Mei 2004, nr 255

Kiyoshi Kurosawa

Ik lieg nooit

De vaak ijzingwekkende films van Kyoshi Kurosawa gooien al jaren hoge ogen op het Filmfestival Rotterdam, maar krijgen daarna zelden een bioscooproulement. Bright future is een uitzondering.

Kiyoshi Kurosawa.

Het is al weer wat jaartjes geleden dat binnen het aanbod van Japanse films op festivals (zoals dat van Rotterdam) een naam opdook die allereerst opviel vanwege de gelijkenis met Akira Kurosawa, de beroemdste Nippon-regisseur. Later werd die naam, Kiyoshi Kurosawa, synoniem voor dubbelzinnige en prikkelende (genre)films als Cure (1997), Charisma (1999) en vooral het verpletterende Pulse (2001), een soort apocalyptisch visioen waarin de wereld door schaduwen en zelfmoorden overspoeld wordt. Zijn twee films uit 2003, Bright future en Doppelgänger, vielen beide dit jaar in Rotterdam te zien en eerstgenoemde werd gekozen voor een Nederlandse distributie. Dat mag opvallend heten gezien het gesloten en abstracte karakter van deze film, dat ver verwijderd staat van de frisse, speelse en veel toegankelijker vorm van Doppelgänger. Valt er in die film hard te lachen wanneer tegen het einde de ene na de andere koddige gebeurtenis de revue passeert, in Bright future is het ernst en soberheid troef. Centraal staat de vriendschap tussen een extreem gesloten en een extraverte jongeman, terwijl een invasie van giftige, lichtgevende kwallen Tokio teistert en stuurloze pubers de straten onveilig maken.
Zoals elke vader zijn kind verdedigt weet ook Kiyoshi Kurosawa tijdens een vraaggesprek wel raad met de kritiek dat hij zijn bekende ambivalentie zó ver doorvoert dat het voor de kijker moeilijk wordt zich met de personages te identificeren. Kurosawa: "Al mijn films gaan over het leven in Tokio en daarop is Bright future geen uitzondering. Gewoonlijk verlopen mijn films volgens de patronen van het horrorgenre, maar deze keer heb ik die regels overboord gezet en geprobeerd een zo realistisch mogelijk portret van de stad te scheppen. Ik heb dus helemaal geen abstracte film willen maken. Het probleem is dat ik het altijd moeilijk vind om te zeggen dat A klopt en B onjuist is. Hoe meer ik nadenk, hoe meer álles waar wordt. Die uitdaging heb ik nodig. Ik wil geen gemakkelijke conclusies trekken, ik toon alleen de grenzen van mijn conclusies. Dat levert natuurlijk een bepaalde mate van ambivalentie op. Maar ik lieg nooit."

Ratjetoe
Bright future werd opgenomen in High Definition-video, een digitaal formaat dat bij steeds meer regisseurs in trek raakt. In tegenstelling tot filmpuristen die het 35mm-formaat heilig hebben verklaard kijkt Kurosawa nogal nuchter tegen deze ontwikkeling aan. Kurosawa: "Het werken met HD is niks bijzonders. De camera is slechts een machine - de realiteit blijft analoog. Ik heb ermee gewerkt omdat ik snel en met weinig licht wilde opnemen, maar tegelijk toch het beeldcontrast hoog wilde houden. Die hele digitale poeha en al die discussies over de toekomst van de cinema stellen niks voor, dat hebben ze in de muziek met de cd toch al lang achter de rug?"
Laten we het dan over een andere boeg gooien: Kurosawa's positie binnen de Japanse filmcultuur. Dat blijkt een betere zet, want de cineast begint aan een monoloog waarin hij zichzelf in perspectief zet binnen een lange traditie: "Het befaamde Japanse studiosysteem is ingestort en zodoende wordt er niet meer op grote schaal talent ontwikkeld zoals dat vroeger gebeurde. Destijds hadden de studio's een gegarandeerd hoge kwaliteit in acteurs, sets, technici en cameramensen, waardoor in alle genres uitstekende films konden worden gemaakt. De regisseurs en de scenarioschrijvers waren hoog opgeleide mensen, echte intellectuelen. Zij vormden de elite, verdienden goed en hadden een hoge sociale status. Als je in 2004 de ambitie bezit om filmregisseur te worden moet je op eigen houtje beginnen en kan je niet meer bij een studio aankloppen. Dat heeft ook zijn goede kanten: als het je lukt de financiering van je projecten rond te krijgen, maak je alleen de films die je echt wilt maken. Je maakt de film uit liefde en niet omdat de studio je voortdurend van een basissalaris voorziet."
"Je moet ook niet vergeten dat Tokio zich in de jaren tachtig ontwikkelde tot het Mekka der cinefielen. Er waren al voortdurend retrospectieven en oude films in de bioscopen te zien en met de komst van video en laserdisc nam het aanbod enorm toe. Japanse bedrijven brachten van alles uit, van pulpfilms tot grote kunst, uit allerlei landen en allerlei decennia. Japanners zijn filmgek, maar Japanse filmmakers ook, we kijken voortdurend films. De generatie die met al die invloeden opgroeide maakt de Japanse film van nu erg interessant. Ik zie mezelf dan ook niet als een uniek type in de Japanse cinema. We hebben allemaal veel vrijheid. Sommigen van ons werken hard aan een bepaalde visie of stijl en juist die films worden in het buitenland opgepikt en gewaardeerd. Maar dat betekent niet dat dat groepje Japan vertegenwoordigt. Je hebt twee werelden: die van de auteurs en die van de mainstream-regisseurs. Takeshi Kitano en ikzelf bevinden ons in een schemergebied tussen die twee werelden, we creëren een soort hybride. Als ik eerlijk ben maken we eigenlijk allebei een soort ratjetoe."

