Juli/Augustus 2004, nr 257

De inflatie van de freak
Wolfskinderen
Teenage monsters
Carel Struycken, freak tegen wil en dank
De wraak van het monster
Celebrities als freaks
De bril: van leeskruk tot modestuk
Audrey Hepburn: icoon van normaalheid
Utopia: Exit exotica
Shrek 2: monsterlijke schoonouders
Zebraman: Zeebuuraaman en de aliens
Supersize-me: een maand McDonalds
Metallica: some kind of monster:: monsters of rock, band in crisis
American splendor: mens tussen de stripfiguren
Thunderbirds: stoer elitekorps in masculiene uniformen
The station agent: drie zonderlingen en een trein
Kempers schreef een Freakmanifest

Hij is de dikste man op aarde. Zij is de vrouw met de baard. Hij kent alle schrikkeljaren uit zijn hoofd. De geschiedenis heeft ze freaks genoemd, of monsters, heiligen, dwazen, misbaksels, al naar gelang de mode van de tijd. Toon mij uw freak, en ik zal u zeggen wie u bent. Na een lange geschiedenis als hofnar en kermisattractie is de freak tegenwoordig bijna uit het straatbeeld verdwenen. In de film floreert zijn aanwezigheid echter als nooit tevoren. Deze zomer lijken alle films die de Nederlandse bioscopen bereiken te gaan over freaks, geeks, nerds, outsiders en andere superhelden, over een man die snel als een spin in zijn web de wereld kan redden, een zebraman, de mooiste vrouw in het filmuniversum, rockmonsters, kleintjes, dikkerds, boemannen en hun prinsessen, contactgestoorde idioten. De freak is de ultieme ander, terug te brengen tot slechts één enkele eigenschap: zijn uitzonderlijke lengte, tweeslachtigheid of bijzonder talent. Hij houdt ons al lang geen spiegel meer voor. De dikke man is zo dik dat je rustig je hamburger etend naar hem kunt gluren. Het wonderkind zo muzikaal dat je niet meer op pianoles hoeft, want je haalt hem toch nooit meer in. Kijken naar freaks is veiliger dan kijken naar jezelf. Op de volgende zes pagina's is de hoofdrol aan de freak gegeven.


Bill: "Superman stands alone. Superman did not become Superman, Superman was born Superman. When Superman wakes up in the morning, he is Superman. His alter ego is Clark Kent. His outfit with the big red S is the blanket he was wrapped in as a baby when the Kents found him. Those are his clothes. What Kent wears, the glasses the business suit, that's the costume. That's the costume Superman wears to blend in with us. Clark Kent is how Superman views us. And what are the characteristics of Clark Kent? He's weak, unsure of himself... he's a coward. Clark Kent is Superman's critique on the whole human race, sort of like Beatrix Kiddo and Mrs. Tommy Plumpton." Uit Kill Bill - Vol.2
(Quentin Tarantino, 2004)


Naar boven

Le freak, c'est chic

Het monster schuilt in iedereen, behalve in jezelf, zo houden we onszelf voor. Freak is nu de geuzennaam. Over de inflatie van de freak.

Wat zou David Lynch hebben gedacht toen hij de verhalen hoorde over de mishandeling van Iraakse krijgsgevangenen door Amerikaanse soldaten? Verbaasd zal hij niet zijn geweest. Dat keurig getrouwde vrouwen en mannen in (seksuele) sadisten veranderen, had uit een van zijn filmscripts kunnen komen. Niemand in de filmwereld heeft beter laten zien hoe onder rimpelloze oppervlakten perversiteiten kunnen woekeren. Lynch is geen origineel denker maar heeft zichtbaar gemaakt wat Freud dacht. Als het beest in de mens wordt losgelaten, is moreel besef het eerste slachtoffer.
Het is een open deur die telkens weer moet worden ingetrapt. Blijkbaar willen we niet geloven dat de mens Dr. Jekyll en Mr. Hyde is. De gedachte stuit telkens weer op weerstand: het mág niet waar zijn. Toen Coco Schrijber met First kill een documentaire maakte over Amerikaanse Vietnamsoldaten die openlijk spraken over de kick van het moorden, wilde het IDFA de film aanvankelijk niet vertonen. Altijd is er naïeve verbijstering als fatsoenlijke burgers veranderen in bloeddorstige slachters. Het is moeilijk te aanvaarden dat in iedereen een onberekenbaar, gevaarlijk monster schuilt. Behalve in u en mij natuurlijk.

Halfduister
Wat was het leven een eeuw geleden heerlijk overzichtelijk. Je had normale mensen en freaks. Tussen beiden lag een onoverbrugbare kloof. Freaks waren herkenbaar aan lichamelijke gebreken of ernstige afwijkingen. Ze werden tentoongesteld in freakshows, waar bezoekers zich tegen betaling aan hen konden vergapen. Aan klandizie geen gebrek, want freaks prikkelden de nieuwsgierigheid en de fantasie. Ze bevestigden vooral de geruststellende gedachte dat er een duidelijk en zichtbaar onderscheid bestaat tussen normaal en abnormaal. Freaks waren het negatieve spiegelbeeld van de 'gezonde' samenleving.
Niet toevallig speelden freakshows zich af in het halfduister. De bezoeker betrad een andere wereld, waarin hij veilig zijn angsten en fantasieën kon uitspelen. Hermafrodieten bevestigden hem in zijn identiteit ("gelukkig ben ik niet zo"), maar prikkelden ook de seksuele fantasie: hoe vrijt een hermafrodiet? Siamese tweelingen appelleerden aan de angst voor vervaging van de grens tussen het zelf en de ander, maar ook hier kon de bezoeker fantaseren over de seksuele implicaties. De overschrijding tussen mens en dier werd uitgespeeld met freaks die aan dieren deden denken. Racisme kwam hier goed van pas, want volgens de heersende opvatting stonden Afrikanen in de evolutie tussen mens en aap in. Ze hoefden geen lichamelijke gebreken te hebben om tot freak te worden bestempeld.

Overspeligheid
Is het toeval dat filmvertoningen sterk aan freakshows doen denken? Beiden zetten personages te kijk en leveren hen uit aan de gulzige blikken van bezoekers. Ook de bioscoopbezoeker doet met de personages tegenover hem wat hij wil. Hij kan hen haten, van hen griezelen, maar ook met hen vrijen. Net als de vroegere bezoekers van freakshows projecteert hij zijn angsten, verlangens en fantasieën op personages die niets terugzeggen.
De overeenkomst geldt nog sterker voor tv-programma's als de Jerry Springer Show, waarin de moderne variant van de freak wordt geëxploiteerd. Freaks zijn al lang niet meer de lichamelijk verminkten en misvormden uit de vorige eeuw, maar mensen die zich bizar gedragen. Bij voorkeur op seksueel gebied. Ongeremde overspeligheid, incest en seksuele intimidatie zijn favoriete onderwerpen. Net als in de vroegere freakshows kan de kijker zich vergapen aan bizarre personages. Op hun afwijkende gedrag kan hij zijn fantasie loslaten. Voor even kan hij uit zijn ingesnoerde leven stappen, maar voordat hij zich onbehaaglijk kan voelen over zijn eigen leven - misschien leiden Springers personages een spannender/avontuurlijker leven - bevestigt spreekstalmeester Springer hem in zijn morele superioriteit. In de Springer Show wordt afwijkend gedrag altijd gebruikt om de bestaande normen te bevestigen. Spinger stelt ons altijd gerust: wij staan aan de goede kant, de 'freaks' in zijn show aan de verkeerde. Fijn dat het abnormale nooit in ons zit, maar altijd in anderen.

Walging
Elke samenleving creëert freaks. Ze worden niet geboren, maar gemaakt. De dominante cultuur bepaalt wie het stempel freak krijgt. In onze tijd zal niemand misvormden nog freaks (durven) noemen. In de westerse wereld komt de traditionele freak dankzij de medische wetenschap trouwens bijna niet meer voor. Als gevolg van prenataal onderzoek worden nauwelijks nog baby's met extreme lichamelijke afwijkingen geboren. Al eerder verdween de freak uit het openbare leven omdat freakshows ophielden te bestaan. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam er steeds meer protest tegen de commerciële exploitatie van misvormden. Ze werden niet meer als freaks gezien maar als zwaar gehandicapten, die thuishoorden in zorginstellingen.
Freaks van Tod Browning paste in de veranderende tijdgeest, want de klassieker pleit voor een humane benadering van misvormden. In 1932 zag men het anders. De film riep bij publiek en pers zoveel walging op ("een horror-catalogus") dat MGM hem snel uit de bioscoop terugtrok. Het duurde dertig jaar voordat de film alsnog de waardering kreeg die hij verdient. In 1962 draaide hij op het filmfestival in Venetië, waarna de opmars in cultkringen begon. Voor Browning was het te laat, want hij stierf in 1962.
Het verhaaltje van Freaks, dat zich afspeelt in het circusmilieu, is simpel. Lilliputter Hans, die verloofd is met een lilliputter-vrouw, raakt verliefd op Cleopatra, een vrouw met een normaal postuur. Cleopatra moet niets van hem hebben, totdat ze hoort dat hij een grote erfenis zal opstrijken. Met haar sluwe vriend beraamt ze het plan om met Hans te trouwen om hem vervolgens te vergiftigen, waarna zij als weduwe de erfenis zal opstrijken. Het komt tot een bruiloft waarbij alle circusfreaks aanwezig zijn. Als ze scanderen dat Cleopatra door haar huwelijk met Hans 'one of us' is geworden, keert de bruid zich vol walging van hen af. Denken de "filthy, slimy freaks" werkelijk dat ze bij hen wil horen? Als de freaks erachter komen dat het Cleopatra om de erfenis gaat, nemen zij wraak op haar en haar vriend.
Door de curieuze verzameling misvormde lichamen maakt Freaks nog steeds indruk. We zien lilliputters, een man die armen en benen mist, een Siamese tweeling, een vrouw zonder armen en een hermafrodiet. De beelden appelleren aan de sensatie van de freakshow, maar er is meer aan de hand. Freaks confronteert ons met afwijkende en misvormde lichamen zonder dat een (medische) deskundige ons meteen vertelt wat we ervan moeten denken. Dat werkt bevrijdend. We mogen ons verbazen over de behendige manier waarop een lichaam dat niet meer dan een romp en een hoofd is, zich voortbeweegt.

