. Desondanks is Amsterdam voor mij als maker van een politiethriller natuurlijk wel een bijzonder interessante arena. Ik hoef niets te verzinnen; Amsterdam is gevaarlijker dan New York en een figuur als De Hakkelaar hoef ik bij wijze van spreken alleen maar een andere naam te geven."

Flipperkast
Het idee voor Lek dateert uit 1992. In dat jaar hadden Chris Brouwer en Haig Balian van Movies Film Productions de rechten gekocht van het boek 'Sans rancune' van oud-politieagent Jan van Daalen. De producenten wilden het laten verfilmen door Ben Verbong. Simon de Waal, sinds 1986 rechercheur bij de Amsterdamse politie, werd gevraagd om een eerste scenarioversie op papier te zetten. De plannen liepen op een dood spoor en het script kwam op de plank te liggen. Tot Van de Velde het in 1997 onder ogen kreeg. Hij vroeg De Waal om mee te schrijven aan een nieuwe versie en belde nagenoeg tegelijkertijd het castingbureau.
"Het contracteren van Cas Jansen was een hele belangrijke eerste stap", blikt Van de Velde terug. "We wilden een politieagent neerzetten die in het echt zou kunnen bestaan. Cas is als Eddy een redelijk naïeve, integere jongen. Leuke vriendin, ouwe Volvo. Maar hij is ook iemand die hogerop wil in het politiekorps. Vervolgens komt hij ongewild in een flipperspel terecht waarbij elke verkeerde keuze hem de kop kan kosten. Als kijker leer je hem kennen als straatsurveillant, maar het is de bedoeling dat je hem ook nog gelooft als hij het in zijn eentje moet opnemen tegen een stel drugscriminelen. Cas is dankzij GTST gewend om voor de camera's te staan. Maar belangrijker nog is dat hij bekendheid geniet bij een groot publiek. Dat vind ik over het algemeen een groot voordeel bij soapsterren; het zijn acteurs met wie het publiek een langdurige relatie opbouwt. Zo creëer je publiekstrouw, daar is toch helemaal niks op tegen?"
Zoals Cas Jansen de perfecte zilveren bal in de flipperkast is, zo is Victor Löw de ideale dubbelhartige crimineel. "Dolfijn en haai tegelijk", aldus Van de Velde. "Dolfijn omdat hij zijn geluk niet op kan met zijn aan het begin van de film geboren baby. Haai omdat hij meedogenloos is als het moet. Alleen al met zijn blik kan Victor die twee eigenschappen afwisselend neerzetten. Een pure karakteracteur, net als Jacob Derwig."
Tijdens het schrijven aan het scenario noemden Van de Velde en De Waal hun verhaal ook wel gekscherend 'Serpico in de polder'. "Het moest beantwoorden aan de spelregels van het politiegenre", aldus Van de Velde, "dat was onze belangrijkste zorg. Een verkeerde shoot-out en je hebt een B-film. Ik heb erg lang gepuzzeld op de shoot-out in de finale. In plaats van dat ze elkaar zomaar neerknallen, zocht ik naar een oplossing waar ik als maker echter achter kon staan. Wraak is natuurlijk een voor de hand liggend motief om iemand om te leggen, maar het moet wel op een genuanceerde manier ingebed worden in de karakterontwikkeling van de wreker."
Voor de eerste screening, begin maart, had Van de Velde ook een groep Amsterdamse rechercheurs uitgenodigd. Na afloop kwam een rechercheur hem feliciteren met de waarheidsgetrouwe portrettering van het Amsterdamse politieapparaat en drugscircuit. Om vervolgens zijn visitekaartje te overhandigen: H.

Renson van Tilborg

Op www.lek-film.nl is een dossier te vinden met informatie over onder meer de IRT-affaire, coke-import, de commissie-Kalsbeek, doorleveringen van drugs en 'Wat Van Traa vergeten is'.

Naar boven