April 2001, nr 221

Hammer-films

De angstfabriek

Eind jaren vijftig trok het Britse productiehuis Hammer de horrorfilm uit het slop met uiterst succesvolle en invloedrijke Dracula- en Frankenstein-verfilmingen. Met weinig geld, maar met een maximum aan enthousiasme en liefde voor het vak maakten de Britten jarenlang griezelfilms die wereldwijd nog altijd een grote aanhang kennen. Het Filmmuseum vertoont een retrospectief.

De onnavolgbare Christopher Lee.

Professor Van Helsing is door graaf Dracula met enorme kracht op de grond geworpen. De graaf grijpt hem beet en brengt langzaam zijn scherpe hoektanden naar de hals van zijn wanhopige slachtoffer. Met een laatste krachtsinspanning gooit Van Helsing de vampier van zich af en ziet zijn redding: tussen de enorme draperieën schijnen de eerste stralen van het ochtendgloren. De dokter rent naar het gordijn en werpt het open; een magistraal zonlicht stroomt de zaal binnen. Graaf Dracula verstijft, slaakt een verschrikkelijke doodskreet en begint vliegensvlug te verpulveren: de eeuwen die hij heeft geleefd nemen bezit van zijn lichaam, dat ineenkrimpt tot een afzichtelijke brij van vlees en botten. Uiteindelijk rest er niets dan stof, dat met een stille luchtstroom wegwaait. Dan verschijnen de eindtitels op het doek. Het publiek, dat met schorgeschreeuwde kelen bijkomt van de angstaanjagende gebeurtenissen, leest de naam van de boosdoeners: 'A Hammer Production'. De film heet Dracula, het jaar is 1958, en het gezicht van de horrorfilm is voorgoed veranderd.
Michael Carreras en Anthony Hinds, zoon van acteur William 'Hammer' Hinds, richten eind jaren veertig Hammer Films op. Met het aantrekken van filmmakers als regisseur Terence Fisher, scenarist Jimmy Sangster, decorontwerper Bernard Robinson en cameraman Jack Asher wordt een team gevormd dat uitgroeit tot een gezelschap bevlogen professionals. Vooral Fisher, wiens thriller So long at the fair (1950) door Hitchcock wordt bewonderd, blijkt een gouden keus. Hammer specialiseert zich in exploitatiefilms en groeit gestaag, mede dankzij een Amerikaanse distributie.
De naam van het bedrijf wordt onlosmakelijk verbonden met de griezelfilm door het wereldwijde succes van het revolutionaire The curse of Frankenstein (1957). Deze gotische horrorfilm, die zeventig keer zijn budget terugverdient, brengt een schok teweeg. Het geweld wordt expliciet verbeeld en de sfeer is onverbloemd macaber en overtuigend uitgewerkt, want ondanks de budgettaire beperkingen is er veel zorg besteed aan de Victoriaanse decors en kostuums. Op de acteerprestaties valt evenmin weinig af te dingen. Onder de bezielende leiding van Fisher spelen Peter Cushing en Christopher Lee respectievelijk de maniakale baron en zijn schepsel; ze worden op slag wereldberoemd. Daarnaast staat Sangsters sterke scenario garant voor een grandioze spanningsboog, rijk aan drama en actie.
Maar The curse of Frankenstein springt het meest in het oog omdat het de eerste Britse horrorfilm in kleur is: Jack Ashers technicolor-beelden doen de voor hun tijd zeer bloederige geweldsscènes extra hard aankomen. De kritieken zijn ongekend fel: kranten spreken van de meest perverse film ooit gemaakt. Het publiek heeft er minder moeite mee en komt massaal opdraven, waarbij berichten over flauwvallende kijkers de sensatie flink aanwakkeren.

