Mei 2002, nr 233

Franse cinema

Asterix tegen Hollywood

Terwijl in de laatste decennia nergens in Europa Hollywood een strobreed in de weg werd gelegd, wierpen de Fransen een stevige dijk op. Het leverde meewarige blikken op van de voorstanders van vrije concurrentie. Zij zagen een achterhoedegevecht van onverbeterlijke chauvinisten. Achterhoedegevecht? De Franse cinema slaat hard toe. Hollywood krabt zich achter de oren.

Total western.

Clichés zijn hardnekkig, dus valt nog steeds het woord 'praatfilm' in discussies over de Franse cinema. Franse films gaan toch altijd over driehoeksverhoudingen, waarover eindeloos wordt geneuzeld? Het oordeel hoor je meestal van mensen die in jaren geen Franse film hebben gezien. In cinefiele luiheid staat Nederland zijn mannetje.
Dat geldt niet alleen voor bioscoopbezoekers, maar ook voor beleidsmakers. In Nederland weten we alles beter, dus speelde het Franse filmproductiesysteem vijf jaar geleden geen rol in de discussie over hoe de Nederlandse filmcultuur in de vaart der volkeren kon worden opgestoten. 'Belastingvoordelen' werd een toverwoord en 'cv-constructie' een magische spreuk. Fiscale aftrekposten moesten rijkaards verleiden hun geld in film te steken. Het leverde de laatste twee jaar een hausse op aan Nederlandse en half-Nederlandse films. De hosanna-sfeer is inmiddels omgeslagen in een rouwstemming, want 'Den Haag' maakte met de invoering van het nieuwe belastingstelsel een einde aan het filmfeest.
De Nederlandse filmbranche is terug bij af. Typisch geval van op het verkeerde paard wedden. Horen we de Fransen lachen? Decennia zijn ze verketterd om hun culturele chauvinisme. Meewarig werd er gelachen om hun weerstand tegen de Amerikaanse poging om cultuurgoederen als wasmiddelen te behandelen. In de wereldhandelsorganisties GATT en WTO stonden ze in 1993 alleen in hun verdediging van het recht om de nationale filmcultuur te beschermen tegen volledige vrijhandel. De Hollywood-lobby sputterde tegen, maar de Fransen hielden stand. In het internationale vrijhandelsverdrag werd een clausule opgenomen die de Fransen het recht geeft om met specifieke maatregelen hun filmindustrie te beschermen. Sindsdien spreken we van 'de Franse uitzondering'.

Chauvinisme
Hardcore kapitalistische ideologen spraken schande van de Franse culturele dwarsliggerij. Ze zagen een achterhoedegevecht van een volk dat de zegeningen van globalisering niet op waarde wist te schatten. Wat bedachten de Fransen voor verschrikkelijks? Met twee simpele maatregelen houden ze hun filmindustrie overeind: twintig procent van de inkomsten van televisiestations en een paar dubbeltjes van elk verkocht bioscoopkaartje steken ze in de nationale filmproductie.
Het levert kapitaal voor een omvangrijke nationale filmproductie. Vorig jaar werden er 145 films gemaakt. Met de coproducties erbij bedraagt het aantal 171. Het maken van deze films kostte 813 miljoen dollar. Ter vergelijking: de Amerikaanse filmindustrie gaf vorig jaar 7,7 miljard dollar uit. Inmiddels kan de Franse filmindustrie niet meer zonder de financiële bijdrage van de televisie. Vooral Canal+ is belangrijk: de tv-zender levert jaarlijks eenderde van het totale Franse filmbudget. In 2000 steunde het met een gemiddelde bijdrage van 8,9 miljoen franc ruim tweederde van de filmproductie.
Als bezwaar tegen het Franse systeem is altijd ingebracht dat het films oplevert die niemand wil zien. Wat heb je aan films die voor lege zalen draaien omdat het publiek Hollywoodfilms leuker vindt? Het met krukken en stutten overeind houden van een filmcultuur leidt tot een museumcultuur. Het leek een sterk argument, omdat weinig Franse films commercieel succesvol waren. Begin jaren negentig leek de Franse film, zeker vanuit een internationaal perspectief, veroordeeld tot het getto van de artfilm, waaraan het grote publiek geen boodschap had.
Voor Nederlandse politici - altijd dol op simpele rekensommetjes over kosten en baten - zou dat voldoende reden zijn om de stekker eruit te trekken, maar Franse politici zitten anders in elkaar. Ze rekenen culturele uitingen niet alleen af op de publieke belangstelling. Critici noemen dat cultureel chauvinisme, maar die typering zegt meer over hun eigen culturele bekrompenheid. Voor hen heeft de filmcultuur geen intrinsieke culturele waarde, maar is hij slechts amusante franje die het niet waard is om verdedigd te worden. Voor Franse politici is film cultuurbeleid, voor Nederlandse politici industriebeleid.