Olifantenman
Freaks doet beseffen hoezeer het openbare leven in onze tijd is 'gezuiverd' van afwijkende lichaamsvormen. Het schoonheidsideaal oefent een steeds grotere dwang uit op steeds meer groepen. Er zijn al kinderen die aan het syndroom van Down leiden, cosmetisch geopereerd, omdat hun ouders willen dat ze er 'normaal' uitzien. Het geeft een meer dan onbehaaglijk gevoel en doet terugverlangen naar freakshows. Natuurlijk: freakshows exploiteerden mensen met fysieke gebreken - en zijn dus ethisch niet te verdedigen - maar ze zorgden er ook voor dat gewone mensen in aanraking kwamen met extreem afwijkende lichamen. In onze tijd is dat onmogelijk geworden. Mensen met zware misvormingen of afwijkingen leven in besloten tehuizen in lommerrijke bossen.
Tegelijkertijd is het woord freak een geuzennaam geworden. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw had freaks een akelige horrorklank, maar in de jaren zestig maakte de tegencultuur het woord salonfähig. Fotografen als Diane Arbus stortten zich op misvormden en psychisch gestoorden. Freaks veranderden van bizarre natuurspelingen in antihelden. Het leidde in films tot knuffelfreaks als Quasimodo en olifantenman John Merrick, die achter hun afwijkende uiterlijk een lelieblanke inborst verborgen.
De angstaanjagende freaks waren de steunpilaren van de burgerlijke samenleving: politici en captains of industry. Zij stortten de mensheid in oorlogs- en andere ellende, niet de misvormde medemens. Freaks verdween als aanduiding voor misvormden en werd een geuzennaam voor iedereen die afwijkend gedrag vertoonde, zoals hippies. Het was fijn om freak te zijn. "Le freak, c'est chic", zong Chic in 1978 in hun megahit C'est chic. De aanduiding freak is steeds nietszeggender geworden. Zit u vaak achter uw computer? Aha, dan bent u een computerfreak! Houdt u van muziek? Sport? Natuur? Overal kan het woord freak aan worden geplakt. Het betekent niets meer. De emancipatie van de freak heeft het eindpunt bereikt: we zijn allemaal freaks.

Jos van der Burg

Wanschepsels
Freaks (Tod Browning, 1932)
Klassieker maakt met zijn vele misvormde personages nog steeds veel indruk. De film doet beseffen hoe sterk onze samenleving is 'gezuiverd' van afwijkende lichamen.
The hunchback of the Notre Dame
Victor Hugo's roman uit 1831 is een keer of tien verfilmd. De films leverden een grote bijdrage aan de acceptatie van freaks, want de gebochelde Quasimodo is geen angstaanjagend wezen, maar een getormenteerd mens.
The elephant man (David Lynch, 1980)
The elephant man is met zijn les in acceptatie de moderne versie van Tod Brownings Freaks. Het grote verschil is dat we in Freaks naar 'the real thing' kijken en in The elephant man naar John Hurt onder dikke lagen schmink.
Bad boy Bubby (Rolf de Heer, 1993)
Freaks worden niet geboren maar gemaakt. In Bad boy Bubby komt een man na dertig jaar voor het eerst buiten, omdat zijn moeder hem zijn hele leven heeft opgesloten. Zij is natuurlijk de echte freak, die het leven van haar zoon heeft vernietigd.
Eraserhead (David Lynch, 1977)
In een postindustriële apocalyptische film voert Lynch een stel op dat een kind krijgt. Nou ja, kind. In de traditie van de freakshow kijken we naar een ondefinieerbaar wezen, dat merkwaardige geluiden voortbrengt. Niks acceptatie, gewoon griezelen.
Edward Scissorhands (Tim Burton, 1990)
Hoe sla je je door het leven als je geen handen hebt, maar scharen? Met een omgeving die liefdevolle aandacht schenkt, komt het goed. De moraal: hou van freaks!
Dance me to my song (Rolf de Heer, 1998)
Kunnen mannen een spastische vrouw begeren? Sluit een misvormd lichaam lust uit? Dance me to my song springt intelligent om met de relatie tussen een spasticus en een 'normale' man.
Gummo (Harmony Korine, 1997)
Zin in een gratuite freakshow? Dan bent u hier aan het goede adres. Komt dat zien! Met Gummo herleeft de oude freakshow, maar de maker heeft niets te melden.
Human nature (Michel Gondry, 2001)
Ben je een freak als je last hebt van buitensporige haargroei? Als je opgevoed bent als een aap? Of als je obsessief bezig bent met tafelmanieren? Zoek de ware freak in Human nature.

Naar boven

Wolfskinderen

Alles is nog dada

De wilde kinderen Amala en Kamala werden begin twintigste eeuw door een Indiase dominee uit een wolfshol in de jungle gehaald. Wat maakt de foto van hen zo aangrijpend?

Wolfskinderen Amala en Kamala.

Schoonheid komt vaak van dieren. Audrey Hepburn had de ogen van een ree, Charlotte Rampling die van een kat, in het Hooglied worden borsten vergeleken met de tweelingjongen van gazellen. Op de kermis en in het circus werden zulke vergelijkingen nog iets letterlijker genomen. Daar werden mensen tentoongesteld omdat ze zo op dieren leken. Beroemd was bijvoorbeeld Lionel de leeuwmens, een man die bedekt was met schitterend blond haar. Zulke vergelijkingen bleven ook in het circus meestal tot het uiterlijk beperkt. Een leeuwman kon brullen, een meerman zwemmen, maar aan de herkomst van hun hersenen werd doorgaans niet getwijfeld. De Rus Stephan Bibrowski was volgens de Amerikaanse circusdirecteur P.T. Barnum half mens, half leeuw, maar zijn geest was volledig menselijk. Op een affiche ligt Bibrowski ontspannen een toneelstuk van Shakespeare te lezen.

Struisvogels
Er zijn ook mensen die niet van buiten, maar van binnen op dieren lijken. Het is niet hun haar dat hen tot leeuwen maakt, maar hun gedrag. Ze eten rauw vlees, ze lopen op handen en voeten, ze kunnen wel brullen, maar niet praten. Ze slapen zelfs als dieren. In de film An angel at my table van Jane Campion is te zien hoe mensen slapen als ze met elkaar een bed moeten delen. 'Turn!' roept de oudste dochter en dan draaien ook al haar zussen zich om. Er bestaat een foto waarop de Indiase meisjes Amala en Kamala liggen te slapen, over elkaar heen, in elkaar geknoedeld alsof het niet uitmaakt welke lichaamsdelen van wie zijn. Ze hebben geen bed, maar een nest.
Amala en Kamala werden, anderhalf en acht jaar oud, begin twintigste eeuw door een Indiase dominee uit een wolfshol in de jungle gehaald. Een heleboel dieren, niet alleen wolven, ook de pleegouders van Romulus en Remus en Mowgli, en apen, die Tarzan adopteerden, maar ook honden, beren, geiten, gazellen, ja zelfs struisvogels zouden voor mensenkinderen hebben gezorgd. Op de website feralchildren.com staat de teller op 54.
Deze wolfskinderen, zoals alle door dieren gezoogde of opgevoede kinderen zijn gaan heten, worden vaak over een kam geschoren met kinderen die helemaal alleen zijn opgegroeid. Het bekendste voorbeeld daarvan is Kaspar Hauser, die van zijn derde tot zijn zestiende in een donkere grot zat opgesloten met alleen twee houten paardjes als gezelschap. In de film die Werner Herzog in 1974 over hem maakte, is ook hij in een circustent te zien. Er zijn ook twijfelgevallen. Tien jaar geleden werd in Noord-Italië een kleuter aangetroffen die beter kon blaffen dan praten. De ouders werkten de hele dag op het land, het zusje was naar school. De hond paste op.

Homo monstrosos
Wat deze kinderen gemeen hebben, is dat ze volledig of bijna volledig verstoken zijn van menselijk contact. De meesten kunnen niet praten als ze worden gevonden en de meesten leren het ook nooit meer. Een paar woordjes gaan nog wel, maar het maken van zinnen niet. Volledige beheersing is uitgesloten. Alleen Kaspar Hauser kon na verloop van tijd zijn ervaringen zelf op schrift stellen. Zijn memoires zijn zo curieus dat ze haast vanzelf poëzie worden. Kaspar praat tegen brood net zo goed als tegen mensen. Toen hij net uit zijn hol was opgedoken, gebruikt hij telkens dezelfde woorden om heel andere dingen uit te drukken, één aangeleerd zinnetje dat bij gebrek aan meer van alles betekenen moest. Misschien bewijst Hauser daarmee wel dat ook kinderen beginnen te praten zonder te weten wat ze willen zeggen. Alles is nog dada.
Wilde kinderen zijn vaak gebruikt voor taalonderzoek. Is taal aangeboren of aangeleerd, een geschenk van god, dat wat de mens van het dier onderscheidt? Maar veel dieren hebben ook taal, al is die anders van structuur en doel dan de onze.
In de op een waar gebeurd geval gebaseerde film L'enfant sauvage (1969) van François Truffaut is het niet de taal die van het wilde kind Victor van Aveyron een mens maakt. De geleerde die Victor onder zijn hoede heeft genomen, straft Victor voor iets dat hij niet gedaan heeft, en de jongen wordt woedend. Het wilde kind blijkt gevoel te hebben gekregen voor recht en onrecht, en heeft daardoor een menselijk hart.

