Analyze this - februari 2002, nr 230

Beoordelingsbril

Filmhistoricus Hans Schoots legt maandelijks de filmkritiek op de sofa.

Geef mij maar de bioscoop in plaats van een persvoorstelling. Je kunt natuurlijk pech hebben. Dan zit er pal achter je iemand met open mond te knagen. Wanneer je geluk hebt, klinkt tijdens de slotbeelden van Moulin Rouge het hartverscheurende gehuil op van een meisje uit het publiek, zoals ik meemaakte op een zaterdagmiddagvoorstelling in het Amsterdamse Pathé De Munt. Al die voor- en nadelen horen bij de werkelijkheid van de filmcultuur. Wanneer je schrijft over films die voor het zogenaamde popcornpubliek bestemd zijn, moet je ook tussen dat publiek willen zitten.
Toch kom ik weleens op een persvoorstelling. Het waren steeds zalen met honderd of tweehonderd plaatsen, waarvan er dan een stuk of twintig, dertig bezet waren met recensenten. Dit leek mij natuurlijk: het publiek was nadrukkelijk afwezig, vandaar de lege plaatsen. Inmiddels weet ik dat dit een eenzijdig beeld is. Kortgeleden was ik op een persvoorstelling voor de nieuwe film van de gebroeders Coen, in een zaal met tachtig zitplaatsen. Het gekke was: de zaal was vol. Vol recensenten dus, al zal er wel een enkele schoolkrantredacteur tussen hebben gezeten. Ik had er een heel raar gevoel bij, vooral omdat de anderen deden of het heel gewoon was. Terwijl het dus geen zaal was met mensen die van een film kwamen genieten, maar een zaal met alleen maar mensen die kwamen beóordelen. Even meende ik overal witte kartonnen beoordelingsbrilletjes te ontwaren.
In de filmwetenschap is het al een cliché dat iedereen zijn eigen film ziet. 'In the eye of the beholder', zoals dat heet. Daarbij spelen allerlei externe omstandigheden mee. Zoals de tijd waarin je een film ziet. Willem van de Sande Bakhuyzens Familie kwam zeer toepasselijk in december in de bioscoop. Mohsen Makhmalbafs Kandahar zou voor 11 september helemaal niet in een bioscoop als het Amsterdamse Tuschinski Arthouse vertoond zijn en de inhoud van die film is drastisch van betekenis veranderd. Dan heb je het soort publiek waarmee je een film ziet, de plaats waar dat gebeurt, de voorfilms, ze hebben allemaal invloed op wat een film ís. Het is heus niet hetzelfde of je de nieuwe Coen-film (The man who wasn't there) respectievelijk samen met tachtig critici, op het Filmfestival Rotterdam of in een bioscoop ziet. Wie weet zal de inmenging van het publiek iets afdoen aan het streng rationalistische in het nieuwe Coen-werkstuk. Tijdens een voorstelling van Familie, nota bene in De Uitkijk, traditioneel het Amsterdamse bolwerk van de zuivere filmkunst, werd door heel wat toeschouwers gelachen op momenten waarop de regisseur dat duidelijk niet beoogd had. Daarmee veranderde het publiek van De Uitkijk die film.
Wetenschappers sloven zich tegenwoordig uit met onderzoeken naar de relatie tussen film en 'context'. Er zijn zelfs overtuigende studies naar de invloed van het bioscoopinterieur op de filmbeleving. De analyse van de film zelf verdwijnt niet, maar raakt ingebed in een groter geheel.
Op de beroepsuitoefening van filmrecensenten lijkt dit alles weinig invloed te hebben. Een film wordt doorgaans op zichzelf gesteld. Eventueel wordt de invloed van de eigen smaak en achtergrond van de criticus in de beschouwing betrokken. Wanneer er achtergrondinformatie wordt verstrekt, gaat die meestal over de productiekant, zelden over wat zich aan onze kant van het witte doek afspeelt. Het is niet helemaal bevredigend. Niet dat ik zelf een kant en klaar recept heb voor wat alle nieuwe inzichten over de cinema betekenen voor het filmbespreken. Wel denk ik dat het een mooi begin zou zijn, wanneer critici vaker met publiek naar een film keken en de publieksreacties in hun besprekingen zouden betrekken.

Hans Schoots

Naar boven