September 2000, nr 214
Blijf plakken, kreng
Over elk onderwerp zijn twee artikelen te schrijven. Het eerste is het artikel dat niemand wil lezen. Dat is een heel simpel verhaal, zowel stilistisch als inhoudelijk, omdat het de werkelijkheid beschrijft. Het tweede is het soort artikel waar mensen geen genoeg van kunnen krijgen. Dat is spannend en meeslepend geschreven en stelt de zaak mooier voor dan het is. Dit is het eerste artikel. Het onderwerp is de Nederlandse film.
Eddy Terstall, Dick Maas en Miriam Kruishoop. Illustratie: Typex.
"In Hollywood nobody knows anything", zeggen ze in Amerika als het om het voorspellen van nieuwe successen gaat. Filmmaatschappijen gooien tien of twintig titels tegen de muur en hopen dat er één of twee blijven plakken. In Nederland weten we ook van niets. Wij gooien tien of twintig films tegen een wat kleinere muur en doen op hoop van zegen een schietgebedje. Blijf plakken, kreng, denken we. En verdomd, af en toe blijkt er een Abeltje of Kruimeltje tegen de muur geplakt staan. Ze blijven zelfs zo lang plakken dat er meer dan een miljoen mensen naar hen gaan kijken. Blijkbaar is er behoefte aan. Blijkbaar hebben ze geen Kruimeltje of Abeltje in Amerika.
Maar hoe zit het dan met die andere negentien Nederlandse films die in een jaar worden uitgebracht? In Amerika heb je succesvolle, minder succesvolle en helemaal niet succesvolle films. Maar ook naar de minder succesvolle gaan nog aardig wat mensen kijken. In Nederland heb je één succesvolle titel en verder alleen maar helemaal niet succesvolle. Als Kruimeltje in een jaar 85% van alle mensen trekt die een Nederlandse film bezoeken, als behalve Kruimeltje maar een enkele andere Nederlandse film (Lek) de niet echt magische grens van honderdduizend bezoekers overschrijdt, dan gaan er verdomd weinig mensen naar een Nederlandse film.
Attracties
Hé, een reactie uit het publiek: "Ja, ja, dat weten we. Met dat soort cijfers zijn we aan het begin van het jaar al doodgegooid en sindsdien is er nog niks veranderd. Dat vind je toch niet gek? Het gaat al jaren zo. Het is een vicieuze cirkel. Iedereen weet dat Nederlandse films geen publiek trekken en dus gaat niemand er naar toe, bovendien kan een Nederlandse film nou eenmaal niks zijn, want anders gingen er wel meer mensen naar toe. Deprimerend. Jammer, maar niks aan te doen."
Nou ja, niks? We kennen de termen 'publieksfilms' en 'artfilms'. Een beetje simplificerend kun je stellen dat publieksfilms zich op een zo groot mogelijk publiek richten en dat artfilms er voor de cinefielen zijn. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, natuurlijk zijn er speelfilms die erin slagen om zowel het grote publiek als de cinefiel te bereiken, natuurlijk gaan cinefielen ook naar publieksfims en natuurlijk willen de makers van artfilms graag dat er zoveel mogelijk mensen naar hun films komen kijken, zoals omgekeerd makers van publieksfilms blij zijn met alle kritische waardering die ze krijgen.
Wat je verder ook kunt vinden van films als Jacky en Unter den Palmen, het zijn geen attracties waarbij het publiek in de grote Pathé-zalen de adem inhoudt of bulderend van het lachen over het gangpad rolt. En als een artfilm veel bezoekers trekt, dan is dat vaak nog maar een fractie van het aantal bezoekers van een minder succesvolle publieksfilm. Omwille van dit artikel laten we de artfilm nu achter ons en richten we ons verder louter en alleen op de Nederlandse publieksfilm. Als advocaat van de duivel poneer ik dat op dit moment de enige goede Nederlandse film een succesvolle Nederlandse film is. En als je het op die manier bekijkt worden er in Nederland momenteel niet veel goede films gemaakt.
