April 2003, nr 243
Iraakse cinema
Dictator zonder filmliefde
De meeste dictators zijn dol op film. Stalin had een privé-filmzaal in het Kremlin. Ook Hitler zag geregeld films. Beiden stimuleerden de filmindustrie. Saddam Hoessein heeft hun filmliefde slecht bestudeerd: de dictator laat geen bloeiende Iraakse filmcultuur achter. De tachtigjarige Iraakse acteur en regisseur Khalil Shawky: "Men wilde alleen propagandafilms."
Al-haris (De nachtwaker) van Khalil Shawky, over een verliefde nachtwaker die wordt afgewezen.
Over Stalins filmliefde doen legendarische verhalen de ronde. De dictator, die zoveel mogelijk films zag, riep filmmakers op het matje als hun films afweken van de partijlijn, maar zelf hield hij van Amerikaanse films. Volgens de Russische filmmaker Leonid Trauberg, die behoorde tot de eerste groep revolutionaire filmmakers, was zijn favoriete film het sentimentele Boys' town, waarin Spencer Tracy als priester jonge criminelen terugvoert naar het rechte pad.
Hitlers filmliefde was minder groot, maar ook hij zag veel films. Hij was vooral geïnteresseerd in documentaires en bioscoopjournaals, maar van speelfilms genoot hij ook. Evenals Stalin had hij curieuze voorkeuren. Volgens sommige historici was King Kong zijn lievelingsfilm, maar anderen houden het op Fritz Langs Metropolis. De filmindustrie profiteerde van de filmliefde van beide dictators. In communistisch Rusland en nazi-Duitsland mochten films een cent kosten. Op een figurant en een draaidag meer of minder werd niet gekeken. Getalenteerde filmmakers die zich aanpasten aan het regime, leefden in een paradijs.
De filmliefde van Saddam Hoessein steekt schraal af bij die van Stalin en Hitler. Zou hij een lievelingsfilm hebben? Onder zijn regime ontwikkelde zich geen filmindustrie van betekenis. Jaarlijks werden er niet meer dan twee of drie speelfilms gemaakt. Volgens de in 1979 uit Irak naar Nederland gevluchte Intishal Altimimi, programmeur van het Arabisch Filmfestival (derde editie in juni), is de televisie de oorzaak van Saddams geringe filminteresse. "Irak was het eerste Arabische land waar de televisie werd geïntroduceerd. Dat gebeurde al in 1956. Toen Saddam Hoessein met zijn Baa'th Partij in 1968 aan de macht kwam, gebruikte hij de televisie als hét propagandamedium. Film had geen prioriteit."
Het klinkt plausibel: Saddam wilde een moderne leider zijn en daarbij paste het nieuwe medium. Toch voldoet de verklaring niet helemaal. Waarom heeft buurland Iran wel een rijke filmgeschiedenis en Irak niet? Ondanks Khomeiny's islamitische revolutie in 1979, die de filmcultuur bijna van de kaart veegde, behoort de Iraanse cinema tot de beste in de wereld.
Revolutie
Het verschil in filmcultuur tussen Iran en Irak is immens. Het is onbekend hoeveel Iraanse films er in totaal zijn gemaakt, maar de internet-database IMDB telt meer dan vijfhonderd titels. Bij Irak komt hij niet verder dan veertig. Volgens Altimimi moet het aantal twee keer zo groot zijn, maar ook als dat klopt, blijft het verschil enorm groot. Eén reden is de veel oudere filmgeschiedenis van Iran. De eerste Iraanse filmschool werd in 1925 opgericht en in de jaren dertig werden de eerste Iraanse films gemaakt. Vooral na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de filmindustrie zich razendsnel. Tussen 1950 en 1965 werden meer dan driehonderd films geproduceerd, wat neerkomt op een gemiddelde van meer dan twintig films per jaar. In de vijftien jaar erna liep het aantal iets terug, maar het land behield een sterke filmcultuur. De islamitische revolutie zorgde voor een terugslag - sommige fundamentalisten streefden naar sluiting van alle bioscopen - maar de nationale cinema kwam de klap te boven. In het begin van de jaren negentig begon de internationale opmars van filmmakers als Mohsen Makhmalbaf en Abbas Kiarostami.
In Irak verliep de ontwikkeling van de nationale cinema veel moeizamer. De reden is de roerige geschiedenis van het land, dat tot de Eerste Wereldoorlog deel uitmaakte van het Osmaanse Rijk. Er na kwam het onder bestuur van de Volkerenbond, die het als mandaatgebied aan de Engelsen toewees. In 1932 werd het een onafhankelijke staat, maar de interne tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen stonden de vorming van een nationale identiteit in de weg.
