Juli/augustus 2001, nr 224
Stammenstrijd in een cinefiele utopie
Dat recensenten en bioscoopbezoekers het vaak roerend oneens zijn over de merites van populaire films staat vast: dat is anno 2001 zo en was twintig jaar geleden niet anders. Toen de Filmkrant op het toneel verscheen waren er twee keurig afgebakende filmculturen. Toekomstig redacteur Bart van der Put was een alleseter, die zich in een persoonlijke terugblik op de stammenstrijd verwondert over de Culturele Evolutie.
Waar René Mioch en Jac. Goderie zich in de jaren negentig zouden profileren als de Januskop van filmbeschouwend Hilversum, regeerde wijlen Simon van Collem begin jaren tachtig op "de treurbuis", zoals Gerrit Komrij de televisie destijds treffend typeerde. Al vertolkte de beminnelijke Van Collem in menig opzicht de vox populi, er waren kaskrakers die zelfs hem te ver gingen. Zoals nog immer gebruikelijk bij filmprogramma's voor een breed publiek gaf de kleine man met enige regelmaat een overzicht van de best bezochte films, waarbij een persoonlijke noot niet ontbrak. In 1980 ging dat soms gepaard met diepe zuchten van verontwaardiging, en ook voor menig dagbladrecensent markeerde het jaar een dieptepunt in de vaderlandse bioscoopgeschiedenis. Er draaiden genoeg mooie, leuke, spannende, belangwekkende en waarlijk fatsoenlijke films, maar het publiek koos in onthutsend grote getale voor ongeremde smerigheid.
De aanblik van een enorm rottend hoofd op een uithangbord van bioscoop Roxy aan de Amsterdamse Kalverstraat werkte als een magneet op sensatiezoekers: de film Zombies moest gezien worden! En hij werd gezien, door een schier eindeloze reeks bezoekers, die in veel gevallen meer kregen dan ze lief was. Het schaamteloos provocerend getitelde Zombie holocaust deed in hetzelfde jaar ook uitstekende zaken. Wie de filmkunst liefhad stak de verontwaardiging niet onder stoelen of banken, ook Simon van Collem niet. Herhaaldelijk sprak Vadertje Film zijn weerzin tegen de massaal omarmde wansmaak uit, maar het mocht niet baten.
Zwabber
Ver van de hoofdstedelijke krater bezocht ik als zestienjarige in een Eindhovense bioscoop het alom verguisde Zombies, en ook ik kreeg meer dan me lief was. De film van de Italiaan Lucio Fulci bleek een misselijkmakend bloedbad, dat sommige bezoekers op het luidkeels verliezen van de maaginhoud kwam te staan. Maandenlang moest het bioscooppersoneel na de voorstelling met de zwabber door de zaal, maar het euvel werd ongetwijfeld gecompenseerd door de omzet. De reden van mijn zelfverkozen martelgang was tweeledig: ik hield nu eenmaal van horrorfilms, en de recensent van het Eindhovens Dagblad had zich in niet mis te verstane bewoordingen niet alleen tegen de film, maar ook tegen het hele genre gekeerd. Hij stond daarin niet alleen. Mijn bezoek aan de film werd een daad van cultureel verzet.
Het jaar 1980 was het jaar van de bom, het jaar dat volgde kende de nodige naschokken. Er was de filmkunst en er was bagger, die voor menig scribent dermate verwerpelijk was dat een strikte scheiding der geesten niet uitbleef. Toen het eerste nummer van de Filmkrant in april 1981 verscheen was meteen duidelijk aan welke zijde van de keurig afgebakende scheidslijn men stond: hier regeerde de filmkunst. Die was mij niet vreemd, integendeel. Bladerend door de eerste jaargang herinner ik me een reeks prettige kennismakingen met Andrzej Wajda's De man van ijzer, Ben Verbongs Het meisje met het rode haar, Francois Truffauts Le dernier métro, meerdere films van Hitchcock en Kurosawa, en John Boormans Excalibur, die me dermate betoverde dat ik er drie keer naar toe ging. En met verbazing vraag ik me nu af waarom ik destijds niet al naar de later gekoesterde Japanse horrorfilms Kwaidan en Onibaba ben gegaan, al is het mogelijk dat ze in mijn regio niet vertoond werden. Bovendien verkoos ik het in horrorfilms gespecialiseerde Amerikaanse Fangoria boven verantwoorde periodieken als de Filmkrant: de stammenstrijd noopte tot stellingname, ook in de keuze voor een lijfblad.
Januari 1981.
Februari 1997.