Rennen
Hoe lossen we dat op? Als je wilt dat er veel mensen naar de Nederlandse film gaan, als je wilt dat er in ieder geval een kans is dat er veel mensen naar een Nederlandse film gaan, dan moeten er dus zoveel mogelijk publieksfilms worden gemaakt. Eureka? De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik niet de eerste ben met dat idee. Of de films die dit jaar met dank aan de gunstige belastingregeling die het investeren in Nederlandse films stimuleert worden gemaakt, ook werkelijk succesvol zullen zijn, valt pas over een paar jaar te controleren. Daarom is het niet alleen goed om ook andere mogelijkheden te onderzoeken (daarover volgende maand meer), het kan bovendien geen kwaad om de Nederlandse publieksfilms van de afgelopen twaalf maanden onder de loep te nemen.
Om te beginnen zijn er films waarbij je eigenlijk al van tevoren kunt voorspellen dat het in de bioscoop niet veel kan worden, maar dat ze ooit, op tv nog wel een publiek zullen vinden. Films als Somberman's actie, naar de novelle van Remco Campert, of Papa's song, dat zich gedeeltelijk op de Antillen afspeelt. Geen films om voor naar de bioscoop te rennen, maar zelfs al wilde je rennen, zulke films gaan maar in een paar bioscopen uit, dus in feite zijn ze op het moment van de première al bijna kansloos. Het doekentekort is ook niet van gisteren, maar het is het toch waard om even na te denken over de vraag hoeveel Nederlandse films er eigenlijk zijn die in zoveel kopieën worden uitgebracht dat het Nederlandse publiek er in het eerste weekend en masse naar toe zou kunnen? Op die manier kun je die lange lijst van twintig Nederlandse films heel makkelijk terugbrengen naar een stuk of vijf, zes.
Geruisloos
Het aantal films dat zich een startpositie verwerft om mee te doen aan de race om de gunst van het grote publiek is dus bij aanvang al bijzonder gering. Een voordeel voor deze films is dat ze in de media aardig wat aandacht krijgen. Sterker nog, als je succes kon afmeten aan media-aandacht, dan zou je zweren dat het hartstikke goed ging met de Nederlandse film. Daar ligt het dus ook niet aan. Laten we dat selecte rijtje (publieks)films maar eens aflopen, waarbij we Kruimeltje even buiten beschouwing laten.
Total loss? Het regiedebuut van Dana Nechushtan ging in aardig wat bioscopen uit, werd ondersteund door een bijzonder hippe reclamecampagne van KesselsKramer, richtte zich op een jong, modieus publiek, dat er echter voor koos om thuis de Blvd. te blijven lezen. Jammer voor Nechushtan, die met de tv-film Ivoren wachters had bewezen een oorspronkelijk talent te zijn. Een vrouw van het noorden? De kostuumfilm van Frans Weisz naar een roman van Couperus met Johanna ter Steege in de hoofdrol ging in aardig wat bioscopen uit, maar flopte geruisloos. Voor wat het waard is: na eerste screening in Cannes ontstond er onmiddellijk een negatieve buzz die de film niet meer van zich af wist te schudden. Spijtig voor een veteraan, die in vroeger tijden met films als De inbreker wel degelijk veel mensen naar de bioscoop wist te krijgen.
Nummer drie: Rent-a-friend. De nieuwe zedenkomedie van Eddy Terstall mocht een paar miljoen meer kosten dan zijn vorige films, speelde zich niet in Amsterdam af maar in Rotterdam, ging in aardig wat bioscopen uit en deed het geen spat beter dan zijn vorige films. Spijtig voor iedereen die Terstall die langverwachte, welverdiende publiekshit gunt. Nummer vier: Do not disturb. De nieuwe actiefilm van Dick Maas - de laatste koning van de Nederlandse publieksfilm, de man van De lift, Amsterdamned en Flodder (3x) - speelde zich opnieuw in Amsterdam af, maar was Engels gesproken en had een cast met Amerikaanse sterren als William Hurt, Jennifer Tilly en Denis Leary. Haalde ruim 65.000 bezoekers binnen, een aantal waar de meeste Nederlandse filmmakers voor zouden tekenen, maar voor Dick Maas-begrippen waren het er op zijn minst een paar honderdduizend te weinig.