Het zou tot 1946 duren voordat met The sun of the orient de eerste Iraakse speelfilm werd gemaakt. Het is veelzeggend dat er een Egyptische regisseur aan te pas kwam. Tot een sterke nationale filmindustrie kwam het niet. In de jaren vijftig en zestig werden jaarlijks zelden meer dan twee films gemaakt. Toen Saddam Hoesseins dictatoriale regime zich in de jaren zeventig stevig vestigde, werd zelfs dat aantal nauwelijks nog gehaald.
Naji Al-Ali van Kasim Abed, over de vermoorde Palestijnse cartoonist Al-Ali.
Leiband
De tachtigjarige Khalil Shawky, die sinds 1995 in Nederland woont, maakte als acteur en scenarist vijf decennia Iraakse cinema mee. Hij begon als theateracteur aan het einde van de jaren veertig en speelde vanaf 1956 in acht Iraakse films en een groot aantal tv-drama's. Ook schreef hij scenario's en regisseerde hij een film: Al-haris (De nachtwaker), die in 1968 op het in die tijd in de Arabische wereld prestigieuze filmfestival in Tunesië de tweede prijs won. Dat hij er na nooit meer een film regisseerde, wijt hij aan Saddams regime.
"Tot 1968 werden er goede Iraakse films gemaakt. Filmmakers waren vrij om te maken wat ze wilden, maar het veranderde toen de Baa'th Partij zich ermee ging bemoeien. De afdeling film op het ministerie van Cultuur oefende strikte controle uit. Het werd voor mij steeds moeilijker, omdat men alleen nog propagandafilms wilde. Een aantal van mijn scenario's werd afgewezen, maar ik heb nog wel voor anderen geschreven." Als regisseur kwam Shawky niet meer aan de slag, maar wel als acteur. In 1973 speelde hij een rol in Al-zamioun ('De dorstigen') van Mohamed Shukri Jameel. Ook bleef hij actief in het theater en werkte hij voor de radio.
Altimimi noemt Jameel een van de filmmakers die aan de leiband van het regime liep. Hoe politiek en film met elkaar verweven waren, bleek uit de Russische lof voor Iraakse films. Saddam onderhield warme banden met het regime in de Sovjet-Unie, met als beloning tenminste zeven nominaties voor Iraakse films op het filmfestival in Moskou. Dat Iraakse films alleen in Moskou prijzen wonnen, tekent het politieke karakter van de prijzen. Jameel was recordhouder, want van hem werden drie films genomineerd voor beste film: in 1973 Al-zamioun, in 1979 Al-Asuar (De muren) en in 1983 Al-masala al-kubra (Botsting tussen loyaliteiten). Hij won overigens nooit. Dat lukte als enige Iraakse filmmaker Saleh Abouseif in 1981 met Al-qadisiya.
De dichter van de kroontjespen van Mohamed Tawfik, over de Iraakse dichter en caligraaf Mohamed Sa-d Saggar.
Musical
Dat Saddam de Iraakse cinema beknotte maakt hem niet bijzonder, want elke dictator legt het culturele leven aan banden. Wel opmerkelijk is de absolute controle die de dictator uitoefende. In de Sovjet-Unie stond de cinema ook onder politieke controle, maar het verhinderde niet dat er meesterwerken werden gemaakt. In de Russische dictatuur kon een gewiekste filmmaker de censors om de tuin leiden, maar in Irak was dat onmogelijk. Filmmakers die niet wilden collaboreren met het regime hadden slechts één uitweg: vertrekken. Velen hebben dat gedaan, waaronder niet de minsten.
Shawky is niet de enige die in Nederland terecht kwam. Kasim Hawal is van hen misschien de belangrijkste. Hij vertrok in 1970 uit Irak, maar keerde vier jaar later terug. Hij maakte documentaires en drie speelfilms, waaronder in 1978 Houses in that alley. De film viel verkeerd bij het regime en kreeg een ander einde. De maker vertrok voor de tweede keer en maakte in onder andere Libanon films over het lot van de Palestijnen. In Syrië maakte hij met een Palestijnse cast de eerste Palestijnse speelfilm. Hawal is nog steeds actief en bereidt een boek voor over de geschiedenis van de Iraakse cinema. Daarin zal de verfilming van Saddams roman 'Men and city' niet voorkomen. De dictator heeft de laatste jaren drie romans gepubliceerd, waarvan overigens wordt betwijfeld of hij de auteur is. Zijn tweede roman 'Zabiba and the king' werd een paar jaar geleden bewerkt tot een patriottische musical ('Een epische les in liefde voor het vaderland, ongeacht de gevaren', prees een Iraakse recensent), zijn derde roman 'Men and city' zou omstreeks deze tijd worden verfilmd. Het is te laat; de Iraakse filmcultuur zal niet meer worden verrijkt met dit meesterwerk.
