Juli/Augustus 2002, nr 235

Nederlandse film in de Tweede Wereldoorlog

Propaganda en collaboratie

Bertrand Taverniers Laissez-passer gaat over de Franse filmindustrie in de Tweede Wereldoorlog. Hoe gedroeg de Nederlandse filmwereld zich in die periode?

Op de set van Rembrandt (1941).

"Werden er in de oorlog films gemaakt?", vraagt men je vaak als je zegt dat je al jarenlang onderzoek doet naar de Nederlandse film in de Tweede Wereldoorlog. Jawel, je kunt het zo gek niet bedenken of het is in Nederland in die tijd gemaakt: speelfilms, documentaires, propagandafilms, animatiefilms, reclamefilms en jeugdfilms. Er zou heel goed een Laissez-passer over de Nederlandse filmindustrie gemaakt kunnen worden. Er zijn zelfs een paar historische verbanden tussen wat in de film van Tavernier is te zien en wat in Nederland in die tijd gebeurde.
Zo was de Duitse filmproducent Alfred Greven, die in Laissez-passer voorkomt, ook in Nederland geen onbekende. Greven werd aan het begin van de oorlog na ruzie met Joseph Goebbels belast met de opbouw van de filmindustrie in door de Duitsers bezette landen. Hij vestigde zich in Parijs, waar hij de productiemaatschappij Continental Film oprichtte, maar hij was ook in Nederland actief. Zo haalde hij onder andere de Nederlander Egbert van Putten uit Berlijn. Van Putten was daar kringleider van de Nationaal-Socialistische Beweging maar schreef ook met Fritz Langs ex-vrouw Thea von Harbou het scenario voor Heinz Rühmanns Lauter Liebe (1940). Van Putten kreeg als opdracht om in Den Haag een nieuwe filmmaatschappij op te richten, speciaal voor animatiefilms en documentaires. De firma, die Nederland Film ging heten, produceerde onder andere de ambitieuze, antisemitische tekenfilm Van den vos Reynaerde (1941-1943). De tekenfilm met een Disney-achtige allure bracht het nooit tot reguliere bioscoopvertoning. De documentaire-afdeling van Nederland Film realiseerde een flink aantal korte films, waaronder Wie gaat mee? (Reinier Meijer, 1942) over de Nederlandse symfonieorkesten. Ook de eerste professionele films van Rudi Hornecker kwamen uit deze studio, zoals Trekweg (1942), een fraaie impressie van het leven van binnenschippers in de strenge winter van 1941-1942, en Alles voor het kind/Achter de schermen van een warenhuis (1942), dat een buitengewoon charmant filmpje is over de etaleurs van Horneckers vroegere werkgever De Bijenkorf. Hornecker, die aan het einde van de oorlog zijn wereldberoemde film over de hongerwinter maakte (Honger!, 1945), had overigens vlak voor de oprichting van Nederland Film bij Greven gewerkt in Parijs. Hij maakte er in opdracht van Greven een documentaire over de fonteinen van de lichtstad, maar omdat hij meer tijd doorbracht in de plaatselijke cafés dan achter de camera werd hij teruggestuurd naar Den Haag.

Spiegelzijde
Er werden ook speelfilms geproduceerd in Nederland. Ze werden gemaakt in de door de Duitsers ingepikte Amsterdamse Cinetone Studio en Loet C. Barnstijns Filmstad in Wassenaar. De studio's waren door de Duitsers omgedoopt in Ufa-Filmstadt Amsterdam en Ufa-Filmstadt Den Haag. De Duitsers gebruikten de twee studio's optimaal, want terwijl er in Amsterdam aan decors werd gebouwd, draaide men in Wassenaar. Een paar dagen later verhuisde men naar Amsterdam om er in de zojuist voltooide decors te filmen, terwijl in Den Haag de volgende scènes werden voorbereid. De speelfilmproductie in de oorlog was de spiegelzijde van de Nederlandse speelfilmproductie in de jaren dertig. In het decennium voor de oorlog - Kathinka Dittrich heeft er een mooi boek over geschreven - kwamen veel voor het nazisme gevluchte Duitse regisseurs, cameramannen en andere technici naar Nederland om hier met Nederlandse acteurs Nederlandse films te draaien. Tijdens de oorlog waren de meeste technici Nederlands, met uitzondering van de regisseurs, maar stonden er Duitse acteurs voor de camera. Van de achttien speelfilms die in de oorlog in Nederland zijn gemaakt, hadden twee een uitgesproken Nederlandse thematiek: Rembrandt (Hans Steinhoff, 1942) en het niet afgemaakte Tierarzt Dr. Vlimmen (Boleslav Barlog, 1944). De Duitse films die hier werden gedraaid, waren niet de minste en er speelde een keur aan Duitse filmsterren in. Vooral Magda Schneider, de moeder van Romy, moet het filmen in Nederland plezierig hebben gevonden, want ze stond in 1943 en 1944 driemaal in ons land voor de camera (Die heimlichen Bräute, Ein Mann für meine Frau en Eines Tages).
Er waren in de oorlog ook Nederlandse filmbedrijven werkzaam die al voor die tijd bestonden. Zo was Haghefilm, het filmbedrijf van Willy Mullens, actief als ondertitelaar. Het leverde onder andere de Nederlandse versie van de Deutsche Wochenschau. In Haarlem was Multifilm van de wetenschappelijk filmer J.C. Mol sinds de jaren twintig actief. In de oorlog maakte het bedrijf onder andere opdrachtfilms met een cultureel-historisch tintje, zoals Het land van Dordt (Mannus Franken, 1941). Ook printte het Duits filmmateriaal, onder meer voor Degeto-smalfilmdistributie, een Duitse firma met een kantoor in Amsterdam, waar oud-Filmligaman Ed. Pelster de scepter zwaaide.