Harige vriendin
De films van Herzog en Truffaut over het beroemdste Franse en het beroemdste Duitse wilde kind laten twee verschillende benaderingen zien van het fenomeen. In de film van Herzog, die de moed had het verhaal van Kaspar Hauser in al zijn vreemdheid te verfilmen, brengt de mensenwereld het wilde kind alleen ellende. Zijn ongerepte goedheid wordt vernietigd. Truffaut ziet wel de heilzame werking van beschaving. Maar ook Truffaut weet uiteindelijk niet of het wilde kind in het wild niet beter af was geweest. In de Tarzanfilms is menselijke goedheid iets wat eigenlijk bij de dierenwereld hoort; daarin zijn mensen vaak de beesten.
In Human nature (2001) van Michel Gondry en Charlie Kaufman vluchten een als aap opgevoede man en zijn harige vriendin ook terug naar de natuur. Maar dat is fictie. Wat in de films van Truffaut en Herzog zo hartverscheurend is, is de eenzaamheid van de kinderen. Niemand is zoals zij, niemand wenst zichzelf zoals zij te zien. Misschien is de foto van Amala en Kamala zo aangrijpend omdat ze met z'n tweeën zijn. Twee kinderen, twee dieren, twee mensen; het doet er even niet toe.

Bianca Stigter

Naar boven

Puberale passie

Niets zo vreselijk als de puberteit, de tijd waarin het eigen lichaam monsterlijke vormen aanneemt, waar de geest dan weer van op hol slaat. Puisten, borsten en schaamhaar komen op, ouders verdwijnen uit zicht. Een verminderd geweten gepaard aan een opener levenshouding, zo kenmerkte Freud de adolescentie. Dat moet wel vaak fout gaan. Een ervaring van verlies, eenzaamheid, leegte, gemis aan liefde, volgens psychoanalytica Julia Kristeva. Een tijd van hoogmoed gepaard aan onzekerheid. Van overal van afwijken. Van veel willen en evenveel op aangepastere volwassenen stuiten. Goed voor conflict en drama en talloze films. Een van de trefzekerste is Heavenly creatures van Peter Jackson, een van zijn eerste grote successen, net als The lord of the rings-trilogie geschreven samen met Frances Walsh. Heavenly creatures was ook de debuutfilm van Kate Winslet, die erin triomfeerde als de triomfantelijke Juliet Hulme, medeplichtig aan de geweldadige moord op de moeder van haar beste vriendin Pauline Parker. Samen sloegen de boezemvriendinnen op een bospaadje buiten het provinciestadje Christchurch in het Nieuw-Zeeland van de jaren 50 de moeder van Pauline haar schedel in. Heel gemakkelijk was dat niet. Jackson laat onbarmhartig zien en horen dat ook aan een zware steen de nodige passie moet worden meegegeven, wil ze een schedel kunnen verpletteren.

Extatisch
In een van zijn columns sprak psychiater A. van Dantzig ten tijde van de uitbreng in 1995 zijn verontrusting uit over Heavenly creatures, notabene gebaseerd op ware gebeurtenissen, een film die naar zijn idee op geen enkele manier verklaarde wat deze twee moedermoordende meisjes onderscheidde van andere meisjes. "Het is een vervelend idee dat er met zulke meisjes niets bijzonders aan de hand zou zijn", aldus van Dantzig ironisch. "Ik had toch graag een psychose met inductie of mishandeling of een stofwisselings- of hersenziekte gezien. Anders zou je maar gaan denken dat alles maar kan en dat het toeval is of je wel of niet door je kinderen vermoord wordt. En dat kan toch niet waar zijn."
Maar misschien is het dat wel. Peter Jackson heeft in zijn carrière van uitzinnige monsters zijn specialiteit gemaakt, maar het mooie aan zijn Heavenly creatures was nu juist dat die uitzinnigheid is ingeruild voor empathie met de excessieve, puberale passie; die typische (als het meezit tijdelijke) conditie van angst gepaard aan arrogantie. Wat in de meisjes zit, schuilt in ieder van ons, in ieder geval in de regisseur. "We've decided how sad it is for other people that they cannot appreciate our genius", gilt Pauline Parker in haar dagboek. De film trekt de toeschouwer in extatische vaart mee in de tumultueuze eigen fantasiewereld van de beide schoolmeisjes, een extreem wrede wereld met zelf gecreëerde prinsen en prinsessen die ieder die hen in de weg staat met een speer doorboren en dat soms ook gewoon zomaar doen omdat de eentonigheid van het burgerlijk bestaan hen tegen gaat staan. De meisjes gebruiken deze zelf verzonnen 'Vierde Wereld' om aan de volwassen werkelijkheid te ontsnappen en vallen ook op die zelf verzonnen wrede wetten terug als de ouders dreigen hen uit elkaar te halen. Met de moedermoord als gevolg. "Only the best people remove all obstacles in pursuit of happiness", stelt Juliet Hulme triomfantelijk vast. Heavenly creatures was geen film over freaks, maar over een fase waar iedereen doorheen moet.

Jann Ruyters

Naar boven

Carel Struycken

Altijd de rare

Carel Struycken vertrok naar Hollywood om er films te maken. Onbedoeld maakte hij er carrière als acteur. Een portret van Nederlands' meest succesvolle vertolker van freaks op het witte doek.

Linksonder Carel Struycken, met een deel van de lichting 1973 van de Filmacademie, waaronder Ben Sombogaart (midden).

Carel Struycken steekt boven The Addams family uit.

Gregor de gigant, het monster, de bruut, 'Slinger', 'Doem', 'Ooglap', rare man, doodgraver en begrafenisondernemer. Dit is geen scheldkannonade, maar een bloemlezing uit de rollen die acteur Carel Struycken (48) op zijn naam heeft staan. Met zijn lengte van meer dan twee meter, zijn schoenmaatje 54, zijn plankslanke postuur, langbenige gezicht, diepliggende ogen, uitgesproken jukbeenderen, geprononceerde slapen, licht ingevallen wangen en halfgeloken ogen, waarbij het linker ooglid nog wat verder dichthangt dan het andere, is hij van nature een buitengewone verschijning.
Dat vond ook de regie-assistente die in 1978 - hij was toen 26 - haar auto pardoes op straat liet staan toen ze hem voorbij zag lopen. De volgende dag stond hij op de set van Sergeant Peppers Lonely Hearts Club Band (1978), een rockmusical met the Bee Gees. Ondanks zijn sprookjes-ontdekking was het nooit Struyckens bedoeling om voor de camera te gaan staan. In Nederland was de Hagenaar in 1973 afgestudeerd als regisseur aan de Filmacademie. Nadat het Filmfonds een door hem geschreven scenario afwees, vertrok hij in het kielzog van onbegrepen genie René Daalder (De blanke slavin, 1969) naar Los Angeles om daar met hem verschillende lowbudgetfilms te maken.

Butler Fidel
In acteren had Struycken aanvankelijk weinig plezier. Pas tijdens zijn vijfde rol, als de tiran Terak in een Ewoks-film geschreven en geproduceerd door Star wars-regisseur George Lucas, realiseerde hij zich dat acteren 'een prettige uitdaging' kon zijn. Twee jaar later stond hij in The witches of Eastwick (1987) als butler Fidel in dienst van de duivel, gespeeld door niemand minder dan Jack Nicholson. Wanneer tegenspeelster Cher tijdens de lunch de in het wit geklede butler met tulband onderzoekend nakijkt, ziet Nicholson zijn kans schoon de freak-achtige figuur nog wat extra cachet mee te geven: "Niet gek he?" smaalt Nicholson. "Hij heet Fidel. Vrouwen zijn gek op 'm. Hij heeft een gigantische lul." Waarop Cher een wat getroubleerd gezicht trekt.
Het is maar één scène uit een lange lijst merkwaardige optredens die Struycken vertolkte. In Star trek - the next generation kon hij als de telepatische Mr Homn wat slecht van de drank afblijven, in
Men in black stierf hij een te snelle dood na een aanslag in een lunchcafé en in Twin Peaks verscheen hij in de dromen van special agent Cooper.
Tekst heeft Struycken maar zelden of mondjesmaat: meestal is hij een zwijgende verschijning met een wat afwezige blik. In zijn rol als butler Lurch in The Addams family (1991) - zijn doorbraak - en Addams family values (1993) mocht hij slechts grommen. In de Nederlands-Belgische kinderfilm Science fiction (2002) hoorden we hem voor het eerst (twee zinnen!) Nederlands spreken. Doorgaans volstaat zijn aanwezigheid, want van zijn acteerprestaties - die meer weg hebben van tableaux vivants - moet hij het niet hebben. En hoewel heel wat Nederlandse acteurs jaloers zullen zijn op zijn carrière in Hollywood, wil hij daar zelf nog steeds het liefst een eigen scenario verfilmen; als regisseur.

