Analyze this - maart 2001, nr 220

Bioscoopgewoel

Filmhistoricus Hans Schoots legt maandelijks de filmkritiek op de sofa.

Een uitverkocht Cinerama 2, Rotterdam. In het kader van het Filmfestival Rotterdam loopt Für mich gab's nur noch Fassbinder, het portret van regisseur Rainer Werner Fassbinder door Rosa von Praunheim. Na een minuut of twintig komt actrice Hanna Schygulla onaangekondigd in beeld. Er gaat een gefluister door de hele zaal: "Hanna Schygulla!" Een ontroerend moment. En zo gebeurden er nog veel meer dingen in die zaal, die het kijken naar de film tot een bijzondere ervaring maakten. Er is nu eenmaal meer tussen film en publiek dan wat er op het witte doek te zien is.
Het brandpunt van de filmcultuur is het moment waarop film en publiek elkaar ontmoeten, en de omstandigheden waaronder die ontmoeting plaats vindt, heeft logischerwijs invloed op hoe een film gewaardeerd wordt. Zelfs een slechte film wordt wat wanneer je hem op een zomeravond ziet in een openluchtvoorstelling op een Italiaans marktplein. Of hij krijgt ineens een heel andere dimensie wanneer je hem ziet in gezelschap van een stelletje gierende liefhebbers van de wansmaak.
Filmrecensenten lijken zich zoveel mogelijk aan deze levensfeiten te willen onttrekken. Zij proberen een film onafhankelijk van alle omgevingsfactoren te beoordelen. Je kunt ook zeggen: ze maken de film los uit zijn natuurlijke context. Het vreemde is dat zij dit meestal doen door zich met wat collega's op te sluiten in zogeheten pers- en industrievoorstellingen. Een allesbehalve neutrale omgeving, waar de invloed van een meeslepend publiek weliswaar met succes is uitgebannen, maar waarvoor in de plaats een nogal eens plichtmatige, om niet te zeggen doodse atmosfeer komt. De invloed van die kilte moet ook niet onderschat worden. In het slechtste geval worden filmkritieken berichten uit het dodenrijk. Een andere aspect, dat recensenten onwillekeurig informele nabesprekingen houden en elkáár zo beïnvloeden, laat ik hier buiten beschouwing. Er zijn natuurlijk praktische argumenten voor het fenomeen persvoorstelling. Besprekingen moeten volgens de heersende gewoonten klaar zijn voor een film de theaters ingaat. En bovendien moeten recensenten toch al woekeren met hun tijd.
Toch zou iedereen erbij gebaat zijn, wanneer critici zich zoveel mogelijk in het gewoel van de reguliere bioscoopvoorstelling begaven. NRC Handelsblad-criticus Hans Beerekamp omschreef de eisen aan een goede bespreking ooit als volgt: 'Veertig procent moet consumenteninformatie zijn. Zestig procent moet de betekenis van de film aangeven voor de filmcultuur, de cultuur in het algemeen, en de samenleving in het algemeen.' Dat zijn allemaal dagelijks veranderende factoren, waar de vertoning van een film zelf déél van uitmaakt. Elke nieuwe film heeft elementen die niet teruggevoerd kunnen worden op wat we al kennen en weten. Nooit is helemaal te voorzien welke betekenis het publiek eraan zal toekennen. Die betekenis ontstaat grotendeels in de bioscoop, en de recensent kan niets beters doen dan erbij te zijn en er zijn of haar kritische licht over te laten schijnen. Persvoorstellingen doen de films, de lezers en niet te vergeten de recensenten zelf tekort.

Hans Schoots

Naar boven