Jos van der Burg
Het derde Arabisch Filmfestival vindt plaats van 11 t/m 18 juni in Rotterdam. Info: www.arabfilmfestival.nl
Borderline
De aanval op Irak trekt minder televisiekijkers dan de Golfoorlog destijds, meldde het ANP kort na het begin van de oorlog. Over doden, en die moeten er toch na 1000 kruisraketten in 24 uur ook gevallen zijn, heb ik (het is nu vier dagen na het begin van de oorlog) nog niets gelezen. Voorlopig wordt het succes van de 'shock and awe'-strategie afgemeten aan de kijkcijfers. Dat de wereldgeschiedenis zich op prime time op twintig televisienetten afspeelt, is sinds de Golfoorlog een gegeven. Nieuws, speculaties, feiten, meningen, propaganda zijn sindsdien spelers geworden in een commerciële race om de kijkcijfers. De verwarring over de betrouwbaarheid van de informatievoorziening is nu, ruim tien jaar later, niet anders. Tijdens het zappen kon je in de eerste dagen na het begin van de Amerikaanse aanval opeens voormalige CNN-correspondent Peter Arnett (nu NBC) op diezelfde kalm-panische toon horen zeggen: "We've heard explosions." Een licht gevoel van déja-vu. Weer bombardementen in de nacht, weer die vage beelden die overal gemaakt hadden kunnen zijn en toch een angstwekkend onbegrijpelijk gevoel van nabijheid geven.
Dana Linssen
Maar dit keer wordt er op televisie dus minder naar gekeken.
"Ik heb besloten om alleen maar naar het nieuws te kijken deze keer. Oorlog is niet iets waar je op de televisie naar kijkt. Oorlog is geen film", aldus een mediaverslaafde filmkijker in mijn omgeving.
Toen er nog bijna helemaal geen beelden waren, de eerste uren na de aanval, zonden veel zenders een compilatie uit van bominslagen in een nachtelijke stad, groene tanks in een groene woestijn, Amerikaanse soldaten in Koeweit en rennende kamelen. Zonder commentaar en met een onbeduidend muziekje leek het wel een experimenteel videokunstwerk. De herhaling werkte hypnotiserend.
En desoriënterend.
Oorlog is geen film. Televisieverslaggeving is geen film. Maar als er een gebeurtenis zo groot als een oorlog - met kreten en leuzen waar geen scenarioschrijver tegenop kan, ontwikkelingen die als cliffhangers werken, achtergronden die Griekse tragedies, Freudiaanse motieven en oeroude angsten suggereren -, als zo'n verhaal uur na uur in eindeloze modulaties overal om je heen te zien is, dan is het soms wat moeilijk om niet te denken dat je in een gefictionaliseerde werkelijkheid verzeild bent geraakt.
Ik ga hier niet betogen dat die verwarring ontstaat als 'the message' en 'the medium' elkaar dreigen op te slokken. Of dat je tussen verbeelde fictie en verbeelde werkelijkheid slecht causale verbanden kan trekken, omdat altijd en eeuwig de metafoor er als stoorzender tussen zit (ook in nieuwsbeelden).
In plaats van te bewenen dat 'de oorlog wel een film lijkt' en Saddam en Bush twee hoofdpersonen in een slechte western, is het interessanter eens te kijken naar wat de filmfictie wel te bieden heeft wat tot begrip kan leiden. Begrip over deze situatie, over oorlog en haat in het algemeen en over de psychologische mechanismen die daartoe leiden. Ik geef twee voorbeelden van twee Amerikaanse films, die toevallige dit voorjaar allebei de Nederlandse bioscopen bereiken en allebei over de Amerikaanse geheime dienst gaan. Confessions of a dangerous mind is alweer even uit. In die film naar de memoires van televisieproducent Chuck Barris beweert de hoofdpersoon dat hij in zijn vrije tijd huurmoordenaar voor de CIA was. Dit wordt door de CIA natuurlijk bij hoog en laag ontkent. Wel verleende de dienst medewerking aan The recruit, waarin veteraan Al Pacino een jonge aspirant-agent leert "dat alles spel" is en "alles een test".
Deze twee films gaan over de schizofrene, borderline-achtige persoonskenmerken en over de instituties die hun voortbestaan veiligstellen door paranoïde gedrag te stimuleren, die nu tot een oorlog leiden. In een poëtisch gerechtvaardigd universum is het niet toevallig dat deze films nu hun publiek opzoeken.