Karin Wolfs

Naar boven

De wraak van het monster

De filmhistorici hebben de horrorproducties van de Britse Hammer-studio (die smalend 'De angstfabriek' werd genoemd) bepaald niet gespaard. Alleen de twee eerste monsterfilms The curse of Frankenstein (1957) en Dracula (1958) kunnen er mee door, de rest bestaat uit futloze variaties op de bekende Universal-succesformules. Vergeet het maar. Hammer had een geweldige regisseur in dienst en zijn naam was Terence Fisher (1904-1980). Deze begenadigde stilist maakte naast bovengenoemde klassiekers een hoop puike genrefilms waaronder The revenge of Frankenstein (1958), een ondergewaardeerd werk dat een interessante visie biedt op de twee ultieme buitenstaanders, Frankenstein en zijn monster, en toont hoe ze wraak nemen op de samenleving die hen verafschuwt.
De opening is een goede binnenkomer: baron Frankenstein (Peter Cushing) wordt, zoals verwacht na het slot van The curse of Frankenstein, naar de guillotine geleid. Hij weet echter met hulp van een handlanger te ontsnappen en laat de priester die de ceremonie begeleidt in zijn plaats sterven. Dat is natuurlijk niet de laatste keer dat de baron God en zijn onderdanen een loer draait: wetenschapper Frankenstein is er op gebrand zelf leven te creëren en zo de ultieme overwinning op de Schepper te behalen. Helaas wordt zijn eerste creatie, gemaakt door het brein van zijn mismaakte handlanger in een perfect lichaam over te plaatsen, door een misdadiger dodelijk verwond, waarna het lichaam uiteen begint te vallen. In een schitterende scène smeekt het creatuur een ontroerde Frankenstein om uit zijn lijden verlost te worden - de baron is God geworden, maar tot welke prijs? Wanneer Frankensteins identiteit wordt ontdekt en ook hij half dood wordt geslagen weet zijn assistent zijn brein in een nieuw lichaam te plaatsen, en zo ontsnapt de baron wederom aan zijn vijanden, in een door Fisher fraai uitgespeelde climax. De cirkel is rond, monster en mens zijn gelijk aan elkaar geworden, de wraak van monster en buitenstaander zijn compleet.
Fisher zou deze formule verder uitwerken in de interessante vervolgen Frankenstein must be destroyed en Frankenstein and the monster from hell. Maar de compassie die de door Cushing sterk vertolkte baron hier voor zijn schepping aan de dag legt, alsook Fishers portret van de wetenschapper als een intrigerende buitenstaander, maken The revenge of Frankenstein tot een fraai melodrama, verpakt als Victoriaanse horror, waarin het monster voor de verandering eens zegeviert.

Mike Lebbing

Naar boven

De celebrity als freak

In onze maatschappij is niets zo onweerstaanbaar als 'het spektakel van de vallende goden'. David Beckham die vreemdgaat, of beter nog, een strafschop mist. De rechtszaak tegen Michael Jackson. De dood van Diana. De coming-out van Jamai. Eamon en Frankee die hun relatiecrisis via de hitparade uitvechten. Niet alleen de jacht op schoonheid, maar ook de wellustige wijze waarop schoonheidsoperaties gruwelijk mislukken, hebben het inmiddels tot prime time televisie geschopt. Iedereen die volgens Andy Warhol de kans maakte om 15 minuten beroemd te worden, moet zich realiseren dat dat inmiddels ook betekent dat je de ene dag God en de andere dag Job bent. Bij gebrek aan échte goden, neemt het neerhalen van celebrities de vorm aan van een rituele vadermoord. Zeker als het enige wat deze beroemdheden kunnen, beroemd zijn is. Voor 15 minuten of een dag. We gunnen ze die faam, maar eisen, vanuit een ingeworteld verlangen naar gelijkschakeling en nivellering, ook hun val. We juichen ze toe als ze bij Jerry Springer hun zonden opbiechten en juichen nog harder als de bedrieger bedrogen wordt. Aan het verheerlijken van de spits die beter voetballen kan dan iedereen, het mooiste meisje van de klas, de cinefiel die de meeste films heeft gezien, aan onze fascinatie voor seksuele aberraties, de goddelijke borsten van Pamela Anderson ligt eigenlijk een diepe vorm van afgunst ten grondslag.

Dana Linssen

Naar boven

De bril

Van leeskruk tot modestuk

Zoals de tijd van het lelijke eendje een zwaan maakt, en de kus de kikker in een prins verandert, zo markeert de bril de grens tussen de freak en de held.

She's all that.

De film heeft zo haar eigen regels voor brildragers. Ze kussen niet en zijn maar half de mens die ze zouden kunnen zijn zonder bril. Klassiek is het onpopulaire, vlechtjesdragende meisje met bril dat in een sekssymbool verandert zodra de bril afgaat, de haren los en de kleding van truttig in hip verandert. Het overkwam de freakerige Rachel Leigh Cook in de tienerfilm She's all that (1999) die vanwege een weddenschap door bemoeienissen van de populairste jongen van de school in de koningin van het schoolbal verandert. En het overkwam Susan Sarandon in The witches of Eastwick (1987), die van stijve, brildragende muzieklerares transformeert in een sexy levensgenieter met een weelderige rode bos haar. In Papillon (1973) verscheen Dustin Hoffman als antiheld met jampotglazen tegenover held Steve McQueen als Papillon. In The river wild van Curtis Hanson (1994) ontpopt een brildragende, afwezige vader zich tot de held die zijn familie uit handen van twee levensgevaarlijke criminelen redt. Het wonder kondigt zich kalmpjes aan als zijn bril een eerste keer per ongeluk afvalt na zijn ontsnapping uit handen van de gijzelaars. Later zet hij zelf zijn bril af als hij in een rivier springt om vrouw en kind te redden. De slotscène ten slotte toont zijn wedergeboorte als 'volledig' - lees heldhaftig - mens: terwijl zijn zoontje op de voorgrond een sheriff vertelt over zijn vaders heldendaad, zoomt de camera in op de ouders die elkaar op de achtergrond in de avondzon zoenen. Vader heeft zijn bril dan definitief afgezet.
Maar de ultieme brildrager is de superheld die het hulpstuk welbewust gebruikt als masker om zijn ware aard te verbergen. Met Superman als bekendste voorbeeld.

Cyclops
Zowel de bril als het masker hebben hun wortels in Arabië. Het woord masker komt waarschijnlijk van het Arabische woord maskhara, dat staat voor een transformatie in monster, dier of freak. Rond het jaar 1000 ontdekte de Arabische wiskundige Aboe Ali al-Hazin ibn al Haitham de breking van licht in glas. De later ontwikkelde leessteen of beril - een halve bol van glas of kristal - die via Duitse kloosters en Venetiaanse glasblazers over Europa werd verspreid, verbasterde en ontwikkelde zich tot de huidige 'bril'.
Tot de 16e eeuw gold de bril als teken van intelligentie. Pas daarna raakte het in onmin omdat het de nadruk legde op een lichamelijk gebrek. Tot in de 18e eeuw was het daarom aan de Europese koningshoven zelfs taboe een bril te dragen omdat het duidde op imperfectie. En het is precies die betekenis waar Superman zich anno 1978 achter verschuilt. In wezen is hij een super-freak die zich niet door een gebrek van 'gewone' mensen onderscheidt, maar door een surplus aan gaven die gecompenseerd moeten worden met een bril. De bril is het masker dat Superman transformeert in de klunzige verslaggever Clark Kent. Eén keer twijfelt hij of hij zich aan Lois Lane bekend zal maken, en hij haalt de bril aarzelend een eindje van zijn gezicht. Om hem daarna snel weer op te zetten. Want Superman kan bestaan omwille van Clark Kent. Als hij Kent opgeeft, heeft hij zelf ook geen leven meer.
De andere kant van het spectrum belichaamt de Cyclops uit X-men (2000), die één is met zijn supersonische bril en zonder dat onderdeel niet goed kan functioneren, omdat alles waar hij brilloos zijn oog op laat vallen, uiteen spat.
Inmiddels is de bril, en dan hebben we het vooral over de zonnebril, van 'leeskruk' tot modestuk geëvolueerd, zoals de helden in The matrix (1999) hebben aangetoond. De bril is nu onderdeel en verlengstuk van het helden-imago. En dankzij slimme marketeers zijn die Matrix-designbrillen nu ook te koop voor gewone stervelingen.

Karin Wolfs

Naar boven

Perfectie

Superwoman heeft nooit pijnlijke voeten

In haar films transformeert Audrey Hepburn vaak van normaal meisje tot uitzonderlijke vrouw. Of ze is juist een prinses die van een normaal leven droomt. Ze is het vrouwelijke equivalent van Superman: tegelijkertijd hemels en aards.

Audrey Hepburn.

De expositie rond Audrey Hepburn in het Filmmuseum is nog in aanbouw. Paspoppen staan op een kluitje, klaar om behangen te worden met de jurkjes die zojuist uit het Haags Gemeentemuseum zijn gearriveerd. Piepkleine paspoppen voor piepkleine jurkjes. Journaliste en tv-presentatrice Hanneke Groenteman kijkt er vertederd naar. Ze is een fan. In haar boek 'Doorzakken bij Jamin' (2003) wijdde ze al een hoofdstuk aan Audrey Hepburn, sinds Roman holiday (1953) haar 'beeldschone en broodmagere rolmodel', en haar 'eerste grote dweepliefde'. Bij de voorbereidingen van het grote Audrey Hepburn-retrospectief in het Filmmuseum was ze de afgelopen weken ook nauw betrokken. Ze leende haar barbiepop uit voor de tentoonstelling, en voor het filmaffiche dat speciaal voor het zomer-retrospectief werd ontworpen. Groentemans barbiepop is prachtig: Audrey Hepburn als Holly Golightly in Breakfast at Tiffany's (1961) met kroontje in het hoog opgestoken haar, pareltjes in de oren, pareltjes om de hals en een sober, inktzwart Givenchy-jurkje om het scharnierende lijfje. Ze lijkt zo weg gestapt uit de film, alsof ze elk moment kan gaan praten en bewegen, met die eeuwige meisjesstem en dat eeuwige meisjeslichaam.
Groenteman kijkt naar het affiche en is opnieuw aangedaan: "Ze is zó mooi, zó lief. Te perfect? Ben je gek, als je goed kijkt zie je dat ze vrij grote, afstaande oren heeft, en ze had ook hele grote voeten, ik geloof wel maat 41. En dat kleine, knokige lichaam, vel over been, dat kun je toch niet perfect noemen." Over één ding kan Groenteman niet uit, en dat is, dat er ook een kind op het affiche is afgebeeld, spelend met de barbiepop, heel functioneel, alsof de pop ons niet op eigen kracht kan of mag betoveren, alsof we daarvoor de blik van een kind nodig hebben. Het doet haar echt pijn. Ze ervaart het als een hopeloze stijlbreuk. En ja, als er iets niet thuis hoort in het universum van Audrey Hepburn, dan is het wel een stijlbreuk. Audrey Hepburn & Stijl vormen een twee-eenheid, vooral dankzij haar hechte verbintenis met couturier Hubert de Givenchy die haar kleedde voor Funny face (1957), Love in the afternoon (1957), Breakfast at Tiffany's (1961), Charade (1963), Paris when it sizzles (1964) en How to steal a million (1966). "Audrey was known for something which has disappeared, and that is elegance, grace and manners... God kissed her on the cheek, and there she was", aldus Billy Wilder.