Purperen rivier
De laatste tijd zijn de critici van de Franse benadering opvallend stil. Begrijpelijk want het Franse systeem blijkt ook commercieel succesvol. Tot verbazing van subsidiehaters is de Franse filmcultuur geen museumcultuur geworden. Het jaar 2001 was commercieel een topjaar. Na 1947 trokken Franse films nooit meer publiek dan vorig jaar. Meer dan veertig procent van het totale bioscoopbezoek, dat bijna 190 miljoen bedroeg, betrof een Franse film. Vier films trokken meer dan vijf miljoen bezoekers en staan daarmee in de top tien van 2001. Recordhouder is Jeunets
Amélie met acht miljoen bezoekers.
De (her)ontdekking van de genrefilm, de lessen van Hollywood en een Franse touch gaven de Franse filmcultuur nieuw commercieel élan. In Nederland merken we er weinig van, omdat hier nog steeds voornamelijk Franse artfilms worden uitgebracht. Het werk van de Catherine Breillats (Romance, Fat girl) krijgen we te zien, maar films van genrefilmers als Mathieu Kassovitz worden ons onthouden. Het is onterecht, want juist de Franse genrefilm heeft een geweldige ontwikkeling doorgemaakt. Daarmee bedoelen we niet Besson, want die bewees met The fifth element dat hij als filmmaker zijn eindstation heeft bereikt. De filmmaker maakt zijn naam tegenwoordig ten gelde met het schrijven en produceren van commercieel gelikte en in eigen land razend populaire actiekomedies als Taxi en Taxi 2.
Spannender zijn de genrefilmers die commercieel inzicht en een spannende inhoud combineren. Zoals twee jaar geleden Kassovitz met Les rivières pourpres (De purperen rivier), waarin Jean Reno een inspecteur van politie speelt, die in een klein stadje op zoek gaat naar een seriemoordenaar. Het spoor wijst naar een universiteit, die een duistere broedplaats blijkt van rassentheorieën en ideëen over genetische manipulatie van de menselijke soort.
Filmcriticus Roger Ebert van de Chicago Sun-Times omschrijft de ook in Amerika succesvolle film als een "adembenemende oefening in het macabere, een ijzingwekkende thriller met grillige rechercheurs en een moordenaar van Lecteriaanse complexiteit." Hij voegt eraan toe dat "als de makers van de volgende Hannibal Lecter-film Mathieu Kassovitz niet inhuren, ze gek zijn". In Nederland niet te zien.

