Juni 2004, nr 256

Pieter Fleury

"Ik kan niks anders"

Na Ramses zei Pieter Fleury te willen stoppen met filmen. Hij had tabak van de bureaucratie die zijn creativiteit om zeep hielp. Vervolgens vertrok hij naar het meest bureaucratische land ter wereld: Noord-Korea, om terug te keren met toch weer een film.

Pieter Fleury (foto: Angelique van Woerkom).

"Rottige contracten, beperkte draaiomstandigheden en soms persoonlijke vernederingen" zorgden ervoor dat Pieter Fleury (1955) na het maken van De onzichtbare werkelijkheid (2000), onderdeel van de '10 geboden'-serie, besloot te stoppen met het maken van documentaires. Zelfs het succes van Ramses, où est mon prince, die in 2002 een Gouden Kalf won, kon daar geen verandering in brengen. "De voornaamste reden is dat ik in het huidige systeem van subsidies, voorzichtigheid en dubbele agenda's alleen met een buitenproportionele krachtsinspanning goede prestaties kan neerzetten," schreef Fleury in november 2002 in NRC Handelsblad.
Nu zegt hij er dit over: "Het probleem is de hybride overgang van een gesubsidieerde kunstuiting naar de commerciële eisen die televisie aan de exploitatie daarvan stelt. Dat zijn voor mij twee verschillende grootheden die in mijn hoofd een conflict veroorzaken tussen de eisen van de omroep en die van mezelf: ik kan daar niet mee werken. Van De onzichtbare werkelijkheid, over het werk van NOS-verslaggever Gerry Eickhof in Srebrenica, had ik aanvankelijk grote verwachtingen, maar uiteindelijk had het niet de sjeu die ik wilde. Dat kwam door de concessies die ik in de montage had gedaan. Achteraf vind ik dat ik te veel heb geluisterd naar kritiek van buiten, van omroepmedewerkers. Hoe houd je je koers vast onder die druk? Dat lukte me niet goed genoeg. Misschien ben ik wel te beleefd, te gevoelig voor kritiek."

Staatsfilmbureau
Toen Fleury besloot te stoppen, had hij nog één film op zijn palet - een documentaire over China, waarvoor hij al met research was begonnen. Het moest zijn laatste worden. Maar zolang hij geen toestemming had in het land te filmen, was geen omroep bereid om in het project te stappen. Fleury besloot daarom om er een dubbelproject van te maken, met een tweede film over buurland Noord-Korea. Uiteindelijk lukte het alleen om daar binnen te komen.
Fleury: "Noord-Korea heb ik gemaakt volgens de nieuwe norm: vanuit vertrouwen. Mijn afnemers weten wie de film maakt en ik weet voor wie ik het maak. Een kwart A4'tje en af en toe een gesprek met VPRO's Tegenlicht waren daarvoor genoeg. Ook in het geval van het NOS-Journaal, waarvoor ik een drieluik over het land maakte, was het een kwestie van vertrouwen. Onder die omstandigheden functioneer ik goed."
Dat de gemaakte afspraken niet genoeg waren voor een financieel gezonde bodem onder het project, weerhield Fleury er niet van om naar Azië af te reizen. Hij nam een tweede hypotheek op zijn huis om de 250.000 euro kostende documentaire te kunnen financieren.
Fleury maakte uiteindelijk de documentaire die hem voor ogen stond: een dag uit het leven van een Noord-Koreaanse arbeidersfamilie, met de politieke situatie op de achtergrond. Dat hij daarvoor moest samenwerken met het staatsfilmbureau, deerde hem minder. Voorafgaand aan de film wordt daarom vermeld dat Noord-Korea, een dag uit het leven is gemaakt 'onder auspiciën van het ministerie van Cultuur van de Volksrepubliek Noord-Korea'. Fleury: "In de praktijk betekende het dat ik continu werd begeleid door twee mensen van het filmbureau. Zij bepaalden wát ik filmde, maar niet hóe. Als tegenprestatie heb ik bedongen dat ze geen inspraak kregen in de montage."