Wingewest Europa
Hoewel het nieuwe filmblad volop oog had voor de recent overleden Hitchcock en een imposante reeks herontdekte Japanse regisseurs, ontbreken er in die eerste jaargang van de Filmkrant nogal wat oude meesters die destijds grote indruk op me maakten. Zo was ook het werk van persoonlijke favorieten als Fellini en Truffaut op het grote doek te zien, met dank aan ondernemende regionale bioscoopexploitanten. Let wel: het gaat hier niet om het filmhuiscircuit, dat altijd nauw met de Filmkrant verbonden is geweest, ook in de commerciële sector wilde men destijds regelmatig klassiekers op het programma zetten. Nu Hollywood Europa en de rest van de wereld tot een enorm wingewest heeft gemaakt, is het met die avontuurlijke programmering in de reguliere bioscopen gedaan. Dat valt zonder meer te betreuren, want het zou mooi zijn als er ook nu sprake was van een zeer divers aanbod van nieuwe en oude films in de grote complexen.
Is The mummy returns uitverkocht? Dan gaan we toch fijn naar die even vrolijke vampierfilm van Polanski in zaal 2! Zoiets mag anno 2001 als een cinefiele utopie klinken, twintig jaar geleden was het een gangbare en lucratieve praktijk: Dance of the vampires draaide onder de titel Met jouw tanden in mijn nek wekenlang met succes in commerciële bioscopen. De spaghetti-westerns van Sergio Leone bleken eveneens onverwoestbaar, net als het werk van landgenoot Fellini, die met Casanova de vermeende grens tussen grote filmkunst en pikant vermaak moeiteloos slechtte.
Frivole onderbroek
De scheidslijn tussen de hogere en lagere filmculturen was anno 1981 dus niet overal zo duidelijk waarneembaar als op de pagina's van de Filmkrant en menig dagblad. Het publiek bij die malle Casanova met zijn frivole onderbroek was allesbehalve uniform te noemen. Cinefiele dertigers zaten tijdens de voorstelling temidden van nieuwsgierige pubers als ik, en het leek de gewoonste zaak van de wereld.
Nu de programmering van commerciële bioscopen door eenduidig amusement gedomineerd wordt, en kunst al bij voorbaat in het filmhuis van het kaf gescheiden wordt, zal een dergelijke publieke kruisbestuiving slechts bij hoge uitzondering plaatsvinden. Daar is een grensoverschrijdende film als Crouching tiger, hidden dragon voor nodig. En dan te bedenken dat er twintig jaar geleden een onafzienbare reeks allerwegen genegeerde Chinese vechtfilms in de bioscopen draaide, waaronder films met de inmiddels wereldwijd populaire Jackie Chan en een weinig subtiel werkje als The crippled avengers, dat doodleuk als De gele tempelhonden werd uitgebracht. Nee, het virus van de politieke correctheid had nog niet toegeslagen. De kreupele wrekers waren geel en gedroegen zich als honden, dus die titel sloeg de spijker op zijn kop.
Smeerkees
Terugblikkend op de complete jaaroogst van 1981, duikt er in het segment commercieel amusement een aanzienlijk aantal films op dat inmiddels ook tot het ooit zo helder afgebakende bastion van grote filmkunst is toegelaten. Een gestoorde vrouw die een hele roedel moordlustige foetussen baart, dat is natuurlijk onstellend smerig. Een telekinetisch begaafd monster, dat door pure wilskracht de hoofden van zijn tegenstanders laat exploderen, dat is even goor als vergezocht. De maker van The brood en Scanners had aan goede smaak kennelijk geen boodschap: hij ging zich herhaaldelijk te buiten aan dergelijke, expliciet verbeelde bloederigheid. Hij werd op de eerste editie van het roemruchte Weekend of Terror in 1984 dan ook met een retrospectief in het zonnetje gezet. Zes jaar later gebeurde dat nogmaals, maar dan als onderdeel van het Filmfestival Rotterdam. Bij die gelegenheid schreef de eminente Jan Blokker het openings-essay voor de speciale festivalpublicatie 'Transformatie van een horrorfilmer'. David Cronenberg, want hij is de smeerkees in kwestie, werd door Blokker zowaar in één adem met Hitchcock en Buñuel genoemd, met de toevoeging: "maar of hij een maker van horrorfilms moet heten zou ik niet zo gauw durven zeggen". Juist ja.
Nog eens zes jaar later, we schrijven inmiddels 1996, maakte de regisseur met Crash furore in Cannes, waar een ernstig verdeelde jury hem een speciale prijs voor "moed, durf en originaliteit" toekende. Aan moed en durf had het die jury zelf kennelijk ontbroken, want een Gouden Palm zat er niet in. Vanzelfsprekend vond de Nederlandse première van de gewraakte film in Rotterdam plaats. In het festivalnummer van de Filmkrant stak ik mijn bewondering voor de regisseur en het meesterwerk niet onder stoelen of banken. Dat kwam me op een zeldzaam felle reactie van een festivalganger te staan: bij afwezigheid van de echte boosdoener ventileerde een lezeres haar woede in mijn richting. Hoe had ik deze gruwelijk nare film in godsnaam kunnen aanraden? Rotzooi was het, en blind was ik. Toen de tirade voorbij was, dacht ik even terug aan de memorabele voorstelling van Zombies. Het kan altijd erger.