Wanhopige kreet
De journaalfirma's Polygoon (Haarlem) en Profilti (Den Haag) waren, zoals de onlangs overleden filmhistoricus Jitze de Haan ontdekte, al voor de oorlog in het geheim gefuseerd. Ook in de oorlog ging de schijnbare concurrentie door, al kon iedereen die een beetje alert was in de loop van de oorlog wel ontdekken dat het één firma was, omdat een compilatie van korte speelfilmpjes en animatiefilmpjes van beide makelij onder de titel Polygoon's film variété in 1942 in de bioscoop kwam. Ook distribueerde Polygoon de door Profilti geproduceerde tekenfilms van Hendrik de Vogel over Tijl Uilenspiegel. Verder maakten deze firma's iedere week een filmjournaal, totdat ze in 1944 tot een fusie werden gedwongen met hun Duitse partner, zodat er vanaf die tijd onder de titel Nederlands Nieuws nog slechts een bioscoopjournaal was. Bij Polygoon/Profilti werd in de oorlog de enige Nederlandstalige speelfilm gemaakt. De film werd in de zomer van 1942 door Polygoon-veteraan Walter Smith onder de titel Drie weken huisknecht op kasteel Vorden en in de kleine filmstudio van Profilti in Den Haag gedraaid. Het betrof een verfilming van het toneelstuk 'Adel in livrei' van Henk Bakker met in de hoofdrollen de bekende acteurs Paul Steenbergen en Mathieu van Eysden. De film, over de komische rolverwisseling van een kasteelheer en zijn bediende, was eind december 1942 klaar, maar pas in maart 1944, bijna anderhalf jaar later, ging de film in première. De recensies waren vernietigend.
Beter verging het de productie van korte speelfilmpjes, die in steeds langer wordende voorprogramma's werden vertoond. Er werd begonnen met reclamedia's, die soms een politiek karakter hadden, getuige in het NIOD bewaard gebleven dia's voor de Nederlandsche S.S. en de Winterhulp. Vervolgens kwam het journaal, waarvan de lengte kon oplopen tot een kleine drie kwartier. Daarna werd een korte documentaire vertoond. Het toetje was soms een Wat een tijd-filmpje. Die door Nederland Film gemaakte filmpjes maakten op slapstick-achtige wijze mensen belachelijk, die niet in het nationaal-socialisme geloofden. Centraal in de filmpjes staat de heer Roddelaere Verroest (NSB-acteur Jan C. de Vos) die op oorlogsproblemen als voedselschaarste, het uitblijven van de geallieerde aanval en een zoon die wél wat ziet in de Nieuwe Orde, reageert met de wanhopige kreet: "Wat een tijd!". De filmpjes werden in een voor die tijd ongekend aantal van vijftig kopiëen in roulatie gebracht en verplicht vertoond in alle bioscopen.

Goede zaken
De tegenwoordig zo succesvolle Nederlandse jeugdfilms werden in de oorlog vooral op smalfilmformaat gemaakt. De 16-mm films waren door de materiaalschaarste en vooral het gebrek aan nieuwe films gewoon in de bioscoop te zien. De bekendste jeugdfilm was de verfilming van De Vletters boek Zeven jongens en 'n oude schuit (G. Gerritsen, 1942).
Het gebrek aan nieuwe films leidde er ook toe dat de Nederlandse speelfilms uit de jaren dertig in de oorlog vrijwel allemaal opnieuw in distributie kwamen. Ze waren behoorlijk succesvol, ondanks dat de films door 'filmtsaar' Jan Teunissen opnieuw waren gekeurd, waarbij hij alle joodse medewerkers uit de titelrol had geknipt. Tot ver na de oorlog dachten velen dat Jonge harten (1936) alleen een film van Charley Huguenot van der Linden was, omdat de naar Amerika uitgeweken co-regisseur Heinz Josephson van de credits was verwijderd. Dat euvel was zelfs in het begin van de jaren negentig nog niet verholpen, constateerde Josephson, toen hij in het Filmmuseum werd geëerd met een programma.
De filmproductie in de oorlog speelde zich af in de context van overvolle bioscopen. Volgens Frans van den Berg, in de oorlog filmbooker bij Odeon Film en later bij Centrafilm, hadden de bioscoopbazen nog nooit zulke goede zaken gedaan. Het bioscooppubliek verslond naast films van eigen bodem ook Duitse films en die uit bezette landen als Frankrijk, Hongarije en Tjecho-Slowakije. Alleen in de periode kort ná de oorlog werd het bioscoopbezoek uit de oorlog overtroffen toen het publiek weer kon genieten van Engelse en Amerikaanse films.

