Februari 2001, nr 219

Filmkritiek

Vind ik

Culture shocks is de noemer waaronder de Kring van Nederlandse Filmjournalisten tijdens het Filmfestival Rotterdam debatteert over de 'uitdagingen en valkuilen van de onderzoekende filmcriticus'. Hoeveel moet de recensent prijsgeven over zijn onbekendheid met filmculturele fenomenen? Volgens journalist Annemieke Hendriks ligt het persoonlijke karakter van de filmrecensie in ieder geval niet in het gebruik van het woord 'ik'.

Otesánek van Jan Svankmajer, te zien tijdens het Filmfestival Rotterdam.

Enkele jaren geleden begon filmcriticus Antoinette Polak haar recensie over Larry Clarks Kids in NRC Handelsblad als volgt: 'Toen mijn kinderen net op de lagere school zaten...' Was Polak een overblijfsel uit de goede oude tijd, toen recensenten nog gezellige causeurs waren die in hun filmbespreking en passant vertelden hoe de toestand in de wereld was? 'Laatst liep ik langs de Seine, toen...' 'Rest ons nog te melden dat...' 'Ik kan niet goed beoordelen of...' L.J. Jordaan, die in de jaren twintig de toon zette van de filmbespreking, was een meester in dit hardop denken over zijn worstelingen met maatschappij en film.
De journalistiek, ook het opiniërende genre waaronder de filmrecensie valt, is inmiddels veel zakelijker geworden. Feiten worden van meningen gescheiden en meningen worden onderbouwd. De recensent komt niet weg met 'Wat vind ik dit erg!', maar dient uit te leggen waarom, waarbij zijn eigen wederwaardigheden ('want ik kan niet tegen bloed', 'want mijn eigen kinderen') en zijn opvattingen over de wereld ('want ik ben tegen geweld') taboe zijn. Smaak moet zo beargumenteerd worden dat je erover kunt twisten. Dit zou je de ethiek van de filmrecensie kunnen noemen.
Polak kan evenwel ook als pionier in een nieuw ik-tijdperk worden gezien. In dit tijdperk gaat het om wie je bent, om de mens achter het werk, en hebben diens gevoelens een grote marktwaarde. Een 'voelvirus' waart rond en dit virus zaait ook in de filmjournalistiek verwarring. NRC Handelsblad wil de filmkolommen vullen met 'persoonlijke recensies', zo vertellen de filmmedewerkers. Het streven naar stukken met een persoonlijke toon is toe te juichen. Maar betekent dit dat de recensent in de ik-vorm moet schrijven of dat hij zijn eigen doopceel moet lichten? Moeten we terug naar de tijd van Jordaan?