Zombies van Lucio Fulci.
Verfbommen
In het jaar na Zombies terroriseerde Lucio Fulci de Nederlandse bioscoopbezoeker opnieuw met The beyond (L'aldilà), dat in het oeuvre van de Italiaan een heus meesterwerk mag worden genoemd. En verdomd als het niet waar is: in 1998 dook de film op in de programmering van datzelfde Filmfestival Rotterdam. Het lemma over de film in de catalogus sluit af met de constatering: "Quentin Tarrantino zei onlangs in een interview dat L'aldilà voor hem een van de fraaiste uitbeeldingen van de hel is". Een sterk staaltje grammaticale gerechtigheid: de naam van Fulci is correct gespeld, die van Tarantino niet, ook niet in de Engelse vertaling. Wat echter niet wegneemt dat het blokje Italiaanse genrefilms het karakter van een olijk bijprogrammaatje voor de freaks had, de canonisering van Cronenberg blijft een uitzondering. En het opvoeren van Tarantino spreekt boekdelen: zonder diens talent voor het slechten van voorheen in marmer uitgehouwen grenzen waren de Italianen misschien nooit tot de cinefiele Olympus doorgedrongen, zij het met een dagretourtje.
Onbetwist hoogtepunt was de aanwezigheid van Aristide Massaccesi, die ons land in 1981 onder zijn gebruikelijke pseudoniem Joe D'Amato verblijdde met de films Emannuelle en de handel in blanke slavinnen en Intieme kloosterbeelden. Wat die nonnen deden laat zich raden. D'Amato's pornofilms ontbraken in Rotterdam en zijn dekhengst Rocco Siffredi was ook niet aanwezig, maar hij dook twee jaar later in hoogste staat van paraatheid op in Catherine Breillat's Romance. In 1981 gooiden feministen verfbommen naar het Amsterdamse bioscoopdoek dat Brian De Palma's vermeend misogyne Dressed to kill reflecteerde, twintig jaar later klaagt men bij de vierde navolger van Breillat al verveeld dat het geneuk in de filmhuizen saai begint te worden. Joe D'Amato mocht het helaas niet meer meemaken: op weg naar een pornobeurs in Las Vegas overleed hij, nota bene een paar dagen voor zijn Rocco het Rotterdamse doek op stelten zette. Het zou hem in hoge mate geamuseerd en verbaasd hebben: ontboden worden in Rotterdam ging zijn pet tenslotte ook al te boven.
Voetstuk
Terugblikken op twintig jaar filmcultuur is even amusant als gemakkelijk, vooruitblikken onmogelijk. Als we ons proberen voor te stellen hoe de cinefielen van de smaakpolitie anno 1981 met een tijdmachine pardoes in het heden werden geslingerd, dan doemt de enkele reis naar het gekkenhuis, pardon, het psychiatrisch verzorgingstehuis, als vanzelf op. Het IJzeren Gordijn is niet de enige Muur die viel, maar er is eerder sprake van een Culturele Evolutie dan van een heuse Revolutie. En al lijkt het alsof er geen taboes meer bestaan en elke film welkom is, de huidige filmcultuur kent ook blinde vlekken, en authentieke wansmaak wordt automatisch in een ironiserend kader geplaatst. Dit is bagger en dat is kunst, zo luidde het vroeger. Dit is om te lachen en dat nemen we serieus, zo heet het nu. Cronenberg is het ultieme voorbeeld van een filmmaker die de veranderende tijdgeest aan zijn zijde vond, tijd- en genregenoot John Carpenter werd alleen door de altijd betrouwbare Fransen en een handjevol Amerikanen gecanoniseerd.
Maar u hoort mij niet klagen. In 1981 ging ik fijn uit mijn dak bij Carpenters Escape from New York (met fraaie trucages van een zekere James Cameron!), in 1996 mocht ik hem voor de Filmkrant interviewen over Escape from L.A., in Frankrijk, waar hem een warm onthaal wachtte. Abel Ferrara was ook ter plaatse, maar niet aanspreekbaar: hij had het zichtbaar te druk met het slopen van het voetstuk waarop hij met Bad lieutenant even was beland. Die Ferrara mag dan een warhoofd eerste klas zijn, met dank aan een Colombiaans exportproduct, hij heeft zich nooit iets van de kunstpapen aangetrokken. Wijlen Lucio Fulci zou hem ongetwijfeld heel goed begrijpen.
Bart van der Put