Egbert Barten


Laissez-passer

Schop tegen heilige Franse huisjes

Wat deden Franse filmmakers tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog? Sommigen filmden door, anderen verlieten het vak. Is het een beter dan het ander? In Laissez-passer brengt Bertrand Tavernier een hommage aan degenen die doorgingen.

Laissez-passer: de held heeft nog tijd voor zijn vrouw over.

Sommige films willen net niet uitgroeien tot een meesterwerk. Het bijna drie uur durende Laissez-passer is zo'n film. Hij had het magnus opus moeten worden van de 63-jarige Tavernier, die met de film een polemische knuppel in het Franse hoenderhok van denken over oorlog en verzet gooit. Die daad bleeft in intellectueel Frankrijk niet zonder gevolgen, zodat de film werd gekraakt. Volgens de meeste recensenten herschrijft Laissez-passer de oorlogsgeschiedenis en dat bedoelen ze niet als compliment. De 'oerconservatieve' Tavernier beschuldigden ze van revisionisme, want de film zou collaboratie met de nazi's vergoeilijken. Een minder grote zonde, maar in cinefiel Frankrijk ook goed voor de schandpaal, is Taverniers hommage aan de Franse cinéma de papa. De film lijkt te betogen dat Truffaut en consorten in de jaren vijftig dankbaar gebruik maakten van de door de oorlog verzwakte positie van hun voorgangers. Sommigen, waaronder Maurice Tourneur, werden na de oorlog op beschuldiging van collaboratie al dan niet tijdelijk uitgesloten, anderen waren niet in staat om de draad weer op te pakken. De voormannen van de nouvelle vague hoefden maar te blazen om het terrein voor zichzelf te hebben. Tavernier, die nooit veel op had met de nouvelle vague, rekent met Laissez-passer af met het karikaturale beeld dat Godard en anderen met veel polemisch vertoon van de 'oude' Franse cinema uitdroegen.

Goed en fout
Belangrijker dan Taverniers afrekening met de nouvelle vague is zijn behandeling van collaboratie en verzet. Laissez-passer, dat op ware personages en feiten is gebaseerd, reconstrueert de situatie in de door de Duitsers gecontroleerde Parijse filmstudio Continental in 1942 en 1943. Tavernier schetst een hectisch beeld van het leven in de studio. Het is een komen en gaan van actrices, scenaristen, sjouwers en filmmakers, zodat de kijker het in het begin niet makkelijk heeft. De volhouder wordt beloond, want de film spitst zich na een tijdje toe op twee fascinerende personages: scenarist Jean Aurenche en regieassistent Jean Devaivre. Aurenche stapt op bij Continental uit protest tegen de Duitse bezetting en het wegvoeren van de joden; Devaivre blijft doorwerken, maar is ook actief in het verzet. Hoewel Devaivre Taverniers held is, gaat het de maker niet om heldendom, maar om het inzicht dat goed en fout in oorlogstijd geen simpele begrippen zijn. Waren filmmakers die in de oorlog doorwerkten fout? Ook als zij hun films een verborgen anti-Duitse boodschap meegaven? Zijn degenen die aan de zijlijn staan per definitie goed? Eeuwige vragen, waarop geen eenduidig antwoord mogelijk is. Franse critici die Laissez-passer als een foute geschiedenisles afdoen, bewijzen dat zij een gebrekkig psychologisch inzicht hebben. Menselijk gedrag is complex en vaak tegenstrijdig, zodat de etiketten goed en fout slecht passen. Het is Taverniers verdienste dat hij dit met Laissez-passer, dat iets te afstandelijk is om briljant te kunnen worden genoemd, tot een onontkoombare conclusie maakt.

Jos van der Burg

Laissez-passer
Frankrijk, 2002
Productie: Frédéric Bourboulon
Regie: Bertrand Tavernier
Scenario: Jean Cosmos, Bertrand Tavernier
Camera: Alain Choquart
Montage: Sophie Brunet
Muziek: Antoine Duhamel
Met: Jacques Gamblin, Denis Podalydès, Charlotte Kady, Marie Desgranges, Philippe Morier-Genoud
Kleur, 170 minuten
Distributeur: A-Film Distribution
Te zien: vanaf 25 juli

Naar boven