The Big Sleep - september 2004, nr 258

Voor aanvullingen, kritiek en suggesties: stuur uw email naar Hans Beerekamp.


Barnes, Peter (73), Londen, 1 juli. Engels scenarist en toneelschrijver. Zijn bekendste werk was het ook verfilmde, scherp satirische stuk The ruling class (Peter Medak, 1972). Barnes kreeg een Oscarnominatie voor zijn bewerking van Elizabeth von Arnims roman Enchanted April (Mike Newell, 1992). Eerste geproduceerde script: Violent moment (Sidney Hayers, 1958). Voorts schreef hij onder meer The professionals (Don Sharp, 1959), Ring of spies (Robert Tronson, 1963), Not with my wife, you don't! (Norman Panama, 1963) en Voices (Malcolm Clarke, 1995). Produceerde en regisseerde enkele tv-films. Overleden aan een beroerte.


Bernstein, Elmer (82), Ojai, Ca., 18 augustus. Amerikaans filmcomponist. Oscar voor de originele muziek van de Julie Andrews-musical Thoroughly modern Millie (George Roy Hill, 1967), en nog dertien nominaties: de muziek van The man with the golden arm (Otto Preminger, 1955), de western The magnificent seven (John Sturges, 1960), de Tennessee Williamsverfilming Summer and smoke (Peter Glenville, 1961), de klassieker To kill a mocking bird (Robert Mulligan, 1962), Return of the seven (Burt Kennedy, 1966), Hawaii (Roy Hill, 1966), The age of innocence (Martin Scorsese, 1993) en Far from heaven (Todd Haynes, 2002), voor de song score en muzikale bewerking van Trading places (John Landis, 1983) en voor de originele songs 'My wishing doll' uit Hawaii, 'Wherever love takes me' uit Gold (Peter R. Hunt, 1974), alsmede de titelsongs van Walk on the wild side (Edward Dmytryk, 1962) en True grit (Henry Hathaway, 1969). Veelzijdige en productieve filmografie van protégé van componist Aaron Copland omvat voorts het door supporters van het nationale Engelse voetbalteam geadopteerde thema van The great escape (Sturges, 1963), low-budget B-films als Robot monster (Philip Tucker, 1953), spektakelfilms als The ten commandments (Cecil B. DeMille, 1955) en The buccaneer (Anthony Quinn, 1958), ernstig drama als Fear strikes out (Mulligan, 1957), Sweet smell of success (Alexander Mackendrick, 1957), Desire under the elms (Delbert Mann, 1958), Some came running (Vincente Minnelli, 1958), Birdman of Alcatraz (John Frankenheimer, 1962), Love with the proper stranger (Mulligan, 1963), The carpetbaggers (Dmytryk, 1964), The great Santini (Lewis John Carlino, 1979), The chosen (Jeremy Paul Kagan, 1981), Five days one summer (Fred Zinnemann, 1982), My left foot (Jim Sheridan, 1989), The field (Sheridan, 1990), The grifters (Stephen Frears, 1990), Rambling Rose (Martha Coolidge, 1991), de bewerking van Bernard Herrmanns originele score voor de remake Cape Fear (Scorsese, 1991), The rainmaker (Francis Ford Coppola, 1997), Bringing out the dead (Scorsese, 1999) en Keeping the faith (Edward Norton, 2000); westerns als The tin star (Anthony Mann, 1957), Hud (Martin Ritt, 1963), The sons of Katie Elder (Hathaway, 1965), The scalphunters (Sydney Pollack, 1968), The shootist (Don Siegel, 1976). Sinds National Lampoon's Animal House (Landis, 1978) werd Bernstein ook veel gevraagd voor komedies: Meatballs (Ivan Reitman, 1979), The blues brothers (Landis, 1980), Airplane!/Flying high! (Zucker, Abrahams & Zucker, 1980), Stripes (Reitman, 1981), An American werewolf in London (Landis, 1981), Ghost busters (Reitman, 1984), Spies like us (Landis, 1985), Legal eagles (Reitman, 1986), Oscar (Landis, 1991), Wild wild west (Barry Sonnenfeld, 1999) Een van de oprichters van het Varese Sarabande-platenlabel. Natuurlijke dood.