Verwarde haren
En toch, ondanks dat toonbeeld van elegantie, dat ballerinalichaam, dat hert-achtige gezicht op die hert-achtige lange hals, was Audrey Hepburn een heel normaal meisje, althans, dat is wat ze in een perfect spel met die twee imago's, het hemelse en het aardse, keer op keer liet zien. In Roman holiday was ze de prinses die dolgraag een normaal meisje wilde zijn, en daartoe ook even de gelegenheid kreeg. In Funny face was ze het normale meisje dat mee zwierde in de armen van Fred Astaire, en een topmodel werd. In beide metamorfoses was ze geloofwaardig, van het hemelse naar het aardse, en van het aardse naar het hemelse.
Dat Fred Astaire uitgerekend haar 'sunny, funny face' bezingt, terwijl hij haar in een rood beschenen doka mee walst in zijn armen, is ook zo gepast. Bij Audrey Hepburn draait het niet om borsten, dijen, heupen, billen, maar om haar sprekende gezicht. Ze straalt geen seks uit, en is dus niet zo zeer een mannenfantasie, maar een meisjesfantasie. Jongensachtig, op die platte schoentjes, in die smalle pantalon, in die bloes met driekwartsmouw en knoop op de buik en dat kortgeknipte haar, Coupe Infante '66, waar hele vrouwenstammen mee aan de haal gingen.
Misschien waren de vrouwen toentertijd moe van alle hoge hakken, ingesnoerde tailles, diepe decolletés. Er is een foto van Anna Magnani waarop ze vermoeid in de camera kijkt. Verwarde haren, het lichaam iets naar voren gekanteld, waardoor ze bij haar pijnlijke voeten kan, en waardoor haar volle borsten bijna uit haar jurk rollen. Van Audrey Hepburn is zo'n foto niet denkbaar.

Belinda van de Graaf

Het Audrey Hepburn-retrospectief vindt plaats van 8 juli t/m 1 september in het Filmmuseum, Amsterdam. Informatie: 020-5891400, www.filmmuseum.nl

Naar boven

Utopia

Exit Exotica

Hoe ziet een maatschappij eruit waarin alle uitwassen en afwijkingen zijn verbannen, zodat er een geëgaliseerde samenleving overblijft? Talloze filmmakers hebben hun Utopia en Dystopia op film gezet.

Shangri-la als flipperkast.

Heb je in deze tijden van dreigende oorlog nooit gedroomd van een plek waar vrede en veiligheid heerst, waar het leven geen strijd is maar een voortdurende vreugde? Natuurlijk heb je dat wel eens gedaan. Daar heeft iedereen wel eens over gedroomd sinds het begin der tijden. Altijd dezelfde droom.
Deze woorden stonden in 1937 aan het begin van de avonturenfilm Lost horizon van Frank Capra, en inderdaad, zolang er mensen op aarde zullen rondlopen, zal er verlangd worden naar Utopia.
Net als in de hemel is het een saaie bedoening in Utopia. We stellen ons er eigenlijk gewoon de echte wereld bij voor - bloemen, liefde, zon -, want een totaal andere wereld kunnen we niet bedenken. Het enige verschil is dat Utopia is ontdaan van alle afwijkingen. Utopia heeft geen dubbele bodem.
In Lost horizon belandt een groep mensen na een vliegtuigongeluk in een prachtig, zonnig land in de Himalaya, dat de Vallei van de Blauwe Maan wordt genoemd. In dit vruchtbare Shangri-La ligt geen sneeuw. Sneeuw is maar lastig. Iedereen is gelijk in Shangri-La. De bewoners hebben een diepgaand geloof in de middelmaat. De grootste deugd is om excessen te vermijden. Met als gevolg dat alles middelmaat is, ook de deugd zelf. De mensen zijn gemiddeld eerlijk, gemiddeld kuis en gemiddeld gelukkig, zo zegt Chang, de oprichter en leider van Shangri-La.
Shangri-La is één grote ontkenning van de natuur en de menselijke aard, een schuilplaats waar geweld en machtswellust is uitgebannen. Maar paradoxaal genoeg is dit Utopia juist de ultieme uitingsvorm van machtswellust. Want wie zoals Chang eigenhandig een geïsoleerde plek creëert waar de mensen hun ware aard onderdrukken en worden gereduceerd tot een brede glimlach, heeft megalomane trekjes. Ook typisch menselijk: we willen over alles macht hebben, ook over het uitbannen van macht.

Elitair
In
Big fish (2004) van Tim Burton belandt fantast Edward Bloom in het idyllische schommelstoeldorpje Spectre waar niemand ooit weggaat omdat het gras er zo mooi is. Edward vertrekt toch, want wie in Spectre blijft, is eigenlijk al dood. Een ander droomdorpje dat je op geen kaart tegenkomt is Pleasantville. In de gelijknamige film uit 1998 van Gary Ross komen broer en zus via een magische afstandsbediening in een jaren vijftig tv-serie terecht. Het dorpje Pleasantville is de natte droom van Balkenende, een zwart-witte wereld waar broer en zus letterlijk kleur in brengen.
Utopia kan op drie plekken liggen: in het verleden, aan de andere kant van de wereld of in de toekomst. Pleasantville zou een dorpje kunnen zijn dat eeuwig aan de horizon ligt, ogenschijnlijk op loopafstand. Het ligt net als het verleden altijd achter je. Utopia, Shangri-La, El Dorado, Eden, Paradijs, Spectre of hoe je het ook wilt noemen liggen doorgaans op afgelegen plekken in exotische oorden. Over de verre toekomst kan de fantasie helemaal op hol slaan. Veel sciencefictionfilms beginnen met een geëgaliseerde samenleving die onvermijdelijk wordt gevolgd door een dystopie (het tegenovergestelde van utopie).

Revolutie
Het verst vooruit keek H.G. Wells in 'The time machine', die onder ander in 1960 verfilmd is door George Pal. De uitvinder uit boek en film belandt met zijn tijdmachine in maar liefst het jaar 802.701, waar hij een lui, elitair volk aantreft dat bediend wordt door arbeiders. Er is eigenlijk niet veel veranderd zou je zeggen. Alles is alleen uitvergroot. De bevolking is vrijwillig initiatiefloos en kuiert maar voort.
Het grote schrikbeeld van een willoze massa mensen die door een dictator met angst wordt geregeerd, is natuurlijk allang talloze malen werkelijkheid geworden. George Orwells 'Animal farm' is de beroemdste satire op het communisme, in 1954 verfilmd door Joy Batchelor die daarmee de eerste Britse lange animatiefilm afleverde. Na de revolutiecoup van de boerderijdieren zijn sommige dieren meer gelijk dan de ander.
In de sciencefictionfilm Equilibrium (Kurt Wimmer, 2002) heeft het regime de oorlog totaal uitgebannen door alle emoties te verbieden. Wie voelt wordt ter dood veroordeeld. Ook in THX 1138 (George Lucas, 1971) worden er drugs gebruikt om de bevolking in toom te houden en seksuele gevoelens te onderdukken.
De liefde is vaak de weg tot de bevrijding. De bekendste toekomstnachtmerrie is '1984', in 1984 verfilmd door Michael Radford. Via de liefde probeert een bureaucraat te ontsnappen aan Big Brother, net zoals in Code 46, de nieuwste film van Michael Winterbottom. In dit toekomstvisioen vrijen twee mensen met elkaar, wat tegen elke regel indruist. Hiervoor moeten ze een hoge prijs betalen maar wat ze ervoor terugkrijgen is een eigen wil, of in ieder geval de suggestie daarvan.
In een wereld waarin iedereen gelijk moet zijn, is geen plek voor de vrije wil, net zoals vrijheid en veiligheid elkaar niet kunnen verdragen. Wie een perfect mens wil creëren, maakt een willoos mens.

Mariska Graveland

Naar boven

Shrek 2

Animatie met de illusie van realiteit

De ondertoon van spot is nep en de wijsheden over menselijke relaties gaan niet verder dan de eerste de beste brievenrubriek. Veel plezier met Shrek 2.

De draak: schoonouders.