Politiefilm
Kassovitz is niet de enige die Hollywood de baas kan, maar in Nederland merken we er niets van. De meeste Franse genrefilms die we naast artfilms wel te zien krijgen, zijn blockbusters als Astérix et Obélix en remakes van populaire tv-series als Belphégor, le fantôme du Louvre. Het zijn geen representatieve films voor de nieuwe ontwikkelingen in de Franse cinema. Af en toe passeert er een uitzondering, zoals vorig jaar Le pacte des loups en momenteel Vidocq.
Toch geven ook deze visueel spectaculaire films geen juiste indruk, omdat niet het produceren van enkele topfilms de huidige Franse filmcultuur interessant maakt - dat kon men altijd al - maar de ontwikkeling in de breedte. De Franse filmcultuur heeft geen waterhoofd, maar is over de hele linie sterk in ontwikkeling. In Nederland is het in de bioscoop en filmtheaters onmogelijk om daarvan kennis te nemen, maar een goede indruk geven de zes videotitels die Dutch FilmWorks onder de wat overspannen, maar niet helemaal onjuiste naam 'de Franse filmrevolutie' uitbrengt.
Vidocq is er een van, maar er zijn meer interessante titels. Zoals Un ange van Miguel Courtois. De film doet denken aan Jean van de Veldes Lek, maar is intrigerender en onheilspellender. Un ange overtreft met gemak de gemiddelde Amerikaanse politiefilm die wel in de Nederlandse bioscoop is te zien. Ook Roberto Succo (wel goed genoeg voor Cannes, niet voor Nederland) van Cedric Kahn over een seriemoordenaar, doorstaat glansrijk de vergelijking met Amerikaanse films. Hetzelfde geldt voor Total western van Marc Olla, waarin jonge criminelen het met elkaar aan de stok krijgen.
Met de thematiek overspel komt Mademoiselle van Philippe Lioret dicht in de buurt van de conventionele Franse artfilm. Toch onderscheidt de film zich ervan, omdat het overspel niet tot groot drama leidt. Een aardige tragikomedie is Les portes de la gloire van Christian Merret-Palmair. De film gaat over een groepje verkopers dat aan de deur boeken probeert te slijten. De sfeer tussen de morsige mannen, hun illusies en tevergeefse ambities leveren geen schokkende maar wel een aangename zwart-humoristische film op.

Les portes de la gloire.

Aanval
Het is ironisch dat juist nu de 'Franse culturele uitzondering' commerciële vruchten afwerpt, de aanval erop wordt geopend. Deze keer niet van buitenaf, maar van binnenuit. Eind vorig jaar verklaarde bestuursvoorzitter Jean-Marie Messier van het Franse mediabedrijf Vivendi, dat onder meer de eigenaar is van Canal+ en de Amerikaanse Universal Studio, de 'Franse culturele uitzondering' dood. Na protest van de Franse filmwereld en het hele politieke spectrum nuanceerde hij zijn woorden, maar de strekking was duidelijk: Messier wil af van de verplichting dat Canal+ twintig procent van zijn inkomsten in Franse films moet steken. Het contract loopt tot 2004, maar een ongewijzigd nieuw contract lijkt onwaarschijnlijk.
Messiers opmerking komt voort uit de groei van Vivendi tot mediamultinational, zodat Frankrijk voor het concern geen prioriteit meer is. Door de aankoop van Universal vorig jaar, en later Seagram, verschoof het bedrijfsbelang naar Amerika, waar Vivendi in Hollywood en de tv-wereld een poot aan de grond probeert te krijgen. Messiers internationale ambities zijn groot, wellicht te groot, want het bedrijf boekte vorig jaar een recordverlies van 13,6 miljard euro. Horen we nu Hollywood lachen? Als Vivendi instort, sleept het Canal+ mee in zijn val, zodat de grootste financier van de Franse film van het podium verdwijnt. Wat de GATT en de WTO niet lukte, lukt de wereld van het snelle kapitaal misschien wel: het om zeep brengen van de 'Franse culturele uitzondering'. Snel Franse films zien nu het nog kan.

Jos van der Burg


Franse filmproductie

JaarFranse filmsCoproductiesSteun Canal+
199610427?
199712533?
199814832139
199915031140
200014526115

Naar boven