Pirouettes
In dit stuk worden enkele proeven van het geworstel van de eigentijdse recensent met het voelvirus becommentarieerd. Het was zoeken naar goede voorbeelden. De meeste waren inderdaad in de NRC te vinden, al houdt de auteur zich ook in die krant doorgaans buiten beeld - nog wel. Dana Linssen begint haar recensie in NRC Handelsblad van Harmony Korines julien donkey-boy met een persoonlijke ervaring. 'Als kind had ik er lol in om net zo lang op mijn hurken rondjes om mijn eigen as te draaien, dat ik als ik stilhield vanzelf door de tollende wereld omver werd geduwd en in het gras viel. En dan was alles koelgroen en fluisterzacht. Het zijn gevoelens die weer in mijn herinnering werden geroepen...' Linssen refereert aan de openingsbeelden van de film, 'waarin een meisje pirouettes draait op het ijs'. Haar verwijzing gaat nog dieper: 'julien donkey-boy kruipt in het hoofd van zijn hoofdpersoon en brengt een lyrisch-intuïtieve ordening aan in de verstoorde manier waarop hij de wereld ervaart.' Linssen was wellicht niet tevreden over de helderheid van deze beschrijving en voegde er een jeugdbelevenis aan toe. Ten onrechte. Het stuk had aan kracht gewonnen als Linssen háár ervaring had weggelaten en had geschreven dat Julién zich beweegt als een hurkend kind dat...
Linssens NRC-collega Bianca Stigter haalt een lammetje van stal om uit te leggen hoe regisseur Lars von Trier in Dancer in the dark te werk ging. 'Laatst zag ik een lammetje met een ander lammetje aan; het droeg de vacht van een overleden soortgenoot als een jasje...' De lammetjesbelevenis neemt het hele eerste derde deel van het stuk in beslag. Verderop schrijft ze dat haar tranen al na een minuut of tien kwamen 'en ze bleven tot het einde komen'. Helpen deze ontboezemingen de lezer bij zijn besluit om de film te gaan zien? Nee. De lammetjesmetafoor ontspoort en haar huilen bedoelt Stigter positief én negatief (?), maar ze geeft de filmliefhebber geen antwoord op de vraag of hij zelf zal gaan huilen.
Stigter hanteerde de vrije stijl wellicht omdat ze dit stukje voor de wekelijkse cultuurcolumn schreef. Maar ook een column moet begrijpelijk zijn. Haar hoogst individuele expressie lijkt een excuus om te bezuinigen op feiten en argumenten. De criticus voelt het nu eenmaal zo. Linssens zakelijker recensie van Dancer in the dark in de NRC bevat een passage die aan hetzelfde euvel lijdt. Ze schrijft daarin over onbaatzuchtig liefhebbende vrouwen in de films van Lars von Trier: 'In Breaking the waves en in mindere mate in The idiots gaf dat thema mij een ongemakkelijk, zelfs geërgerd gevoel, omdat de afstand tussen het thema en de boodschap van de film nihil was.' Waardoor Linssens 'geërgerd gevoel' precies kwam, wat ze bedoelt met die 'afstand tussen thema en boodschap', blijft vaag. Misschien: 'Het leed van de onbaatzuchtige vrouw ligt er in beide films wel erg dik bovenop'? Waarom schrijft ze dat dan niet?
Een persoonlijk begin, zoals in stukken van Linssen (julien), Stigter (Dancer) en Polak (Kids), is ook gevaarlijk. De doctrine dat kunst een afspiegeling van de samenleving is, of moet zijn, is mét het IJzeren Gordijn definitief gevallen. In film kunnen én mogen dingen die in het echt uitgesloten zijn, dus wat zou de privé-werkelijkheid van een recensent toe kunnen voegen? Je wilt het niet weten. De kans is groot dat de lezer die meer van films houdt dan van recensenten - en wie doet dat niet - afhaakt bij de eerste regel.

Verwerpelijk
'Subjectiviteit heeft verschillende voordelen', schreef de stimulator van het persoonlijke in de recensie, NRC-redacteur Hans Beerekamp, al in 1982 in een brochure over de filmkritiek. '1. Het is eerlijk. 2. De lezers weten op den duur wie je bent en wat ze aan je hebben. 3. Je vermijdt de schijn van objectiviteit.' Beerekamps credo was zinvol in het tijdperk van de verzakelijking. Maar als het voelvirus door weet te zetten, heeft deze vakopvatting rampzalige gevolgen.
Eerst de eerlijkheid. Beerekamp leverde er zelf ooit een aardig voorbeeld van. Hij bekende publiek dat hij problemen had met Funny games, de psychologische horrorfilm van Michael Haneke, problemen die op moreel gebied lagen. De daders (twee jongens die een gezin de dood in jagen) werden namelijk niet gestraft; aan het einde van de film gaan ze een volgend gezin terroriseren. Hij miste een catharsis, zoals hij schreef.
Maar verlangen wij niet van filmcritici dat ze boven hun eigen normen en ervaringen staan? Moet een recensent voortaan soms vermelden dat hij (hier wellicht vaker zij) een film waarin een verkrachting voorkomt verwerpelijk vindt, omdat hij zelf is verkracht? Eerlijkheid komt hiermee haaks op professionaliteit te staan. Schaf het vak dan maar af. Moet hij het dan soms niét vermelden en de film met schijnargumenten de grond in schrijven? Nee, natuurlijk ook niet. De eerlijkheid moet voor de recensie uitgaan. De auteur moet er vóór het schrijven achter komen of hij de film slecht of goed vindt; de morele categorie 'verwerpelijk' hoort in dit rijtje niet thuis. Lukt het in dit stadium niet om los van de eigen biografie te geraken en blijft het gevoel van 'verwerpelijk', dan moet men de betreffende film maar aan een ander ter bespreking geven. De criticus die dit niet inziet, is rijp voor het onderwijs of het priesterschap. Want die verwart de ijzingwekkende visie van een regisseur op de samenleving prompt met de naargeestige (bijvoorbeeld verkrachtende) personages die de regisseur opvoert om deze visie uit te beelden.
Hieruit vloeit voort dat de lezer vooral niet opgescheept moet worden met een criticus die zich laat kennen - Beerekamps tweede argument voor de 'subjectiviteit' in de recensie. Wie wil er nu weten of de recensent homo is of hetero, of hij met goed en kwaad worstelt, gehurkt rondjes draait of moet huilen. Onderbouwing en overtuigingskracht, daar komt het op aan. Beerekamp gaf in 1982 zelf al aan dat hij het woord 'recensie' synoniem acht aan 'vind ik'. Het persoonlijke element zit in de mening van de recensent over de film. Die kan dus gerust schrijven: 'For my baby (...) is een film die zich voortdurend overschreeuwt', zoals Mark Moorman in Het Parool deed. Dat lees je namelijk als: 'Mark Moorman vindt dat.'
In de NRC maakte Stigter de lezer deelgenoot van haar worsteling met diezelfde film: 'Drie jaar geleden zag ik For my baby van Rudolf van den Berg en drie weken geleden zag ik hem opnieuw. Beide keren kwam de term holocaustkitsch in me op.' Waarom niet gewoon: 'De film is holocaustkitsch'? Dat werd ook boven het stuk gezet. Maar dat durfde Stigter blijkbaar niet te schrijven. Over eerlijkheid gesproken. Recensies zijn ondertekend en vermijden daarmee al de schijn van absolute objectiviteit (punt 3 van Beerekamp). Maar in het tijdperk van het voelvirus lijkt dat niet subjectief genoeg. De ik-ziekte uit het tijdperk van Jordaan is weer in opmars. De misverstanden over het gebruik van 'ik' moeten de wereld uit.