Decolletés
Dracula (1958) bezorgt Hammer opnieuw een gigantisch succes. Een kwart eeuw na de beroemde monsterfilms van de Amerikaanse Universal-studio zorgt de eigentijdse aanpak van het bedrijf voor een renaissance van de horrorfilm. Universal verbood Hammer bij de Frankenstein-verfilming om de tronie van Boris Karloffs monster te kopiëren, waarop de Britten hun monster een zwaar gehavend gezicht gaven dat in zijn schokkende eenvoud flink bijdroeg aan het succes.
Bij Dracula liggen de kaarten anders: in ruil voor de Amerikaanse distributierechten verleent Universal Hammer toestemming om een eigen versie te maken. Van Sangster krijgt Fisher wederom een sterk scenario en de regisseur maakt er een sinistere en poëtische film van, prachtig gefotografeerd door Asher en voorzien van een energiek ritme met perfect gedoseerde schokmomenten. Fisher benadrukt het seksuele aspect van het vampirisme; de hypnotiserende blik van Dracula (Christopher Lee) jaagt vrouwen geen angst aan, maar brengt ze in een staat van seksuele opwinding. De graaf bijt met zichtbaar enthousiasme in de maagdelijke vrouwenhalzen, de decolletés zijn diep en opnieuw vloeit het bloed in kleur. De beste interpretatie van Bram Stokers roman wordt de blauwdruk voor talloze horror- en vampierfilms en is de belangrijkste film in het Filmmuseum-retrospectief.
Hammer ruikt geld en besluit de Dracula- en Frankenstein-formules uit te melken. Van de achttien (semi-)vervolgen die worden gemaakt, zijn er vijf in het retrospectief opgenomen. Voor echte liefhebbers zijn ze amusant, maar op een enkele uitzondering na vallen ze in het niet bij de originelen. Een uitzondering is The revenge of Frankenstein (1958). De opnieuw door Peter Cushing vertolkte baron weet in de fraaie opening met behulp van een handlanger aan de guillotine te ontsnappen en laat een priester als plaatsvervanger sterven. Frankenstein begint incognito in een armenziekenhuis aan nieuwe experimenten om zijn verminkte metgezel een nieuw lichaam te schenken. Dat lukt, maar nadat de man door een bewaker zwaar wordt mishandeld begint zijn lichaam uiteen te vallen en krijgt hij kannibalistische neigingen. In een van Fishers befaamdste scènes springt het creatuur tijdens een groot feest door het raam, kruipt naar de verbouwereerde baron en smeekt zijn schepper hem te verlossen uit zijn miserabele bestaan. Nu zijn ware identiteit is ontdekt, ontstaat er een klopjacht op de baron, die tijdens zijn vlucht ernstig wordt verwond. De film sluit met een prachtige climax waarin de baron in zijn eigen schepping verandert, en biedt met een sardonisch open einde mogelijkheden tot een vervolg.

Mismaakte held
Hammer heeft na de twee kaskrakers genoeg geld om bij Universal de remake-rechten van alle monsterfilms te kopen, maar de resultaten wisselen in kwaliteit. The mummy (1959) is een hit, maar overtuigt minder dan de voorgangers. Bernard Robinsons decors zijn prachtig, vooral in de slotscène waarin de mummie zijn heropstanding afsluit door in een moeras te verdwijnen, maar het talent van Lee, Cushing en Fisher blijft grotendeels onbenut.
The curse of the werewolf (1960) is veel sterker, mede dankzij de pakkende hoofdrol van Oliver Reed. De film bevat enkele tijdloos aangrijpende momenten en het eerste kwartier, waarin een groep aristocraten een zwerver vernedert en levenslang in een kerker laat opsluiten, heeft aan zeggingskracht niets ingeboet. Rond deze tijd begint producent Anthony Hinds aan Sangsters scripts mee te werken, waardoor een kleine kentering in de scenario's plaatsvindt. Kenmerkten de films zich aanvankelijk door een bijbelse strijd tussen goed en kwaad, nu wordt de heersende klasse de boosdoener; de monsters zijn een gevolg van haar kortzichtigheid. Het zijn buitenstaanders die hun kwelgeesten afstraffen en dat met hun ondergang moeten bekopen.
Een voorbeeld van deze lichte koerswijziging is The phantom of the opera (1962), waarin Herbert Lom het spook speelt. Fisher heeft inmiddels zoveel krediet opgebouwd dat hij een ruim budget tot zijn beschikking krijgt. De regisseur verandert het spook in een mismaakte held, accentueert de romantische aspecten en gaat opmerkelijk subtiel te werk. Het hoogtepunt is niet de ontmaskering of de dood van het spook, maar een eenzame, geëmotioneerde Lom die in stilte de triomf van zijn geliefde in de opera gadeslaat. Helaas flopt de film jammerlijk, waarna Fisher terug moet naar korte draaiperiodes en goedkopere sets. Toch weet de meester met The gorgon (1963) een van zijn beste films te maken. Het bij vlagen virtuoze werk over een hedendaagse Medusa ontbreekt helaas in het Filmmuseum-retrospectief.

Blood from the mummy's tomb (1972).