Scenarioschrijven is nog steeds niet hetzelfde als het recyclen van oud papier. Toch is het in de VS succesvolle vervolg op Oscarwinnaar Shrek weinig meer dan dezelfde hutspot met extra kruiden. Alles wat opviel in het eerste deel, de verwijzingen, de grappen, de retromuziek en het thema (houd van uzelve ook als de mensen u uitspugen), staat ook lauwwarm in het tweede deel op tafel.
Shrek (stem van Mike Myers) verslaat dit keer geen draak maar zijn schoonouders (John Cleese en Julie Andrews) die de groene ogre het liefst zo snel mogelijk terugduwen in het moeras waar hij vandaan komt. Zonder hun dochter Fiona (Cameron Diaz) dan, want die zien ze liever in het wit naast Prince Charming (Rupert Everett) op het bordes. Daarbij worden ze geholpen door de machtsgeile maar weinig inspirerende Goede Fee (Jennifer Saunders) en haar toverdrankenimperium. Het enige echt nieuwe en grappige is het personage van de Gelaarsde Kat (Antonio Banderas) die met veel swung en campie Spaans accent de pratende ezel (Eddie Murphy) aftroeft. De ezel probeert het nog wel even ("de rol van irritant pratend dier is al bezet", grapt hij zelfbewust), maar tevergeefs.
Shrek 2 bedrijft hier en daar vrijblijvende en dus onschuldige satire op Hollywood en er zijn een paar amusante citaten - Pinokkio die als Tom Cruise in Mission: impossible via een touw in een kerker afdaalt - en grappen - de Gelaarsde Kat die in een cruciaal gevecht een haarbal uitspuugt. 'Amusant' want het blijft vaak bij een glimlach. Maar dat is het dan.

Spagaat
Shrek 2 is als een baby die precies weet hoe hij volwassenen moet paaien. Natuurlijk wisten de makers dat ze niet met dezelfde plot op de proppen konden komen. Dus gaven ze het verhaal nét iets meer diepgang. Dat betekent: exit vuurspuwende draak, enter relatieperikelen. 'Net echt', moeten veel mensen denken. Misschien bij DreamWorks maar toch net niet in ons universum. Voor een serieuze ondertoon is het allemaal te mager. De reden is dat Shrek zowel volwassenen als kinderen te vriend wil houden en dat is een lastige spagaat nadat het verrassingseffect met de eerste Shrek verdween. Het gevolg is dat Shrek 2 je nergens echt raakt.
De vraag is natuurlijk of je een animatiefilm serieus neemt of niet. Met andere woorden, kun je met animatie een serieus of nieuw verhaal vertellen? Vermoedelijk vinden veel mensen dat fantasiepersonages daar niet toe in staat zijn. Maar neem de strip Maus of de animatie Ghost in the shell, die laten zien dat het wel kan. Shrek 2 koos voor zijn eigen conventies. Vermaak is prima, maar doe dan niet alsof je iets zinnigs over menselijke verhoudingen te vertellen hebt.

Ronald Rovers

Shrek 2
Verenigde Staten, 2004
Productie: Jeffrey Katzenberg, David Lipman, Aron Warner, John H. Williams
Regie: Andrew Adamson, Kelly Asbury, Conrad Vernon
Scenario: William Steig, J. David Stem, Joe Stillman, David N. Weiss
Montage: Michael Andrews
Visual effects: Francois Antoine
Muziek: Stephen Barton, Adam Duritz, Harry Gregson-Williams, James McKee Smith
Stemmen: Mike Meyers, Cameron Diaz, Antonio Banderas, Eddie Murphy, John Cleese, Julie Andrews
Distributie: UIP
Te zien: vanaf 1 juli

Naar boven

Zebraman

Bespottelijke nietsnut redt Japan

Met het stripachtige Zebraman, over een nietsnut die tot superheld transformeert, laat de Japanse filmbeul Takashi Miike (Audition) zich van zijn clowneske kant zien.

Zeebuuraaman!

Die Takashi Miike toch. Zijn 59e film Zebraman beleefde dit jaar in Rotterdam de wereldpremière en intussen heeft hij nummertje zestig al weer ingeblikt. Dat zijn drang om alles te filmen wat hem aangeboden wordt regelmatig resulteert in werkjes die alleen op video uitkomen, zal hem een rotzorg zijn. De 'direct to video'-markt in Japan is immers bloeiend, en aan filmische conventies heeft hij een broertje dood. Je zou het met films vol mutilatie, perversiteiten en diepe wanhoop als Visitor Q, Audition en Dead or alive niet denken, maar toch heeft Miike ook een zachte kant. De in Engeland uitgebrachte musicalkomedie The happiness of the Katakuris bevat vrolijke zang en dans, en afgezien van een korte maar krachtige schetenuitbarsting valt er niets onsmakelijks te zien.
Ook Zebraman toont Miike in een vrolijke bui. De suffe leraar Shinichi (Sho Aikawa) biedt de sleur het hoofd door zich 's nachts als Zebraman, zijn favoriete superheld, te verkleden. In een leren zebrapak gestoken sluipt hij rond door de straten en houdt denkbeeldige gevechten met buitenaardse indringers. Groot is zijn schrik waneer hij op een dag een groep échte engerds uit de ruimte ontmoet. Groot is ook zijn trots wanneer blijkt dat hij in staat is zichzelf in de echte Zebraman te veranderen, om zo Japan van de ondergang te redden.

Ultraman
Het thema van de zwaar bebrilde salaryman, de bespottelijke ambtenaar die zijn nederige maatschappelijke status inruilt voor een rol als held en zo eindelijk zijn zelfrespect herwint, is een terugkerend thema in de Japanse film. Takashi Miike kruiste dit onderwerp met een dolkomische ode aan de legendarische Japanse tv-serie Ultraman, waarin het superheldendom op de hak werd genomen. Anti-held Ultraman dook ook op in een reeks speelfilms zoals Ultraman: monster's great duel. Die titel klinkt naar camp, en dat is het ook. Middenin Zebraman gaat Miike dan ook compleet los met een spetterende seventies-pastische, compleet met beukende retro-soundtrack, bonte kleuren, idiote monsters en zowaar een gastoptreden van Zebrawoman. Natuurlijk worden de slogans 'Zebraman!' en 'double kick' hier met zwaar Japans accent uitgekrijst als 'Zeebuuraaman' en 'dooberoo kicku!'
Zover alles goed, ware het niet dat Miike in zijn oude fout vervalt: het is overduidelijk dat de beste man geen meter uit zijn werk wil snijden, wat wederom een film oplevert die met gemak een minuut of twintig korter had mogen duren. Dat is dan ook de enige kritiek, want Zebraman is een sympathiek werkje van een man die naast de beul gelukkig ook de clown kan spelen.

Mike Lebbing

Zeburaman/Zebraman
Japan, 2004
Productie: Okada Makoto, Hattori Tsuguo
Regie: Takashi Miike
Scenario: Kankuro Kudo
Camera: Kaz Tanaka
Montage: Taji Shimamura
Muziek: Kozy Endo
Met: Sho Aikawa, Kyoka Suzuki, Watabe Atsuro, Kumiko Aso, Akira Emoto
Kleur, 115 minuten
Distributie: Bright Angel
Te zien: vanaf 26 augustus

Naar boven

Supersize me

New-Yorker met McMaagpijn

Documentairemaker Morgan Spurlock stelt in Supersize me het Amerikaanse eetpatroon aan de kaak. Hij at een maand lang alleen maar fastfood bij McDonald's.

Voer voor opgezette lever.

Hoe ongezond is het om alleen maar bij McDonald's te eten? Zonder twijfel heel ongezond: het is zonneklaar dat niet de hele schijf van vijf in de Big Mac, de McNuggets en de Franse frietjes vertegenwoordigd is. En die vanzelfsprekendheid haalt een beetje de angel uit Spurlocks poging om met Supersize me McDonald's aan de schandpaal te nagelen. In zijn documentaire doet hij verslag van een streng fastfooddieet waar hij zich een maand lang op gezet heeft. Dertig dagen lang ontbijt, luncht en dineert hij louter bij McDonald's, en onderzoekt samen met drie artsen en een diëtist hoe zijn lichaam daar op reageert. Het resultaat na 90 McDonald's-maaltijden is vrij desastreus: Spurlock, een slanke, gezonde New-Yorker is meer dan twaalf kilo aangekomen, hij heeft eenzelfde soort lever als die van een zware alcoholist en een veel te hoge bloeddruk. Heftig, maar geenszins verbazingwekkend.
Voor de bazen van McDonald's, die Spurlock in de documentaire na aanhoudend proberen niet aan het woord kreeg, is het niet moeilijk om hun producten achteraf te verdedigen tegen de gevolgen van dit excessieve dieet. Niemand eet drie keer per dag McDonald's, en niemand moet dat ook doen, zo verklaarde de Australische directeur.

Soepblikken
Spurlock werkt in de traditie van Michael Moore: ook hij legt de vinger op de rotte plekken van de Amerikaanse samenleving en wijst de politiek en de commercie aan als hoofdschuldigen. Zo blijkt uit interviews met deskundigen dat onder druk van voedselleveranciers kinderen op scholen al heel slecht en eenzijdig eten, en dat lobbyisten van grote fabrikanten veel invloed in Washington hebben. Ook maakt hij reportages op scholen en doet daar onder andere empirisch onderzoek bij jonge kinderen: het gezicht van Bush of Jezus kennen ze niet, maar wie Ronald McDonald is, weet iedereen.
Michael Moore toont in zijn boek 'Stupid white men' overigens ook al hoezeer de consumptie-industrie vervlochten is met de Amerikaanse onderwijsinstellingen, en haalde ook veel schokkendere feiten boven water dan Spurlock: zo vertelt hij dat soepfabrikant Campbell gratis computers levert aan scholen die veel soepblikken afnemen.
Spurlocks documentaire is veel minder onthullend drammerig en demagogisch dan Moore, en (daardoor) ook minder effectief dan de films en boeken van Michael Moore. Zijn gesprekken zijn informatief, maar doen soms vrijblijvend aan. Hij belicht verschillende invalshoeken maar plaatst geen ferm statement, en lijkt nooit de kern van het probleem te raken.
Desondanks is Supersize me zeker onderhoudend. Spurlocks eerste complete supersize McDonald's-menu voelt eerst na consumptie aan als McBaksteen, daarna krijgt Spurlock last van McMaagpijn, waarna hij de maaltijd uitbraakt. Niet erg smakelijk, wel geestig.

