Mei 2003, nr 244

Ongezien gezien: Douglas Sirk

Vallende bladeren

Je kent ze wel, van die klassiekers die je eigenlijk had moeten zien, maar het kwam er niet van, of je had er niet zo'n zin in, en voor je het wist dacht je dat je ze al gezien had. In een reeks artikelen onderzoekt de Filmkrant de 'guilty omissions' van filmliefhebbers. Deze keer: Douglas Sirk.

Jane Wyman en Rock Hudson in All that heaven allows (foto: Universal).

De jaren vijftig, dat zijn voor mij de jaren van de sciencefictionfilms, van de monsterfilms, van Billy Wilder. Melodrama's, die kwamen er niet in. 'Women's films', alleen die vreselijke benaming al. Geef mij maar jongensboekenavonturen over xenofobische aardlingen en megalomane uitvindingen; dan pas leer je de menselijke aard kennen, dacht ik, niet via zoetsappige films met een achterhaald man-vrouwbeeld. Totdat ik een paar jaar geleden Gone with the wind zag en als een van de laatsten op aarde ontdekte dat het helemaal niet de romantische film was die de overbekende poster beloofde. Ze trouwen halverwege en dan begint de ellende pas goed. Die film, een van de mooiste ooit gemaakt, is uit 1939, 15 jaar later zou Douglas Sirk het stokje overnemen en 'the master of the weepies' worden.
Douglas Sirk. Het enige wat ik van hem wist is dat hij oorspronkelijk Detlef Sierck heette, echt zo'n oudbakken filmquiz-vraag, maar ook dat blijkt niet te kloppen. Volgens de Katz is hij in 1900 geboren als Claus Detlev Sirk, heeft die naam later verduitst en hoefde in Hollywood dus alleen zijn voornaam te veranderen. En ik heb Far from heaven gezien, dus dan denk je de getroebleerde pastelwereld waar Sirk zo beroemd mee is geworden, wel te kennen.
Met wie kun je tegenwoordig nog een boom opzetten over Sirk? In de jaren vijftig stroomde het publiek massaal toe, maar werden zijn films genegeerd door de filmkritiek. Totdat Cahiers du cinéma hem ontdekte als auteur. In de jaren zeventig bogen feministen en neo-Marxistische critici zich over 'het vrouwbeeld' in zijn films en zijn kritiek op het kapitalisme, gevolgd door de homostudies, maar de rest van de wereld keek naar The godfather. Afgezien van een viertal Sirk-films op de VPRO-televisie in 1985 (onder protest van kijkers die dit soort sentimentele films kwetsend voor hun intellect vonden), is er nooit meer wat van hem te zien geweest. Op video is ook niets te krijgen. Het wordt de bewonderaar van Far from heaven dan ook behoorlijk moeilijk gemaakt om de inspiratiebron tot zich te nemen. Onbevooroordeeld. Zonder ironische distantie. Zonder het woord 'gedateerd', of nog erger, 'semiotische tekst' op het puntje van de tong te hebben liggen.
Maar als de camera aan het begin van All that heaven allows (1956) van de kerktoren via de herfstkleurige bladeren bij een auto blijft stilstaan (door Todd Haynes in Far from heaven gekopieerd), telt alleen nog de film. Dit is mooi. En het wordt alleen maar mooier, en dat betekent in dit geval: droeviger.