Plagen
Hammer moet budgettair een stapje terug doen, maar blijft uiterst productief. Zo maakt de firma ook moderne thrillers als Paranoiac (1962) en The nanny (1965), die overduidelijk geënt zijn op de Amerikaanse films Psycho en Whatever happened to baby Jane? Een vreemde eend in de bijt is de avonturenfilm One million years B.C. uit 1966. De film kent geen dialogen, maar woest grommende prehistorische mannen die elkaar bevechten. De door animatiepionier Ray Harryhausen vervaardigde dinosauriërs maken echter veel goed en de in een krappe bont-bikini gestoken Raquel Welch blijft evenmin onopgemerkt. One million years B.C. blijkt een van Hammers grootste successen en is terecht in het retrospectief opgenomen, want de mix van knulligheid en knappe effecten blijft vermakelijk.
De bloedserieuze occulte horror van The devil rides out (1967) kent een minder warm onthaal, maar ook deze beklemmende film heeft terecht een plekje in het overzicht als een van Terence Fishers meest overtuigende werken. John Gilling, na Fisher de meest getalenteerde regisseur bij de horrorfirma, maakt met The reptile en Plague of the zombies (beide uit 1966) twee opmerkelijke films, waarin het Engelse platteland geteisterd wordt door plagen die een straf lijken voor het koloniale verleden. Vooral Plague of the zombies is ongemeen sfeervol, met als pièce de résistance een scène waarin op een mistig kerkhof de doden uit hun graf verrijzen. The reptile, Plague of the zombies en The devil rides out zijn de laatste goede films die de Hammerstudio's verlaten.

Welvingen
Wanneer George A. Romero met Night of the living dead in 1968 de horrorfilm een bloedtransfusie geeft en blijkt dat ultra-goedkope producties met veel geweld een fortuin kunnen opbrengen, kunnen de heren van Hammer niet achterblijven. Het opwarmen van succesformules met Frankenstein must be destroyed (1969) en Blood from the mummy's tomb (1970) biedt echter geen soelaas voor de noodlijdende maatschappij. De opportunistische Britten proberen meer bloot en bloed te combineren met hippe onderwerpen, met curieuze potpourri's als resultaat. Uit deze productieperiode is door het Filmmuseum een selectie gemaakt met het smeuïge Dr. Jekyll & sister Hyde (1971), het stripachtige Captain Kronos - vampire hunter (1972) en The vampire lovers (1970), waarin de destijds modieuze lesbische vampiers voortdurend worden onthoofd. Hammers zwanenzang To the devil a daughter (1976), waarin een nog minderjarige Nastassja Kinski regelmatig haar rijpende welvingen toont, valt buiten de selectie en past er ook niet echt in met zijn wat perverse sfeer. Deze gênante vertoning is de laatste nagel aan de doodskist van een eens florerend gezelschap entrepreneurs en filmtalent. De treurige ironie wil dat ze links en rechts worden ingehaald door regisseurs die zijn opgegroeid met het Hammer-gevoel, maar veel beter weten wat een modern publiek wil zien.
Alle jubel ten spijt moet de minder in de materie ingevoerde bezoeker erop gewezen worden dat sommige Hammer-films anno 2001 nogal gedateerd aandoen. Het soms stijve acteerwerk, de wijdlopige dialogen en nogal voorspelbare scenario's vereisen een zekere mate van vergevingsgezindheid. Het retrospectief omvat echter ook enkele klassiekers die de tand des tijds moeiteloos hebben doorstaan. Hammer bracht verstrooiing die de sprookjesachtige sfeer oproept van een lang vervlogen tijd waarin vampiers en fantomen overal op de loer lagen. Getuige de aanhoudende stroom Hammer-publicaties is de fascinatie voor deze cinema springlevend. Ook een regisseur als Tim Burton verraadt in zijn recente
Sleepy Hollow - met Hammer-coryfeeën Christopher Lee en Michael Gough in gastrollen - een sterke schatplichtigheid aan de Britse 'fear factory'. Maar bovenal straalt de liefde voor het genre van de films af. Grote baas Michael Carreras wond er in een BBC-documentaire geen doekjes om: "I'm not giving you bullshit. These movies were made by people that cared." En zo is het.

Mike Lebbing

Hammer films - The house of horror
Van 5 tot en met 25 april in het Filmmuseum, Amsterdam. Bij de opening zullen Ingrid Pitt en Caroline Munro aanwezigheid zijn. Informatie: 020-5891400.

Naar boven