Mei 2001, nr 222
Brother
Kitano voor beginners
Na de speelse komedie Kikujiro (1999) keert Takeshi Kitano terug naar het genre waarin hij groot werd: de snoeiharde yakuzafilm. Voor het eerst filmde de regisseur in Amerika, met een gedeeltelijk Amerikaanse cast en Amerikaans geld.
Stilstaande yakuza.
De eerste vijf minuten van Brother zijn bijzonder fijn. Met zijn karakteristieke sloffende loopje en zijn gelaatsuitdrukking die geen enkele emotie verraadt, arriveert Kitano in Los Angeles, waar hij zich zonder ook maar een woord te zeggen laat schofferen en oplichten door botte Amerikanen. Heel even lijkt de stoïcijnse Japanner Yamamoto een gewillige prooi voor iedereen die hem geld wil ontfutselen, totdat hij in een slechte buurt van L.A. het zwarte schoffie Denny (Omar Epps) tegen het lijf loopt. Als deze hem probeert te beroven, reageert Yamamoto razendsnel en onverbiddelijk.
Al snel wordt via flashbacks duidelijk dat de Japanner een verleden heeft als yakuza, dat hij achter zich heeft moeten laten wegens ernstige problemen met zijn bende in Tokio. In Amerika bouwt de doortastende yakuza in luttele tijd een misdaadimperium op, wat achtereenvolgens leidt tot gewelddadige botsingen met Spaanse drugsbaronnen, een concurrerende Japanse bende en de Siciliaanse maffia.
Te midden van al dit geweld raakt de enigmatische gangsterbaas bevriend met zijn trouwe assistent, dezelfde Denny waarmee hij eerder op straat nog korte metten maakte. De bijzondere band tussen de twee mannen wordt nergens uitgesproken, maar lijkt dieper te gaan dan de erecodes van het Japanse of het zwarte misdadigersgilde.
Gelanterfant
Niet alleen de sterke opening overtuigt, maar ook de manier waarop het kille en onpersoonlijke L.A. in de cameravoering wordt afgezet tegen het intieme maar tegelijkertijd claustrofobische Tokio. Bovendien heeft de film in Kitano een charismatische hoofdrolvertolker die - net als Clint Eastwood - alleen maar beter wordt met de jaren. De rol van de vermoeide gangster past hem onderhand als een tweede huid, zodat hij steeds minder hoeft te doen om steeds meer effect te sorteren.
Het nadeel van zijn enorme uitstraling is dat je hem meteen node mist als hij even uit beeld verdwijnt - alleen enkele Japanse tegenspelers lijken aan hem gewaagd. De Amerikaanse acteurs brengen het er helaas een stuk minder goed vanaf. Omar Epps is nog wel redelijk te pruimen in zijn scènes met Kitano, maar in zijn eentje bakt hij er bitter weinig van, met als tenenkrommend dieptepunt de (geïmproviseerde?) slotmonoloog waarin hij de betekenis van zijn vriendschap met de inmiddels roemloos gesneuvelde yakuza tot zich laat doordringen.
Los van het wisselvallige acteerwerk bevat Brother net wat te veel herhalingen van zetten. Vooral het eindeloze gelanterfant van Kitano's gangsters, dat in Sonatine (1993) zo sterk uitpakte, begint een beetje sleets te worden. Hetzelfde geldt voor de bijna routineus aandoende geweldserupties. Het lijkt erop dat de regisseur, die tot dusver vooral innig werd omarmd door Europese cinefielen, een Amerikaans publiek heeft willen aanboren met deze 'Kitano voor beginners'. Als het hem lukt de yanks voor zijn films te interesseren zij het hem gegund, maar het is wel te hopen dat hij na deze pas op de plaats de draad weer oppakt waar hij hem na Kikujiro liet liggen.
Fritz de Jong
Brother
Japan/Engeland/Verenigde Staten/Frankrijk, 2000
Productie: Jeremy Thomas en Masayuki Mori
Regie en scenario: Takeshi Kitano
Camera: Katsumi Yanagijima
Montage: Takeshi Kitano en Yoshinori Ota
Art direction: Anthony Stablev, Takavuki Nitta
Muziek: Joe Hisaishi
Met: Beat Kitano, Omar Epps en Claude Maki
Kleur, 113 minuten
Distributie: A-Film Distribution
Te zien: vanaf 23 mei