Pieter Bots

Supersize me
Verenigde Staten, 2003
Productie, regie en scenario: Morgan Spurlock
Camera: Scott Ambrozy
Geluid: Hans ten Broeke
Montage: Stela Gueorguieva
Kleur, 98 minuten
Distributie: A-Film
Te zien: vanaf 22 juli

Naar boven

Metallica: some kind of monster

Zware jongens op de divan

Een enorme crisis die het voortbestaan bedreigde van Metallica, de beroemdste heavy metal band ter wereld, is het onderwerp van een openhartige documentaire.

Metallica en hun therapeut.

Voor wie het nog niet wist: heavy metal is geen nietig subcultuurtje dat uitsluitend wordt bevolkt door puisterige pubers. Neem de Amerikaanse band Metallica, die al ruim twintig jaar overal ter wereld zalen platspeelt voor een divers publiek en verantwoordelijk is voor 90 miljoen verkochte albums. En dat alles met beenharde muziek, die al jaren wordt beschouwd als een grote vernieuwende factor binnen het genre. De uitbundige levensstijl van de bandleden - de groep werd ook wel gekscherend 'Alcoholica' genoemd - begon de ruime dertigers enkele jaren geleden op te breken. En dan hebben we het niet alleen over geteisterde levers, ook psychisch zat de band in het desastreus verlopen jaar 2001 op een dood spoor. Tijdens het maken van een nieuw album nam Metallica daarom een groepstherapeut in dienst. Op dat moment begonnen documentairemakers Joe Berlinger en Bruce Sinofsky (Paradise lost) met een cameracrew de band dag in dag uit te volgen. Ruim twee jaar later werden de opnamen de documentaire Metallica: some kind of monster voltooid.
Het is een onthullend portret van een band in crisis: bassist en motor Jason Newsted verlaat de band, de opnamen voor het album verlopen stroef, de enorme ego's van drummer Lars Ulrich en gitarist/zanger James Hetfield botsen voortdurend.

Kokend
Berlinger en Sinofsky hanteren de 'fly on the wall'-methode, maar concentreren zich daarbij eerder op de harde noten die tijdens de therapiesessies worden gekraakt dan die van de snoeiharde muziek. Dat levert een redelijk intiem portret op, maar de bandleden laten zelden het achterste van hun tong zien. Daarom is het hoogtepunt makkelijk aanwijsbaar: een confrontatie tussen ex-gitarist Dave Mustaine (die in 1983 uit de band werd gezet) en Lars Ulrich is ontluisterend, want doordrenkt van twintig jaar wrok en pijn van de kant van Mustaine.
Al met al is Metallica: some kind of monster vooral interessant voor de fans, want voor de buitenstaanders wordt het bijzondere van de muziek en de band niet echt inzichtelijk gemaakt. Alleen de persoonlijke worsteling van Hetfield om zich van zijn demonen te bevrijden levert een vuistvol realistisch drama op. Nee, neem dan het slotakkoord, de opening van het eerste concert van Metallica sinds Hetfields 'rehab'. Met de intro-tonen van het The good, the bad & the ugly-thema start het kippenvel en speelt de band een schitterende thuiswedstrijd voor een kokend publiek. Waardoor weer eens duidelijk wordt dat zelfs een paar minuten muziek van Metallica de makers zelf ver overstijgt, alle zieleroerselen, persoonlijke crises, en getuigenissen op de divan ten spijt.

Mike Lebbing

Metallica: some kind of monster
Verenigde Staten, 2004
Productie, regie, scenario: Joe Berlinger, Bruce Sinofsky
Camera: Wolfgang Held, Robert Richman
Montage: Doug Abel, M. Watanabe Wilmore, David Zieff
Muziek: Metallica, Bob Rock
Kleur, 120 minuten
Distributie: IDFA
Te zien: vanaf 17 juni

Naar boven

American splendor

Stripfiguur in je eigen leven

American splendor is een stripreeks over het gewone leven. Van het levensverhaal van de stripschrijver is nu een originele, ontroerende film gemaakt.

Wie is Harvey Pekar?

"Ordinary life is pretty complicated stuff", merkt Harvey Pekar, de echt bestaande hoofdpersoon uit American splendor, in volle ernst op. Wat heet: hij is een stripverhaal begonnen over zichzelf, omdat strips eigenlijk nooit over 'ordinary life' gaan, en laat daar de figuren uit zijn omgeving - de zonderlinge collega's op zijn werk als archiefmedewerker in een ziekenhuis - in optreden. De beroemde groezelige-striptekenaar Robert Crumb bood aan zijn stripverhalen van tekeningen te voorzien. Later schakelt hij ook andere tekenaars in. De niet aflatende reeks wordt, onder de titel 'American splendor', een groeiend succes.
Harvey Pekar verzet zich geagiteerd tegen simplificatie, in eerst instantie die van zijn eigen persoon. Hij is mislukt maar ook succesvol, aardig, moeilijk, belangstellend, egocentrisch, heeft gezond verstand en is zwaar dwangneurotisch, en intelligent zonder het leven volop te begrijpen. Hij is kortom een stripfiguur (letterlijk) die zich niet tot stripfiguur wil laten reduceren. En daarin ligt het briljante van de vorm van de strips 'American splendor' - steeds door hemzelf geschreven, maar telkens door een ander getekend. Opdat de lezer nooit vergeet dat de echte Harvey ergens in het ongrijpbare midden tussen al die getekende Harvey's ligt.

Hogedrukogen
De film gaat hier op een prachtige manier nog verder op in. Regisseursduo Shari Springer Berman en Robert Pulcini laat de echte Harvey optreden, de verschillende stripversies en een geacteerde Harvey. Een uitstekend geacteerde Harvey trouwens. Paul Giamatti lijkt zich met zijn verkrampte mondhoeken, bolle hogedrukogen, grommende tanden en ongemakkelijke houding vooral door Crumbs tekeningen te hebben laten inspireren, en het is een genot om te zien hoe hij fysieke tragiek weet aan te brengen - die hese stem die wanhopig probeert dingen duidelijk te maken, de blikken die steeds naast degene scheren met wie hij praat.
Het prachtige van American splendor is dat de film een diep inzicht geeft in de menselijke drang om te simplificeren. Zo ontsteekt Harvey in woede wanneer zijn 'nerdige' collega Revenge of the nerds een goede film blijkt te vinden. Wordt hier niet een schaamteloos sprookje neergezet, waarin de kneusjes eigenlijk ook best meekomen, en uiteindelijk winnen? Maar nadat hij de nerd de huid heeft volgescholden realiseert Harvey zich: dit soort simplificaties van de werkelijkheid biedt nu eenmaal troost.
American splendor is levensecht en ontroerend. Maar als je aan het eind van de film nog eens de echte Harvey ziet weet je weer: je kent nog steeds maar het halve verhaal. Al biedt dat, in de vorm van de film American splendor, vast en zeker een goede indruk.

Chris Buur

American splendor
Verenigde Staten, 2003
Productie: Ted Hope
Regie en scenario: Shari Springer Berman en Robert Pulcini, naar de strips van Harvey Pekar en Joyce Brabner
Camera: Terry Stacey
Montage: Robert Pulcini
Casting: Ann Goulder
Animatie: John Kuramato
Met: Paul Giamatti, Judah Friedlander, Hope Davis, Harvey Pekar
Kleur, 101 minuten
Distributie: Filmmuseum
Te zien: vanaf 1 juli

Naar boven

Thunderbirds

Thundernerds are gone

In de door levende acteurs bevolkte versie van de klassieke marionettenserie Thunderbirds is de nerdy familie Tracy veranderd in een legertje mannetjesputters.

Aartsvijand The Hood.

De perfect op ijverige schooljongetjes toegesneden sixtiesserie 'Thunderbirds' werd bevolkt door nerds, in een tijd dat dat nog gewoon een scheldwoord was. Dat kwam niet eens zozeer door de koddig klapperende kaakjes en de houterige motoriek van de met Supermarionation aangedreven poppen, maar door hun consequente padvindersgedrag. De seksloze, in malle blauwe stewardessenpakjes verpakte bemanning van de futuristische Thunderbird-voertuigen viel nimmer te betrappen op eerzucht, jaloezie, hoogmoed of andere duistere drijfveren. Voor de Amerikaanse familie Tracy was het op spectaculaire wijze voorkomen van rampen net zo vanzelfsprekend als met twee woorden spreken, oversteken bij groen en de deur openhouden voor dames zoals hun nuffige Britse helpster Lady Penelope. De geheime organisatie International Rescue bewaakt de wereldvrede namens alle correcte burgers ter wereld, beschaafd, vastberaden en zonder nodeloos geweld.
In de speelfilmversie zijn de pittige Pinokkio's door de Hollywoodfee omgetoverd in echte mannetjes. Hun karakter en uiterlijk veranderde mee, zodat de Tracy's er nu bijlopen als een stoer elitekorps in masculiene uniformen. De nieuwe pakjes doen denken aan
Star trek en ook de goed verzorgde trucages zijn ingekocht bij een goed gesorteerde sf-supermarkt.