Rode laarsjes
Noord-Korea, een dag uit het leven is een wrang-humoristisch portret geworden van een modelgezin, waarvan moeder Hong Sun Hui in een textielfabriek werkt, haar broer Engelse lessen volgt en het dochtertje op de peuterspeelzaal leert hoe de grote leider Kim Jong Il zijn rode laarsjes teruggaf uit solidariteit met zijn vriendjes die op gympjes door de sneeuw moesten. Op de achtergrond blijkt met welke problemen de 'ideale' samenleving kampt als de stroomvoorziening het begeeft, de jassenproductie tegenvalt en er venters op straat te bespeuren zijn. Dat het land nog steeds met voedseltekorten en ondervoeding kampt, dat dissidenten in strafkampen worden opgesloten en dat het land nucleaire verdragen schendt, daarover wordt in de observerende documentaire van Fleury geen noot gekraakt.
Fleury: "Ik had de behoefte om dat land wat neutraler te belichten dan de westerse propaganda die wij kennen; dus dan maar de oosterse variant. Maar daar kun je wel van leren hoe zij naar zichzelf kijken. Had ik kritischer moeten zijn? Nee. Ik wilde informeren, zonder vooringenomen houding. Hoe opener, hoe beter. Het is simpel: van alles in Pyongyang heb ik 1% gezien en dan ook nog het mooiste deel. Natuurlijk is mijn film niet representatief. Maar het gedrag van de mensen wel. Mijn film zet het systeem neer en laat zien dat een aantal mechanismen hetzelfde zijn als hier. De indoctrinatie is dezelfde. Waar zij de hele dag worden opgeroepen de grote leider te aanbidden, krijgen wij bakken met reclame over ons heen die ons aanzetten tot consumeren. Waar zij de Amerikanen tot aartsvijand hebben, worden wij voor de moslimwereld bang gemaakt. Het is allemaal een kwestie van hoe je wordt geïnformeerd."
"Mijn eigen film financieren heeft voor mij één groot voordeel gehad: ik ben op geen enkel moment gefrustreerd geraakt. Ik ben liever iemand met een schuld achter mijn naam dan dat ik miezerig bezig moet zijn." Fleury zegt te zijn teruggekomen op zijn eerdere besluit: hij is alweer aan een volgend project begonnen. "Italiaanse olijfolie verkopen is ook een vak en ik kan nu eenmaal maar één ding: films maken."

Karin Wolfs

Noord-Korea, een dag uit het leven is te zien vanaf 27 mei.


Kort en Goed

Wereldverbeteraars

Vier korte documentaires staan deze maand in één DocuZone-voorstelling geprogrammeerd. Een interview met de makers over stilstaan bij dingen waar de meeste mensen aan voorbij lopen.

Prosper de Roos, Juul Bovenberg en Chai Locher (foto: Angelique van Woerkom).

Haaientandenverzamelaars in een zandafgraving, twee bejaarde boerenbroers aan de gele vla, Boris Jeltsin die op het punt staat een stel kernkoppen de wereld in te sturen en volwassen kerels die in Kosovo cowboytje spelen. Dat zijn de plaatjes die in Scheppers van Chai Locher, De Dunning broers van Juul Bovenberg, 25/01/95 van Prosper de Roos en Cowboys in Kosovo van Corinne van Egeraat voorbij komen. Gefilmd in verstilde totalen of in intieme close-ups, verzameld als een eclectisch samenstel of een journalistiek ogend verslag. Vier korte documentaires waarvan er twee - 25/01/95 en De Dunning broers - waren bedoeld als voorfilm bij een lange DocuZone-film; eentje - Scheppers - als eindexamenfilm voor de Filmacademie werd gemaakt en de laatste - Cowboys in Kosovo - in eigen beheer als nobudget-film tot stand kwam.
Behalve hun lengte (zo'n 20 minuten) hebben ze alleen met elkaar gemeen dat ze onderling veel van elkaar verschillen. Maar wie wat langer kijkt, ziet ook nog een metafoor voor geluk, een gedichtje over ouderdom, een ode aan het leven en een verkenning van de grens tussen spel en realiteit. Hoe verder je uitzoomt, hoe meer ze eigenlijk op elkaar gaan lijken. Alle vier leggen ze een link tussen het nu en het verleden, met daartussen de geschiedenis, het verhaal, de documentaire. Vier keer in een eigen vorm gegoten. De komende maand worden ze als kwartet vertoond in DocuZone onder de titel 'Kort en Goed'.
De makers zijn dertigers. Al voelen ze zich niet allemaal meer even piepjonge of nieuwe makers, tenminste één ding hebben ze met elkaar gemeen: de wens om grote, universele thema's te verwerken in persoonlijke verhalen, zo blijkt tijdens een avondje in een Amsterdams café. Van Egeraat, die er vanwege werk in Cannes niet bij kan zijn, mengt zich later via de mail in de discussie over drijfveren en idealen.