Cataclysmen
Een gesprek met Kiyoshi Kurosawa komt hoe dan ook ooit terecht bij de vraag waarom hij zoveel horrorfilms maakt. En aangezien de Japanse horrorfilm sinds een paar jaar mondiaal succes oogst (met Ringu, Pulse, Dark water en Ju-On) en er Amerikaanse remakes zoals The ring en het aanstaande Dark water volgen, moet die vraag in een groter verband worden getrokken. De regisseur antwoordt op zijn typerende kalme en weloverwogen wijze en doceert over het genre. Kurosawa: "Hier moet ik opnieuw eerlijk over zijn. Ik ben geen enorme horrorfan en wil me zoals elke regisseur niet op één genre vastpinnen. Japanse horrorfilms zijn gewoon nationaal en internationaal populair. Daarom krijg ik veel aanbiedingen. Dat men in Hollywood remakes wil maken van onze horrorfilms doet me afvragen 'Hebben ze zelf geen originele ideeën dan?' Het staat vast dat ze veel geld hebben. Jammer dat er zo weinig creativiteit is. Onze films zijn succesvol omdat wij geen geld hebben voor dure special effects - wij moeten het hebben van originele vondsten of verontrustende thema's." En dan cynisch: "Het is een pijnlijke, maar een bekende en zich herhalende paradox: het instituut neemt de goede ideeën over van het individu. Ik vind dat Hollywood films moet maken die het publiek de realiteit doet vergeten. Daar is het beter in."
Japan kent een rijke traditie in genrefilms. In de jaren vijftig en zestig maakten regisseurs als Nobuo Nakagawa (Hell), Masaki Kobayashi (Kwaidan) en Yasuzo Masumura (Blind beast) kunstzinnige, experimentele horrorfilms met onverbiddelijke slotakkoorden waarin geen held of heldin in leven blijft. Met name Kurosawa's Pulse staat in die traditie en biedt een beklemmend beeld van de aardse beschaving die op het punt staat weggevaagd te worden. Kurosawa: "Ik ben verzot op het werk van Nobuo Nakagawa en zijn collega's uit die tijd. Die films waren geniaal, daar kunnen wij nu niet meer aan tippen. Toch verbindt iets ons met de voorgangers: Japanse films zijn diep geworteld in het besef dat de wereld die wij ervaren een illusie is die op een dag ophoudt te bestaan. Japanners hebben geen bijbels concept van apocalyptische rampspoed en doem. Wat we wel kennen zijn oorlogen, aardbevingen en andere cataclysmen die onze steden hebben vernietigd. Die gebeurtenissen lijken elke vijftig jaar, ongeveer een mensenleven dus, plaats te vinden. Japanners hebben daarom het idee dat onze fundamenten wankelen en cineasten zijn hierdoor beslist gefascineerd."
Rampspoed en doem liggen op de loer. Dat is iets dat ook lijkt te spreken uit de merkwaardige ontknoping van Bright future, die een niet erg zonnig beeld van de Japanse toekomst suggereert. Kurosawa slaat terug met dezelfde ambivalentie van zijn film: "Kijkers zien verschillende zaken in dat einde. Het was niet mijn bedoeling negatief over te komen, er zit zelfs hoop in het einde. Om werkelijk tot iets nieuws te kunnen komen, moeten we tot het complete niets komen en dan opnieuw beginnen. Dan is er hoop op een zonnige toekomst."