Hert
Het is dat huis. Als ze daar eenmaal uit is ontsnapt, dan komt het wel goed. Dat huis met veel te veel ongebruikte meubels, waar de weduwe Cary (Jane Wyman) langzaam verdroogt, totdat ze de tuinman (Rock Hudson) op de thee vraagt.
Rock Hudson, die kende ik alleen maar uit fragmenten van hilarische documentaires als Rock Hudson's home movies (waarin zijn films als bewijzen voor zijn homoseksualiteit moeten dienen) en zag daarna pas mijn eerste Rock: Giant. All that heaven allows is de tweede, en het moet gezegd worden: hij maakt nog steeds indruk, zijn onverzettelijke 'innerlijke rust' heeft iets onnatuurlijks maar ook iets begerenswaardig. Echt acteren doet hij niet. "Rock is een boom", zei Sirk-bewonderaar Fassbinder.
"Het merendeel der mensen leidt een leven van stille wanhoop", leest de naar zingeving zoekende en constant twijfelende Cary in een boek van Thoreaux. Zijzelf is dankzij de tuinman aan een tweede jeugd begonnen, maar ze kan niet tegelijk moeder en minnares zijn. Haar zoon en dochter zijn tegen het huwelijk en zien hun moeder liever achter de geraniums verwelken zodat de buren niets te roddelen hebben. Met Kerst kopen ze een televisie voor haar, terwijl zij eerder in de film een tv-verkoper resoluut de deur heeft gewezen. Het is een van de meest trieste scènes in de film: de glanzende tv ("drama, komedie, het hele leven trekt aan u voorbij", aldus de verkoper) weerspiegelt haar gezicht.
Loopt het goed af? Ja en nee. Sirk zei in het boek 'Sirk on Sirk': "Ziet u, er is geen werkelijke oplossing voor de hachelijke toestand waarin de mensen verkeren, alleen de deus ex machina, die tegenwoordig het 'happy end' wordt genoemd." Na de huwelijksplannen onder sociale druk te hebben opgeschort, keert Cary bij haar geliefde terug aan zijn ziekbed. Nu kan ze deze eigenwijze, zelfvoorzienende man eindelijk verzorgen, maar wat als zijn hersenschudding over is? Het hert in de sneeuw met 'The end' erover heen wenst hen veel wijsheid.
Een hert. Na Mars attacks! kun je zulks niet meer serieus nemen, zou je denken. Maar Sirk is de ironie voor. Bij hem betekent het echt wat, een onthechting van de natuur, een zoeken naar een eigen stem terwijl iemand je vanuit zijn ooghoeken volgt. Sirk heeft zelf vele lagen aangebracht die kunnen worden geïnterpreteerd, het zogenaamde 'lezen van een scène', waarbij de zorgvuldige mise-en-scène, kadrering, cameravoering en kleurgebruik een eigen rol opeisen, maar een afstandelijke blik hoeft dat niet op te leveren. Je geeft je over. Niet op de manier zoals mensen van soaps schijnen te genieten, want daar heeft Sirk weinig mee van doen.
All that heaven allows en Far from heaven hebben niet toevallig raakvlakken met [safe], de verpletterende film van Todd Haynes uit 1995. De huisvrouw uit de gegoede klasse (Julianne Moore) die zich in [safe] opsluit in een zuurstoftent uit angst voor besmetting door de buitenlucht, heeft veel weg van de weduwe uit Sirks film, die ook door haar milieu wordt vergiftigd. Zij hoopt zich terug te trekken in een door de tuinman verbouwde molen om zo dichter bij zichzelf te komen, maar je ziet aan alles dat ze ook daar niet op haar gemak is. Waar ben je eigenlijk wel thuis?

De rivier
Weer die takken. Nu zwiepen ze heen en weer en slaan schaduwen op de muur. Kyle scheurt met een sportwagen langs eindeloze boortorens, en gooit een fles drank tegen de muur. Lucy (Lauren Bacall) zeigt huilend over de bedrand.
Het is 1957, en de film heet Written on the wind. Douglas Sirks extraverte drama slaat een andere toon aan dan All that heaven allows. De wereld van oliemagnaten neemt zijn eigen drama mee. Het is een wereld waar vrouwen worden versierd via privé-jets en een slet een rode jurk draagt. Maar dan komt de Sirk-draai. De slet danst moederziel alleen op de rumba, terwijl we in een cross-cutting haar vader van de trap zien vallen. En ze verlangt naar de verloren dagen die ze als klein meisje bij de rivier doorbracht met haar broer en zijn vriend (weer Rock Hudson) op wie ze verliefd is. Maar het verval is ingezet en niet meer te stoppen. Ze blijft uiteindelijk alleen achter met een miniatuur ja-knikker in haar hand. Serieuze filmwetenschappers zien hier natuurlijk onmiddellijk een fallisch symbool in, maar het lijkt me niet erg als je er gewoon een miniatuur ja-knikker in ziet.
Drama genoeg, maar in feite zitten de personages stil. En van nietsdoen word je ongelukkig, weet ook de weduwe uit All that heaven allows. Neuroses, impotentie en seksuele misverstanden vieren hoogtij, en Sirk is zo openhartig over de taboes als hij in die tijd kon zijn.
En geen melodrama zonder muziek (want daar staat 'melo' voor). Het nummer 'Written on the wind' gaat dieper in op de takkenmetafoor: "Net als vallende bladeren hebben we onze dromen weggegooid. De beloftes die we hebben gemaakt zijn fluisteringen in een bries." De wind, de bladeren, de rivier: uit Sirks films spreekt een diep verlangen naar de natuurmens die onbevooroordeeld en zuiver in het leven staat, maar als hij eenmaal onder de groepsdruk van een sociale klasse staat, verliest hij zijn onbevangen blik. En dan is de natuur weer handig om de neergang mee te verbeelden.
Zoals de steriele oliemagnaat Kyle ook doet: "Het is net alsof ik diep in een bergpas sta met sneeuwkappen boven mijn hoofd. Als ik een kik geef komt de sneeuw misschien naar beneden en word ik levend begraven."
Levend begraven. Zou Douglas Sirk toch eigenlijk horrorfilms hebben gemaakt?

Mariska Graveland

Naar boven