Juni 2000, nr 212

Jean Desmet

Van kermisklant tot heer van stand

Filmpionier Jean Desmet heeft het Filmmuseum een goudmijn aan films bezorgd: van dramatische divafilms tot een korte film uit 1913 over een opiumrokende man die een robbertje gaat vechten met zijn dubbelganger. Ook had deze slimme zakenman plannen om een rolschaatsbaan in de bioscoop te bouwen. Filmwetenschapper Ivo Blom promoveerde op deze voormalige kermisklant.

De luxueuze reisbioscoop The Imperial Bio Grand Cinematograph rond 1907.

Het Wilde Westen noemt filmwetenschapper Ivo Blom de eerste decennia uit de filmgeschiedenis. Wat begon in tenten op de kermis ('komt dat zien, komt dat zien'), groeide in de handen van avontuurlijke zakenlieden snel uit tot een lucratieve bezigheid. De in 1875 in Brussel geboren, maar in Den Bosch opgegroeide Jean Desmet was een van de pioniers. De man die rond de eeuwwisseling op de kermis met een rad van avontuur en een glijbaan zijn brood verdiende, waagde in 1907 de gok en investeerde zijn geld in een luxueuze reisbioscoop, die de imponerende naam The Imperial Bio Grand Cinematograph kreeg. Het pakte goed uit, want twee jaar later al opende Desmet met Cinema Parisien in Rotterdam zijn eerste vaste bioscoop. In een paar jaar tijd zouden er nog acht volgen, waaronder Parisien in Amsterdam. Daarmee was Desmet de eerste die een keten van bioscopen exploiteerde. Om verzekerd te zijn van voldoende films in zijn theaters, nam hij de aankoop van films in eigen hand. Naast exploitant werd Desmet een belangrijke filmdistributeur, die zijn films ook aan andere exploitanten verhuurde.
Aan Desmets distributie-activiteit dankt het Filmmuseum de Desmet-collectie, die, zo leren we uit Bloms proefschrift 'Pionierswerk. Jean Desmet en de vroege Nederlandse filmhandel en bioscoopexploitatie (1907-1916)', intact is gebleven dankzij een mengeling van zuinigheid en toeval. Waar andere distributeurs hun uitgedraaide films lieten verkommeren, daar bewaarde Desmet zijn oude films zorgvuldig. Dat had niets te maken met filmhistorisch besef, zegt Blom. "Desmet was een slimme zakenman, die zijn handelswaar maximaal te gelde wilde maken en daarom alle films bewaarde. Je kon immers nooit weten of er nog eens een klant voor was. In de Eerste Wereldoorlog probeerde hij zijn collectie te verkopen, maar hij raakte ze niet kwijt, omdat de lange film toen in opkomst was. Er was geen interesse meer voor zijn vooral korte films. We danken er de Desmet-collectie aan."

Revolutie
Wat er zo uniek is aan de collectie, die ongeveer negenhonderd titels telt? Blom hoeft er niet over na te denken. "In de meeste landen, ook in Nederland, is driekwart van de filmproductie uit de periode van de zwijgende cinema verdwenen, omdat de films slecht of niet werden bewaard. Omdat Desmet zijn films wel bewaarde, heeft dat een collectie opgeleverd van voornamelijk buitenlandse films, die in het land van origine vaak niet meer aanwezig waren. Toen deze films in de jaren tachtig werden geconserveerd en op buitenlandse festivals vertoond, zorgde dat voor een revolutie in de internationale filmhistorische wereld. Men zag tientallen films terug die verloren waren gewaand." Blom voegt eraan toe dat Nederlandse films vrijwel volledig in de collectie ontbreken, omdat Desmet zich toelegde op buitenlandse films. "Dat is jammer, want anders zou de collectie ook een goudmijn voor Nederlandse films zijn geweest."
Dat Desmets zakelijke loopbaan zich afspeelde op het breukvlak van de overschakeling van de korte naar de lange film, vindt Blom 'erg fascinerend'. "Het is een interessante periode, omdat er intensief werd gezocht naar een goede exploitatievorm. Sommige lange films waren eigenlijk compilaties van korte films. Ook reduceerde Desmet lange spektakelfilms voor bioscopen in de provincie tot eenakters van een kwartier, zodat het publiek alleen de hoogtepunten kreeg voorgezet. Dat deed hij bijvoorbeeld met Quo vadis, dat werd opgediend als een verzameling trailers. In de grote steden accepteerde het publiek langere films eerder, zodat Desmet een ruim twee uur durende biopic over Richard Wagner in 1913 probleemloos in Den Haag en Amsterdam kon vertonen."