Mike Lebbing


Bright future

Pulserend kwallenlicht

In het sprookjesachtige Bright future laat regisseur Kiyoshi Kurosawa zien hoe een lethargische jongeman door een tropische kwal tot leven wordt gewekt.

Dromer wordt wakker.

Na de doemdenkerij van films als Charisma (1997) en Pulse (2001) is Bright future een Kiyoshi Kurosawa om zin in het leven van te krijgen. Een film die donker begint en uiteindelijk zelfs glinstert en gloeit. Aanvankelijk houden de personages zich voornamelijk op in de schaduwhoekjes van hun omgeving. De jonge Japanner Nimura vertelt in de voice-over hoe hij dikwijls droomde van een toekomst vol hoop en vrede. Die dromen zijn voorbij sinds hij in een handdoekfabriek werkt: nu brengt de slaap hem slechts duisternis, en betekent wakker zijn verder slapen.
Soms gaat hij langs bij zijn collega en beschermengel Mamoru, die een tropische kwal als huisdier heeft. Wanneer Nimura door het aquariumglas naar het beest kijkt, zie je twee verwante schepsels, beide even statisch en onpeilbaar van aard. Maar van enige betovering is eerst geen sprake. De kwal dobbert dof in het water, hoogstens interessant omdat zijn gif direct dodelijk werkt.

Garnalen
Via een omweg - Mamoru wordt gearresteerd voor de moord op zijn baas en diens gezin - komt de kwal bij Nimura terecht. Opeens draagt onze stuurloze held de verantwoordelijkheid voor een ander wezen. Moet hij het dierbaarste bezit van zijn vriend in leven houden. Letten op het zoutgehalte van het water, het juiste dieet bereiden, enzovoort. Aanvankelijk kan Nimura die taak niet aan. Woedend schopt hij het aquarium tegen de grond, waarna de kwal door de spleten in de houten vloer wegdrijft. 's Nachts ziet Nimura het beest in het riool voorbij zwemmen, en opeens geeft het licht. Oogverblindend, wit licht, dat op de soundtrack bubbelende harpjes zaait. Vanaf dan kan Nimura niet meer zonder de kwal. Met garnalen door Tokio rennend moet en zal hij zorgen dat het dier overleeft.
Het pulserende schijnsel van de kwal blijkt het enige licht te zijn dat Nimura tot leven kan wekken. Kurosawa heeft echter van het begin af aan laten horen en zien dat Nimura's redding binnen handbereik is: de harpjes bubbelden al tijdens de credits, terwijl Tokio door de digitale camera telkens fris-wit wordt gebleekt. En 's nachts flikkeren de lampen in de torenflats als een kerstboomverlichting.
Waar bestaat die redding dan uit? Dat Bright future in feite een sprookjesachtige parabel is over zorgzaamheid en verwantschap, blijkt niet alleen uit de relatie tussen Nimura en zijn fosforiserend weekdier, of uit de 'grote broer-kleine broer'-verhouding tussen Nimura en Mamoru. Zodra Mamoru in de gevangenis belandt, vindt de film een derde hoofdpersonage in diens vader, een schroothandelaar die volledig van zijn zoon vervreemd is en, na Mamoru's zelfmoord, met Nimura een herkansing krijgt. Hij neemt de jongen in dienst, zoekt met hem naar de kwal, accepteert hem als de dromer die hij is. Een even moeizaam als gestaag groeiende band, door Kurosawa uiterst vernuftig verbeeld. Zo filmt hij twee keer de vader in zijn auto, gezien door de voorruit. Beide keren is het beeld in tweeën gehakt, alsof je naar een splitscreenmontage zit te kijken. Daardoor valt het eerst veel sterker op dat de stoel naast de man leeg is, en dat die plek in de tweede scène door Nimura wordt gevuld. Bedrieglijk splitscreen en kwallenlicht. Zo accepteer je maar al te graag dat de liefde de toekomst helder kleurt.

Kevin Toma

Bright future
Japan, 2002
Productie: Takashi Asai
Regie, scenario en montage: Kiyoshi Kurosawa
Camera: Takahide Shibanushi
Art direction: Harada Yasuaki
Muziek: Pacific 231
Met: Joe Odagari, Tadanobu Asano, Tatsuya Fuji
Kleur, 92 minuten
Distributie: Filmmuseum
Te zien: vanaf 6 mei

Naar boven