Analyze this - mei 2002, nr 233

Bloedneuzen

Filmhistoricus Hans Schoots legt maandelijks de filmkritiek op de sofa.

Conceptuele kunst, dat is kunst waarbij het niet gaat om het kunstwerk zelf, maar om de gedachte die de kunstenaar in zijn hoofd heeft. De extreemste vertegenwoordigers van die richting maken helemaal niks, ze dénken alleen. De New-Yorkse beeldend kunstenaar Robert Barry kondigde ooit een tentoonstelling van zijn 'werk' aan met de woorden: "Tijdens de expositie is de galerie gesloten." Het is wel duidelijk dat zo'n stroming grote aantrekkingskracht uitoefent op mensen die niet zulke hele grote kunstenaars zijn en bovendien te licht om echt filosoof te worden.
'Waar heb je het over, dit is de Filmkrant', hoor ik u zeggen. Inderdaad, als er iets is waaruit de vitaliteit van het filmmedium blijkt, is het wel dat het conceptualisme er marginaal blijft. En als Mike Figgis (
Leaving Las Vegas) niet boos was geworden, was ik er ook niet over begonnen. Figgis, wiens film Timecode zowaar in twee achtereenvolgende jaren (2001 en 2002, 'Remix') op het Filmfestival Rotterdam mocht draaien, vindt dat hij ondergewaardeerd wordt door de critici. Hij heeft daar in het Britse dagblad The Guardian lucht aan gegeven. In zijn dromen slaat hij de recensent van de Los Angeles Times een bloedneus en het recensentendom in het algemeen heet een sta-in-de-weg voor de vooruitgang. Vooral over de veelgehoorde opinie dat hij met zijn werk op een doodlopende weg terecht is gekomen windt hij zich vreselijk op. Er zijn allicht filmmakers die gelijk hebben wanneer ze hun critici vervloeken, maar of Figgis daarbij hoort? Je zou hem tegenwoordig namelijk een conceptueel filmmaker kunnen noemen. Wanneer hij een - meestal technische - vondst heeft bedacht, schijnt hij te denken dat hij klaar is. De rest is tamelijk zielloze uitvoering, hoeveel werk er misschien ook in wordt gestoken. De split-screen film Timecode is daar een goed voorbeeld van. Het beeld is meestal in vieren gedeeld en in de vier kaders zien we wat vier verschillende mensen op hetzelfde tijdstip doen. Doordat ze elkaars pad kruisen, ontstaat er een verhaallijn. Typisch zo'n experiment dat een keer gedaan moet worden omdat het nou eenmaal technisch mogelijk is. Maar leidt het artistiek gezien ergens toe? Levert het amusement op? In Timecode nauwelijks. En evenmin in Figgis' recente Hotel, de post-Dogma-film waarin de hele clou van de zaak een verbetering van de camera-uitrusting lijkt te zijn. In de besprekingen waarover de regisseur zo boos is, duiken termen op als 'stomvervelend' en 'slaat nergens op'. 'Het is de plicht van de kunstenaar om te exploreren', schrijft Mike Figgis in zijn repliek. Kan zijn, maar wie exploreert is nog geen kunstenaar. In het verleden heeft Figgis goede films gemaakt, dus 'doodlopende weg' is een perfecte samenvatting van de situatie waarin hij terecht is gekomen. Soms kan een filmmaker er zijn voordeel mee doen naar de critici te luisteren in plaats van ze bloedneuzen te willen slaan.

Hans Schoots

Naar boven