Show it
Stel dat hier nu zou staan: 'Toen ik nog les gaf op de hogeschool voor de Journalistiek zag ik mijn studenten geregeld de volgende beginnersfout met 'ik' maken...' Klinkt deze zin niet vooral ijdel? Lees je niet in de eerste plaats: die Hendriks moet zo nodig laten merken dat ze op een hogeschool lesgaf? Zo'n beginnersfout is bijvoorbeeld dat interviewers, zeker die in de filmbranche, graag willen laten weten hoe uniek de gelegenheid was en hoe leuk ze werden gevonden door de geïnterviewde. 'Hij kwam naast me zitten en keek me intens aan: "U stelt een goede vraag".' Ook in reportages zie je zulk amateurisme geregeld. De journalist is voor het eerst in de tropen en begint zijn verslag als volgt: 'Ik daalde de vliegtuigtrap af. De hitte sloeg me tegemoet.' Subjectief, maar het gaat nergens over. Begin dan met: 'De weg van het vliegveld naar de hoofdstad is geplaveid met uitgemergelde berggeiten.' Hier spreekt een visie uit - zonder 'ik'.
Het gebruik van 'ik' is niet alleen ijdel. Zelfs in deze polemiek, die per definitie opiniërend is, blijkt de ik-vorm volstrekt overbodig. Geen 'Ik las' of 'Ik vind', laat staan 'Ik moet huilen om deze recensie'. Onlangs zei publicist Ian Buruma in een interview: "Vooral in Nederland krijg ik al snel te horen dat het persoonlijker moet. Maar je kunt heel goed persoonlijk zijn zonder direct over jezelf te schrijven. Door je belangstelling, door de manier waarop je kijkt en je de wereld en mensen tegemoet treedt."
Filmrecensenten zouden veel van speelfilms kunnen leren. Regisseurs (de 'auteurs') blijven buiten beeld en via scènes met sprekende details wordt het publiek deelgenoot gemaakt van hun visie. Geen geleuter over jezelf, maar over de personages. In filmtermen: Show it! Het gebruik van 'je' is vaak een eufemistische versie van 'ik' en verdient evenmin aanbeveling. 'De bij voorbaat zo spectaculaire film', schrijft Jann Ruyters in Trouw over Dancer in the dark, is 'zo kaal in je herinnering, kaler dan zijn eerdere films. Dat is niet omdat je niet aangedaan raakt van Selma's lot, het is alleen teveel voor jou bij elkaar bedacht om er echt lang bij stil te staan.'
Om iets persoonlijks te vertellen is de ik-vorm soms de enige manier. 'Ik was verpletterd', schrijft Jos van der Burg in een beschouwing over het oeuvre van Aleksander Sokoerov in het vorige nummer van de Filmkrant. Het is de enige 'ik' in het stuk, op het goede moment geplaatst. Van der Burg zoekt de reden voor het verpletterd zijn in dat oeuvre, niet in zijn eigen levensloop. Want heus, het leven van een recensent is doorgaans reuze oninteressant.

Annemieke Hendriks

Het Culture shocks seminar vindt plaats op 31 januari vanaf 13.00u in de Schouwburg, tijdens het Filmfestival Rotterdam.

Naar boven