Opium
Ruim een derde van de Desmet-collectie is van Franse afkomst, een kwart komt uit Amerika en een kwart uit Italië, Denemarken, Duitsland en Engeland. Tenslotte is er een restcategorie van landen die met slechts enkele films in de collectie zijn terug te vinden. Blom: "Er zijn wat korte Engelse films, een paar Russische films, een enkele Oostenrijkse film en een paar Nederlandse films." De verdeling naar land zegt niet alles, waarschuwt hij. "Je moet ook kijken naar de lengte van de films. De Franse films zijn in de meerderheid, maar het betreft veel korte eenakters. Een belangrijke deelcollectie vormen de ongeveer tachtig Amerikaanse korte films, die geproduceerd zijn door Vitagraph. De Amerikanen kenden die films nauwelijks, zodat de vertoning op het jaarlijkse zwijgende filmfestival in Pordenone voor hen een echte 'eye opener' was. Het Italiaanse aandeel is gemengd: het bevat korte en lange films in allerlei genres. De Duitse en Deense inbreng bevat nogal wat langere sensatie- en misdaadfilms, waarmee Desmet zich sterk profileerde."
Blom heeft niet alle maar wel veel films uit de collectie gezien. Genoeg om een vooroordeel uit de weg te ruimen. "Vaak wordt gedacht dat de Desmet-collectie voornamelijk uit drama's en documentaires bestaat, maar hij bevat minstens evenveel komische als dramatische films en veel minder documentaires dan gewoonlijk wordt gedacht." Lange tijd werden de komedies door filmhistorici veel minder gewaardeerd dan de dramatische films, maar dat is veranderd, vervolgt hij. "Tegenwoordig heeft men internationaal juist aandacht voor de diversiteit en de innovatie binnen de vroege cinema." Wat hij zelf het mooiste vindt in de collectie? "Er zitten veel films in die eruit springen, zoals de met een mengeling van 'tinting' en 'toning' schitterend gekleurde documentaires. Ook kan ik erg genieten van het acteren in speelfilms, zoals in de twee Italiaanse divafilms Sangue bleu met Francesca Bertini en Fior di male met Lyda Borelli. Ook sommige korte films zijn erg interessant. In de collectie zit bijvoorbeeld het fantastische filmpje Kri Kri fuma l'oppio (Kri Kri rookt opium). Het bevat een scène waarin een man twee dubbelgangers tegenkomt, waarna je de drie personages in split screen tegelijk in beeld ziet. In de volgende scène krijgt de man ruzie met zijn spiegelbeeld en stapt hij door de spiegel, waarna er een vechtpartij ontstaat met zijn dubbelganger. Uiteindelijk komt hij erachter dat hij opium heeft gerookt. Dat is toch schitterend! We hebben het over 1913!"

Dubbele natuur
Dat filmhistorici zo opgetogen zijn over de Desmet-collectie komt omdat deze inzicht geeft in een cruciale fase uit de filmgeschiedenis: de ontwikkeling van de reisbioscoop naar de vaste bioscoop en de overgang van de korte naar de lange film. Dat de collectie naast de films ook een nauwkeurig bedrijfsarchief en veel reclamemateriaal bevat, zorgt voor nog meer vreugde. Een opgetogen Blom: "Daarmee kun je het hele verhaal achter de films reconstrueren. Mijn proefschrift is dan ook geen biografie van Desmet maar een bedrijfsgeschiedenis, gecombineerd met een filmgeschiedenis. Ik was niet uit op het doorgronden van Desmets psyche, maar wilde aan de hand van zijn zakelijke loopbaan inzicht geven in de structurele veranderingen in de filmwereld. Je moet daarbij niet alleen denken aan de opkomst van de vaste bioscopen en het ontstaan van de lange speelfilm, maar ook aan de professionalisering van de filmverhuur en de verschuiving van het voornamelijk Franse aanbod naar de Amerikaanse en Duitse film." Wat de betekenis van Desmet was? "Als bewaarder was hij uniek, maar als exploitant en distributeur was hij prototypisch. Dat maakt zijn collectie zo interessant, want die laat niet alleen zien wat hij zelf belangrijk vond, maar geeft ook inzicht in wat er zoal in de bioscopen draaide. Desmet had een goeie neus voor nieuwe ontwikkelingen. Hij was zeker niet altijd de eerste die iets oppakte, maar hij stond wel in de voorste linie, zodat je hem een echte pionier kunt noemen. Ik vind hem belangrijker als filmdistributeur dan als bioscoopexploitant."
Blom was weliswaar niet primair geïnteresseerd in de persoon Desmet, na zes jaar studie van de Desmet-collectie heeft hij zich wel een beeld van hem gevormd. "Het was een man met een dubbele natuur. Aan de ene kant had hij een bijna spreekwoordelijke zuinigheid, maar aan de andere kant was hij heel royaal met investeringen. Ik zie hem als een echte entrepreneur. Hij had een grote belangstelling voor nieuwe ontwikkelingen en kon in het groot dromen. Geld verdienen was voor hem heel belangrijk, wat je misschien kunt terugvoeren op zijn afkomst. Hij kwam uit een armlastig gezin en begon met niks. Bovendien moest hij niet alleen voor zichzelf maar voor zijn hele familie zorgen. Die verbeten strijd om het bestaan vind je terug in zijn zakelijke leven."

