Heijs - april 2002, nr 232

In de vorm van de Pierre Bayle-prijs voor kunstkritiek heeft de Rotterdamse Kunststichting sinds het verdwijnen van de Cinemagiaprijs, ooit uitgereikt door de beroepsvereniging van film- en televisiemakers NBF, in ieder geval op filmgebied een unicum in handen. Eens in de negen jaar maakt een filmcriticus kans op de Rotterdamse prijs. En voor wie het nog niet wist: die ging een maand geleden naar Hans Beerekamp, al 25 jaar criticus bij NRC Handelsblad, redacteur van het Filmjaarboek en onder nog wel meer columnist en necrologie-schrijver bij de Filmkrant.
De jury, waar ik met Henk Bitter (Filmhuis Arnhem) en André Waardenburg (hoofdredacteur Skrien) deel van uitmaakte, schetste in haar eindrapport een niet al te rooskleurig beeld van de stand van zaken in de vaderlandse filmkritiek. Daarmee sloot ze aan bij de mening van de vorige jury, waar toen onder anderen - inmiddels wijlen - Ellen Waller (de grande dame van de Nederlandse filmkritiek) en Mieke Bernink (ex-hoofdredacteur Skrien) in zaten.
De kritiek op de treurige stand van zaken werd enerzijds ingegeven door de al geringere ruimte voor filmkritiek in de dagbladen in het algemeen en anderzijds door de vrij eenzijdige benadering van film, in de vorm van recensies en interviews met makers, bij voorkeur filmsterren. De achterliggende gedachte bij de Pierre Bayle-prijs is dat in kritiek ook ruimte moet zijn voor achtergronden, verbanden, debat, essayistiek. Voor het laatste is bij de meeste dagbladen absoluut geen ruimte meer. Een zeer gunstige uitzondering is juist NRC Handelsblad, de krant die Beerekamp de ruimte biedt andere stukken te schrijven dan louter recensies. Dat geeft hem een voorsprong op zijn collega's van andere dagbladen.
Toch meende Beerekamp in zijn dankwoord bij de uitreiking en een paar dagen later in zijn krant het sombere beeld van de jury te moeten bijstellen. Zo erg was het allemaal niet en menig buitenlands criticus zou met begerige oogjes een blik werpen op de "filmpagina's in Nederlandse dagbladen". Welke pagina's denk ik dan? Want in de meeste dagbladen wordt er op woensdag dan wel donderdag niet meer dan enige ruimte op de kunst- of mediapagina ingeruimd voor filmrecensies en interviews met makers en sterren. That's it. Altijd is er te weinig ruimte. De NRC is een gunstige uitzondering schreef ik al, want daar is ook op vrijdag in het Cultureel Supplement nog ruimte voor meer over film. En de inhoud daarvan wordt bepaald door de redacteuren zelf. Dus geen verplichte nummertjes als stukken over sterren die nauwelijks iets te vertellen hadden bij een groepsinterview op een Londense of Hamburgse hotelkamer.
Natuurlijk mogen en moeten dat soort stukken ook, en daar heb je ook bepaalde kranten en bladen voor. Maar Beerekamp moet nu niet net doen of het overal zo lekker gaat als bij zijn krant. Waarom legde destijds Pieter van Lierop zijn functie neer bij het Utrechts Nieuwsblad? Omdat Wegener zo ingenomen was met zijn ideeën over het brengen van film in die krant en de bijbehorende kopbladen? En waarom is Peter van Bueren meer dan vijftien jaar het leven zuur gemaakt bij de Volkskrant? Met als gevolg dat een niet aflatende oorlog van opeenvolgende kunstchefs (meestal literatuurredacteuren) tegen hem en tegen film in die krant er nu eindelijk toe heeft geleid dat hij met ingang van deze maand met vervroegd pensioen is gegaan. Als je nu in de wekelijkse kunstbijlage artikelen over allerlei kunstvormen tot je hebt mogen nemen en je je door alle advertenties, agenda's en bijbehorende tips hebt mogen doorworstelen, bungelen daar tegenwoordig in de Volkskrant ook nog wat pagina's achteraan waarop films besproken worden en een achtergrondstukje prijkt, gelardeerd met wat gratuite filmnieuwtjes. Over de wijze waarop film in de regionale kranten aandacht krijgt zal ik hier verder maar niet in gaan.
In zijn dank- dan wel weerwoord is Beerekamp gewoon te lief voor zijn collega's, die er misschien niet veel meer aan kunnen doen dan wekelijks hun stukjes door te mailen in de hoop dat ze een mooi plekje in hun krant zullen krijgen. Maar mede door zo'n houding zal filmkritiek ook maar zelden een hogere vlucht nemen in ons land. De ruimte is schaars en aan debat is in de hogere krantenregionen kennelijk geen behoefte.
Eigenaardig toch, want op het gebied van literatuur is dat absoluut anders. Nu loopt die kunstvorm een paar eeuwen langer mee, maar rechtvaardigt dat dat talloze dag- en weekbladen er complete literatuur-bijlagen op na mogen houden? Zichzelf respecterende filmcritici en -journalisten moeten juist meer ruimte bevechten in hun media, en ruimte ook voor andere, verdergaande stukken. Artikelen met een langere adem, waardoor er een veel beter klimaat ontstaat voor filmkritiek - in de ruimste zin des woords - en onderling debat.
Wat ik in zo'n verband typerend vind is dat er dit jaar bijvoorbeeld biografieën verschenen van schrijvers als Menno ter Braak en Hans Lodeizen; die van Willem Brakman en Jan Arends staan op punt van verschijnen. Op filmgebied is in ons land tot nu toe alleen Joris Ivens redelijk uitputtend behandeld en mag Paul Verhoeven zich beroemen op een biograaf. Maar wie stort zich eens serieus op mensen als Van der Horst, Haanstra, Rademakers, Ditvoorst, Van der Keuken, Weisz, Van Brakel of Verhoeff?
Filmcritici en -journalisten moeten zich gezamenlijk sterk maken voor ruimte, die het nut, het gelijk en het mooie van hun vak en de door hen besproken kunstvorm aantoont. Als mede-uitgever van de Filmkrant en het Filmjaarboek - en eenmalig jurylid - probeer ik daar op mijn manier mijn steentje aan bij te dragen.

Jan Heijs

Naar boven