Tot slot: Lek. De politiethriller van Jean van de Velde met soapster Cas Jansen in de hoofdrol kreeg opvallend goede kritieken, werd gehinderd door de warmste meimaand in jaren, maar trok uiteindelijk meer dan 100.000 bezoekers. Een redelijk resultaat, maar nog niet de helft van de mensen die een paar jaar geleden naar All stars gingen.
Pech?
Nee, als je louter en alleen naar de cijfers kijkt dan was het geen goed jaar voor de Nederlandse film. Een actiefilm, een thriller, een kostuumfilm, een komedie en een hip drama. Verschillende genres werden geprobeerd, maar niks wist de bioscoopbezoeker uit zijn winterslaap te halen. Daaruit kun je opmaken dat Dick Maas de strijd met de Amerikaanse actiefilms, die afgelopen tien jaar alleen maar groter, duurder en (blijkbaar) imponerender zijn geworden, heeft verloren en dat het daarom niet zo gek is dat hij zijn heil nu in Amerika zoekt - Do not disturb was in feite al een stap in die richting. Misschien waren de stunts en achtervolgingen van minder allure dan in Amsterdamned, de film waar Do not disturb nog het meeste op leek. Feit is dat Huub Stapel op zijn hoogtepunt voor Nederlandse begrippen een veel grotere ster was dan William Hurt. Je kunt stellen dat Dana Nechushtan er met Total loss niet in slaagde om aansluiting te vinden bij de tijdgeest van met zichzelf worstelende Generatie X'ers en Nixers. Misschien voelden die zich niet aangesproken. Feit is dat Generatie Nix in de media alweer is opgevolgd door een nieuwe tienerdoelgroep, de Generatie Y.
Je kunt je afvragen waarom een degelijke kostuumfilm annex literatuurverfilming als De vrouw van het noorden niet wat meer bezoekers trekt. Misschien kwam het door de lauwe ontvangst in de pers. Feit is dat de meeste buitenlandse kostuumfilms het ook niet geweldig doen. Je kunt je afvragen waarom een film met een origineel uitgangspunt als Rent-a-friend niet meer nieuwsgierigen wist te lokken, de titel alleen al is intrigerend genoeg. Misschien zijn leuke grapjes echter niet genoeg als blijkt dat de filmmaker uiteindelijk niet zo veel aan dat uitgangspunt toe te voegen heeft. Bovendien is vriendschap voor veel mensen helemaal geen illusie. Wat zou er gebeuren als Eddy Terstall met zijn fijne neus voor al zijn leuke actrices, een keer een mannelijke hoofdpersoon met evenveel uitstraling en seksappeal zou casten? De vraag is natuurlijk of het dan nog een echte 'Eddy Terstall-film' is, maar ook of dergelijke (potentiële) sterren in Nederland rondlopen.
Je kunt namelijk stellen dat Lek pech had, maar ook dat de hoofdrolspeler wellicht niet bekend genoeg was bij dat deel van het publiek dat niet naar soaps kijkt. Het verhaal was herkenbaar en sloot aan op de werkelijkheid (corruptie bij de politie, het rapport van de commissie Van Traa), maar wellicht ziet de gemiddelde tv-kijker al zoveel Nederlandse politieseries als Baantjer en Unit 13 op televisie dat Lek geen meerwaarde had, of in ieder geval minder dan je zou verwachten. Waarschijnlijk is het zo dat er voor bovengenoemde titels buitenlandse (Amerikaanse) equivalenten waren die meer tot de verbeelding spraken.
Het is hoe dan ook achteraf gepraat. Wat gebeurd is, is gebeurd. De situatie is hopeloos. Of toch niet? Nee, toch niet. Er was namelijk een film die zich aan de malaise onttrok, De fûke, al moest je in Friesland wonen om daar van op de hoogte te zijn. Maar daarover volgende keer meer. Als ik ga uitleggen waarom in de toekomst alles anders wordt met betrekking tot de Nederlandse film. Dat wordt artikel 2.
Oene Kummer
Met dank aan Willem Wallijn voor de openingsscène van Piranha blues: Film 1.