Jean Desmet (collectie Ivo Blom).

Miljonair
In 1916 hield Desmet het op 41-jarige leeftijd voor gezien in de filmbranche. Blom: "Hij was een van de eerste filmverhuurders die er uitstapten toen er problematische tijden aanbraken. De Eerste Wereldoorlog leidde tot grote veranderingen in de filmbranche. Het werd heel moeilijk om nog aan Franse films te komen, omdat de filmproductie in dat land sterk terugliep. Omdat Desmet sterk op Frankrijk was gericht, had hij daar veel last van. Bovendien waren er transportproblemen met Frankrijk, want België was door de Duitsers bezet." Maar er speelde nog een factor. "Toen Desmet begon, waren er nauwelijks concurrenten, maar rond 1914 kreeg hij geduchte rivalen in de filmdistributie. Het was uit met de 'wilde tijd'. Amerikaanse en Duitse majors begonnen de internationale filmwereld te domineren. Als je met hen samenwerkte kon je veel geld verdienen, maar als je je niet wilde binden, kreeg je het steeds moeilijker. Desmet wilde geen verlengstuk zijn van productiemaatschappijen, dus restte hem weinig anders dan er uit te stappen."
Van film maakte hij de overstap naar onroerend goed. Blom: "Hij is daarin miljonair geworden. Zoals hij eerder op tijd omschakelde van de reisbioscoop naar de vaste bioscoop en distributie, zo stapte hij op tijd uit de filmdistributie. Zijdelings had hij er nog wel wat mee te maken door investeringen in bioscopen, zoals Cinema Royal op de Nieuwendijk in Amsterdam. Dat was in de jaren twintig een van de belangrijkste Amsterdamse premièrebioscopen. Met zijn broer Matthijs was hij grootaandeelhouder en dus feitelijk de eigenaar van deze bioscoop."
Desmets zakelijke leven was een succesverhaal, hoewel er ook wel eens wat mis ging. Blom: "Hij was aan het einde van de jaren twintig eigenaar van de Flora Bioscoop in Amsterdam, die op de plek stond waar nu discotheek IT staat. Hij had grootse plannen met het pand, dat hij met de omringende grachtenpanden wilde ombouwen tot een soort multimediapaleis. Het moest een theater annex filmzaal, een grote rolschaatsbaan en nog enkele andere attracties bevatten. Wils, de architect van het Olympisch Stadion, had er schitterende ontwerpen voor gemaakt, maar het gebouw ging door een stommiteit in vlammen op. Daarna sloeg de crisis toe en lukte het hem niet meer om de plannen te realiseren. Het heeft hem echter niet geruïneerd, want hij heeft later een kapitale villa in Aerdenhout laten bouwen. Daar bracht hij de laatste jaren van zijn leven rentenierend door. In 1956 stierf hij op 81-jarige leeftijd."

Egbert Barten/Jos van der Burg

Pionierswerk. Jean Desmet en de vroege Nederlandse filmhandel en bioscoopexploitatie (1907-1916)
Ivo Blom
394 p., Amsterdam, 2000. Uitgave in eigen beheer.
Een Engelstalige handelseditie verschijnt volgend jaar bij Amsterdam University Press.

Naar boven