Einde van de wereld
Prosper de Roos wil verhalen vertellen over dingen waar de meeste mensen aan voorbij lopen. Hij zoekt, in zijn eigen woorden, het spanningsveld tussen "het mythische en het alledaagse". De Roos: "Ik wilde een film maken over één dag. Tijdens de research heb ik vervolgens een hoop ellende verzameld om te bepalen welke dag het moest worden. Ik heb gekozen voor 25/01/95; de dag dat we het dichtst bij het einde van de wereld waren."
Juul Bovenberg vat haar werkwijze samen als "wereldproblemen terugbrengen naar iets particuliers". Door een foto kwam ze in contact met de Dunning Broers. Bovenberg: "Een onderwerp hangt bij mij altijd al een tijdje in de lucht, alsof het om me heen zweeft. Ik kom iets tegen, denk eraan terug, leg verbanden en ga er dan opeens mee aan de slag."
Op vergelijkbare wijze vond Chai Locher een oplossing voor de frictie tussen zijn ambitie en de mogelijkheden op de Filmacademie. Locher: "In Scheppers wilde ik vertellen dat iedereen uiteindelijk gelukkig wil worden, maar daar op zijn eigen manier naar zoekt. Ik wilde iets heel groots, maar op de academie zeiden ze dat dat niet kon. Toen ben ik heel kwaad geworden en boos op vakantie gegaan, naar het huisje van mijn oma dat langs een zandafgraving ligt. 'Ze willen zeker dat ik daarmee aan de gang ga', dacht ik vol dédain, maar toen ik erover na ging denken bedacht ik dat ik een groot thema ook op zo'n banale plek kon neerzetten."
Corinne van Egeraat zegt in vergelijkbare woorden "met grote universele thema's als onderwerp en graag de nodige humor" een eigen documentaire verhaal te willen vertellen. In Cowboys in Kosovo vergelijken etnische Albanezen door henzelf ervaren oorlogsgeweld met hun liefde voor een actieheld. Van Egeraat: "Mijn achtergrond in het theater is van grote invloed, mijn werk kun je omschrijven als theatrale documentaires. Beeldvorming is mijn hoofdthema. Ik wil mensen die iets heftigs hebben meegemaakt laten zien op een andere manier dan dat doorgaans gebeurt, en zonder oordeel te vellen."

Joined Strike Fighter
Het al dan niet uitdragen van een mening blijkt samen te hangen met de aanwezigheid van de maker in zijn eigen film. Het is de sleutel tot een ander bindend element dat de regisseurs in hun werkwijze ontdekken.
Locher: "Ik zou graag zien dat mijn documentaires de wereld veranderen. Maar dat wil niet zeggen dat ik een oordeel moet vellen. Ik zou best een film willen maken over een politiek onderwerp als Mat Herben en de Joined Strike Fighter-connectie. Maar ik zou dan wel streven naar objectiviteit. Dat zeg ik als reactie op de moderne opvatting dat alles subjectief zou zijn en het dus niet uit zou maken wat je doet. In Scheppers vertel ik overigens niet het verhaal van de mensen in mijn film, maar mijn eigen verhaal, via die mensen."
De Roos: "Elke film is subjectief. Mijn films zijn heel persoonlijk. Dat heeft weer te maken met dat willen stilstaan bij waar de meeste mensen doorlopen. Pas als je een visie van een maker meekrijgt wordt het interessant."
Bovenberg: "Dat vind ik ook. Ik voel me ontzettend in de steek gelaten als een maker geen richting geeft. Dat kan heel nadrukkelijk gebeuren, maar ook heel subtiel. Ik ben helemaal niet bang om mezelf te laten zien - zelfs buiten de camera ben je als maker heel erg aanwezig. Zo wordt alles wat ik maak lief en schattig gevonden. Dat zal wel te maken hebben met de manier waarop ik mijn onderwerp benader: ik wil mensen in hun waarde laten, ik hecht aan een vertrouwensband, ook in De Dunning broers. Op mijn lagere-schoolrapport stond al 'Juul is een lief meisje'. Vreselijk, maar daar kom ik dus nooit meer van af."
Locher: "Die contemplatieve stijl is een manier van stelling nemen die typisch is voor Nederlandse documentaires."
De Roos: "Van mij zou dat vaak nog wel duidelijker mogen, vooral in de vorm. Vaak vind ik het te veel een verslag en te weinig getuigen van een visie."
Locher: "Van mij mag het ook best wat uitgesprokener, volgens het 'bearing witness'-principe: uitdragen waar je overtuigd van bent. Misschien zijn we te geïnformeerd, lijden we aan een te genuanceerde blik op dingen." Hij komt tenslotte tot een interessante conclusie: "Misschien is dat wel iets van onze generatie: we zijn wél wereldverbeteraars, maar geen activisten."

Karin Wolfs

Kort en Goed: Scheppers, 25/01/95, De Dunning broers en Cowboys in Kosovo zijn vanaf 3 juni te zien in de DocuZone-theaters.

Naar boven