Palmbomen
In de tv-serie liet schepper Gerry Anderson zijn futuristische voertuigen aankoppelen, manoeuvreren, opstijgen en landen met een welhaast pornografisch oog voor technische details. De als een actiefilm gemonteerde bioscoopversie gaat daar veel te haastig aan voorbij. Weliswaar schuift het zwembad nog steeds opzij als de rode raket Thunderbird 1 wil opstijgen, en ook klappen de palmbomen op Tracy Island gewillig dubbel om het groene gevaarte Thunderbird 2 te laten passeren. Vroeger waren dat iedere aflevering terugkerende hoogtepunten, nu wordt het maar zo'n beetje afgeraffeld.
Veel meer tijd besteedt de film helaas aan het verhaal van de jongste zoon Alan, die van pater familias Jeff Tracy (Bill Paxton, houterig als altijd) niet mag meevliegen met de Thunderbirds, omdat hij eerst zijn school moet afmaken. Als Tracy's diep gestoorde aartsvijand The Hood (een amusant schmierende Ben Kingsley) het geheime eiland van de Tracy's aanvalt mag de tienerzoon zich bewijzen. Net als de rest van de bioscoop-Tracy's ontpopt ook Alan zich als een mannetjesputter in de dop. Anders dan vroeger is er nauwelijks plaats meer voor nerds. Alleen de goeie ouwe ingenieur Brains mocht zijn onhandige zelf blijven, net als zijn slimme zoontje en een juffrouw in het gevolg van The -Hood. Je pikt ze er zo uit, die resterende nerds: ze hebben een bril en een spraakgebrek.

Fritz de Jong

Thunderbirds
Verenigde Staten, 2004
Regie: Jonathan Frakes
Scenario: William Osborne, Peter Hewitt en Michael McCullers, naar de tv-serie van Gerry en Sylvia Anderson
Camera: Brendan Galvin
Montage: Martin Walsh
Art direction: Stephen Morahan en John Frankish
Muziek: Ramin Djawadi en Hans Zimmer
Met: Brady Corbett, Soren Fulton, Bill Paxton, Anthony Edwards, Ben Kingsley
Distributie: UIP
Te zien: vanaf 29 juli

Naar boven

The station agent

Dwerg met afweermechanisme

The station agent heeft geen gemakkelijke hoofdpersoon: een mensenschuwe, trainspottende dwerg. De regisseur maakte er een gloedvolle, geestige en uitzonderlijk goed geacteerde film van.

Zonderlingen vinden elkaar.

"Waarom moet mijn personage een dwerg zijn?" vraagt lilliputter Tito geïrriteerd aan regisseur Steve Buscemi in Living in oblivion. "Omdat we een droomscène filmen stoppen we er maar een dwerg in!? Heb jij ooit een dwerg in je droom gehad? Nee toch! Zelfs ík droom niet over dwergen!" En woedend loopt Tito van de set af. De uitbarsting van de chagrijnige dwerg is het hoogtepunt van de hilarische film-over-film. En tegelijkertijd uiterst pijnlijk, want dwergen komen er altijd bekaaid van af - in films misschien nog wel meer dan in het echt. Maar niet in The station agent. Daarin speelt de kleine acteur Peter Dinklage, die zo prachtig boos werd in Living in oblivion, een schitterende rol als barse trainspotter Vin.
Vin heeft een verlaten, vervallen stationnetje geërfd, ergens in een landelijke uithoek van New Jersey. Het is niet veel maar Vin is tevreden. Hij rolt zijn shaggies, leest boeken over oude locomotieven en loopt over verlaten spoorwegen. Want Vin is trainspotter, en houdt meer van treinen dan van mensen.
Niet vreemd als je ziet hoe hij wordt bekeken en benaderd. Nageroepen ("waar is Sneeuwwitje?") of als een dierentuindier op de foto gezet.

Gloedvol
Recht tegenover zijn station staat de koffie- en ijskar van Joe, een druktemaker uit New York. De irritante maar hartveroverende Joe (tv-acteur Bobby Cannavale - een ware ontdekking) verveelt zich kapot en vindt Vin helemaal te gek, hoe hard die ook zijn toenaderingspogingen afslaat. Dan is er nog Olivia, een verwarde en labiele vrouw (een schitterende, gekwetste rol van Patricia Clarkson) die Vin in één dag twee keer van de weg af rijdt. De eenzame Joe en Olivia voelen zich aangetrokken tot de zwijgzame dwerg. In prachtige, trage scènes - samen in stilte over het spoor wandelen, zwijgend koffie drinken - groeien de drie zonderlingen langzaam naar elkaar toe.
The station agent is de beste en leukste Amerikaanse independent sinds tijden. De film is even gloedvol als geestig en balanceert trefzeker tussen somberte en optimisme. Debuterend regisseur en scenarioschrijver Thomas McCarthy, zelf ook acteur, geeft in lange, haast plotloze scènes zijn acteurs alle ruimte, waardoor ze van alle rollen iets bijzonders maken. De volledige cast kreeg de hoofdprijs van de Screen Actors Guild Awards, het scenario een BAFTA en talloze kritiek- en publiekspijzen.
The station agent is geen pamflet dat oproept lief te zijn voor dwergen en geen pleidooi tegen discriminatie, maar een verhaal over een man wiens zelfverkozen afweermechanisme langzaam ontdooit door een vriendschap, die tot het einde toe even onwaarschijnlijk als kwetsbaar blijft.

Rik Herder

The station agent
Verenigde Staten, 2003
Productie: Robert May, Mary Jane Skalski, Kathryn Tucker
Regie en scenario: Thomas McCarthy
Camera: Oliver Bokelberg
Montage: Tom McArdle
Muziek: Stephen Trask
Met: Peter Dinklage, Patricia Clarkson, Bobby Cannavale
Kleur, 86 minuten
Distributie: 1 More Film
Te zien: nog niet bekend

Naar boven

Freakmanifest

Wat vooraf ging
Ergens in Nederland, aan de rand van het IJsselmeer. In een grote zilveren caravan zitten drie mannen en een vrouw aan tafel. Op de achtergrond klinkt een merkwaardige muzikale mix, waaruit de klanken opwaaien van Osdorp Posse, Captain Beefheart en Mexicaanse rap, doorsneden met de nieuwste Bulgaarse gabbertechno.
De zaak is deze. Harry, Henk, Willem en Sonja komen net van de Filmacademie. Wat de vier kersverse afgestudeerden bindt is de drift om het filmlandschap eens flink op te schudden, om, zoals Willem het uitdrukt, "eindelijk 'ns bij vol tequilabewustzijn door de de beddenveren van de redelijkheid te zakken en de waanzin een koortsig handvat te geven". Of zoals de buitengewoon dyslectische Henk - de 'indiaan' van de groep, een man met een wonderlijke carrire als eenarmig jazzdrummer en restaurateur van neosymbolistische bloemstillevens achter zich - het kernachtig samenvat: "Niet lullen, maar poetsen."
Waarop Sonja de vergadering glans geeft door op te merken dat het tijd wordt dat "de freak zich onder de drempel van laffe westerse tolerantie uitwurmt en de maatschappij het woord stigma opnieuw leert spellen".
Het klinkt cryptisch, zegt Harry, maar wat Sonja eigenlijk bedoelt is dat het freakdom, zoals oorspronkelijk belichaamd door de dropouts van de jaren zestig, aan inflatie onderhevig is; freaks zijn commercieel geaccepteerd geraakt door de groeiende populariteit van alles wat door de media wordt bijgezet in het pantheon van cult en slechte smaak. Aan hn, zoals ze daar bij elkaar zitten aan de boorden van het IJsselmeer, de taak om het freakgehalte van de freak weer op te pompen tot geloofwaardige proportie.

En wat er gebeurde
Het viertal verlaat de caravan en voegt de daad bij het woord. Terwijl Henk een billboard in de wei installeert en Willem de spijkers pakt, branden Sonja en Harry teksten in een glad geschoren koeienhuid. Met vereende krachten timmeren ze het vel op het stevige hout. Harry doet een paar stappen terug en kijkt bewonderend naar zijn strakgespannen leren geloofsbrief. Met Mozasche stentorstem declameert hij vervolgens het MANIFEST VOOR FREAK CINEMA:

1FREAK CINEMA IS HET SLECHTE GEWETEN VAN DE GOEDE SMAAK.
2 FREAK CINEMA BRENGT HET BRANDERIGE GELUID VAN DE ONBEMANDE KETTINGZAAG WEER TERUG IN DE HUISBIOSCOOP.
3FREAK CINEMA ALS MENTALE NIERSTEEN: GEVOED DOOR GESTOLDE SCHAAMTE EN STEKENDE, GRUIZIGE HUMOR.
4FREAK CINEMA WIL GRG GESTIGMATISEERD WORDEN ALS ONFRIS, WAANZINNIG EN ONGENEESLIJK NEUROTISCH.
5FREAK CINEMA IS DE ONGEIJKTE BAROMETER VAN EEN POSTPLATOONSE, ZIEKE WERELD.
6 FREAK CINEMA VERHOUDT ZICH TOT MAINSTREAM ALS WILLIAM BURROUGHS TOT PIET PAALTJENS.
7FREAK CINEMA IS HET ONTPLOFTE WATERHOOFD VAN DE T DORSTIGE CULTUURDRAGER.
8IN DE WERELD VAN FREAK WORDT HET CONCEPT GELD SCHATEREND NIETIG VERKLAARD.
9FREAK CINEMA VERHEVIGT DE HOLLYWOOD-NACHTMERRIES VAN JOHN WATERS ONOPHOUDELIJK KWADRATISCH.
10FREAK CINEMA IS HET TRAUMATEAM VAN GEZOND VERSTAND.

Als hij is uitgesproken sluit Harry de dag en verklaart hij de freakproductiemaatschappij STIGMA FILM voor geopend. Daarna worden, onder bezielende eenarmige leiding van Henk, de flessen tequila ontkurkt.

Paul Kempers

Naar boven