Februari 2002, nr 230

Hedwig and the angry inch

Vurige glamrock en punk

Hedwig and the angry inch, van oorsprong een off-Broadwaysucces, is een onversneden celebratie van een specifiek hoekje in de popcultuur: gender-bending, punk-angehachte neo-glamrock.

Plezierig idioot.

De Amerikaan en Hedwig-regisseur/schrijver/hoofdrolspeler John Cameron Mitchell heeft de pop-sensibiliteit van Priscilla, Queen of the desert, The rocky horror picture show en Velvet goldmine omwikkeld in hetzelfde snoeprolletje. Hij beschikt echter over een essentieel ander popgevoel dan Australiërs (Priscilla) en Engelsen (Velvet goldmine, door Amerikaan Todd Haynes met een distinct Brits gevoel gemaakt). Amerikanen gaan namelijk, anders dan hun Angelsaksische tegenvoeters, geheel op in hun popcultuur. Alsof ze alles ernstig nemen, en pop extrapoleren naar een hele lifestyle - zie, om maar een voorbeeld te noemen, een tot in de puntjes gotische Marilyn Manson. Een geheel andere houding dan Britten en Australiërs, die er altijd in slagen om tegelijk de aanstekelijkheid van het beoefende popgenre over te brengen én het absurde daarvan in te zien. Lol hebben en dat relativeren tegelijk.
Dat tekort aan relativering zit Hedwig and the angry inch in de weg. Zeker gezien Mitchell met zijn film nou juist wil laten zien hoezeer (sub)culturen, ook al kunnen ze troost en geborgenheid bieden, een persoonlijke ontwikkeling kunnen frustreren. Vooral die van degenen die tussen wal en schip vallen.
Want hoofdpersoon Hedwig heeft het niet erg getroffen. Opgegroeid in Oost-Berlijn maar (via de radio) verlangend naar westerse romantiek vol Ann Murray, Iggy Pop en David Bowie, wordt hij 'bevrijd' door een zwarte Amerikaanse GI die wel met hem wil trouwen - op voorwaarde dat hij zich laat ombouwen. De operatie gaat gruwelijk mis, wat hem met een verminkt piemeltje achterlaat (de 'angry inch' uit de titel). Man noch vrouw wordt hij door de GI verlaten, en een volgend vriendje brengt ook weinig vreugde: die gaat er met de door Hedwig gecomponeerde muziek vandoor en wordt een wereldster. Het enige dat Hedwig nog rest is een tournee als 'internationally ignored artist' langs cafetaria's, al doende een muur van gevat sarcasme om zich heen bouwend.

Aplomb
Hoe plezierig idioot deze verwikkelingen ook zijn, ze worden gepresenteerd met een aplomb dat hoort bij de Amerikaanse neiging al het popcultureels als één afgesloten, al bestaand, zichzelf rechtvaardigend geheel te zien - een geheel dat smaakt naar Priscilla, Velvet en Rocky horror, met een vleugje Rosa von Praunheim-achtige 'anything goes' en het melodramatische element van Fassbinders Die Ehe der Maria Braun. Smakelijke mix, dat wel, maar was Hedwig zich iets bewuster geweest van de kunstmatigheid van deze wereld, dan had zij ongetwijfeld net wat meer haar best gedaan om (net als Priscilla) de kijker bij de hand te nemen. Leuk bedacht allemaal, denkt die nu, maar het zal wel.
Dus moet de film zijn aanstekelijkheid geheel en al halen uit de overtuigingskracht van de performance. En laat die nou in één woord overdonderend zijn. De glamrock- en punknummers zijn bijzonder smakelijk, en worden door Mitchell gebracht met een vurigheid alsof het zijn laatste optreden is. Misschien wel juist omdàt hij nauwelijks gevoel voor relativering heeft. Waardoor de kijker zich uit pure bewondering voor zijn act alsnog - zij het laat - gewonnen geeft. Liep die Off-Broadwayversie nog maar - je raakt benieuwd naar de live-versie.

Chris Buur

Hedwig and the angry inch
Verenigde Staten, 2001
Productie: Pamela Koffler, Katie Roumel, Christine Vachon
Regie: John Cameron Mitchell
Scenario: John Cameron Mitchell, Stephen Trask
Camera: Frank G. DeMarco
Montage: Andrew Marcus
Muziek: Stephen Trask
Art direction: Thérèse DePrez
Met: John Cameron Mitchell, Michael Pitt, Miriam Shor, Stephen Trask, Maurice Dean Wint
Kleur, 95 minuten
Distributie: A-Film Distribution
Te zien: tijdens het Filmfestival Rotterdam en vanaf 28 februari in de bioscoop

Naar boven