Betti, Laura (77), Rome, 30 juli. Italiaans zangeres, actrice en cultfiguur, eigenlijk Laura Trombetti. Jazzzangeres debuteerde min of meer als zichzelf in La dolce vita (Federico Fellini, 1960). Na een rolletje in Era notte a Roma (Roberto Rossellini, 1960) trad ze vooral op in films van haar boezemvriend Pier Paolo Pasolini, wiens geestelijke nalatenschap ze met enigszins bezitterige ijver behartigde. Rol van de dienstmeid in Teorema (Pasolini, 1968) bezorgde haar prijs voor beste actrice in Venetië (Coppa Volpi). Was voorts onder meer te zien in RoGoPaG (episode La ricotta; Pasolini, 1963), Le streghe (episode La terra vista dalla luna; Pasolini, 1967), Edipo Re (Pasolini, 1967), Capriccio all'Italiana (episode Che cosa sono le nuvole?; Pasolini, 1968), Paulina s'en va (debuut van André Téchiné, 1970), A man called Sledge (Vic Morrow, 1970), Reazione a catena (Mario Bava, 1971), I racconti di Canterbury/The Canterbury tales (Pasolini, 1972), Nel nome del padre (Marco Bellocchio, 1972), gecoupeerde scènes in Ultimo tango a Parigi/Last tango in Paris (Bernardo Bertolucci, 1972), Sbatti il mostro in prima pagina (Bellocchio, 1972), Sepolta viva (Aldo Lado, 1973), Allonsanfan (Paolo en Vittorio Taviani, 1973), La femme aux bottes rouges (Juan Luis Buñuel, 1974), Fatti di gente per bene/La grande bourgeoise (Mauro Bolognini, 1974), Vizi privati, pubbliche virtú (Miklos Jancsó, 1975), Novecento/1900 (Bertolucci, 1976), La nuit, tous les chats sont gris (Gérard Zingg, 1977), Un papillon sur l'épaule (Jacques Deray, 1978), Viaggio con Anita (Mario Monicelli, 1979), La luna (Bertolucci, 1979), Il piccolo Archimede (Gianni Amelio, 1979), Loin de Manhattan (Jean-Claude Biette, 1982), La nuit de Varennes/Il mondo nuovo (Ettore Scola, 1982), Klassenverhältnisse (Danièle Huillet en Jean-Marie Straub, 1984), Jenatsch (Daniel Schmid, 1987), Jane B. par Agnès V. (Agnès Varda, 1987), La ribelle (Aurelio Grimaldi, 1993), Il grande cocomero (Francesca Archibugi, 1993), Mario, Maria e Mario (Scola, 1993), Un eroe borghese (Michele Placido, 1995), À ma soeur/Fat girl (Catherine Breillat, 2001), La felicità non costa niente (Mimmo Calopresti, 2003) en Il quaderno della spesa (Tonino Cervi, 2003). Trad op in documentaires als Io sono Anna Magnani (Chris Vermorcken, 1979) en Wie de waarheid zegt, moet dood (Philo Bregstein, 1981). Schreef en regisseerde samen met Paolo Costella een bloedmooie, poëtische documentaire, Pier Paolo Pasolini e la ragione di un sogno (2001), waarin de poëtica van Pasolini visueel verdedigd wordt. Overleden aan complicaties bij een hartoperatie.


Blythe, Peter (69), Dorset, 27 juni. Engels acteur, vooral in theater en op tv. Films: Kaleidoscope (Jack Smight, 1966), Frankenstein created woman (Terence Fisher, 1967), de jeugdfilm A challenge for Robin Hood (C.M. Pennington-Richards, 1967), Alfred the great (Clive Donner, 1969), Jane Eyre (Delbert Mann, 1970), Carrington (Christopher Hampton, 1995) en The Luzhin defence (Marleen Gorris, 2000). Partner van actrice Harriet Walter. Natuurlijke dood.


Borgeaud, Nelly (72), Bénévent-l'Abbaye, Creuse, 14 juli. In Zwitserland geboren Frans actrice,voluit Nelly Mary Borgeaud. Debuut in Le dossier noir (André Cayatte, 1955), maar ook in enkele Zwitserse films, bijvoorbeeld Zwischen uns die Berge (Franz Schnyder, 1956). Voorts Cela s'appelle l'aurore (Luis Buñuel, 1955), Muriel ou le temps d'un retour (Alain Resnais, 1963), La sirène du Mississippi (François Truffaut, 1969), L'homme qui aimait les femmes (Césarnominatie; Truffaut, 1977), Le sucre (Césarnominatie; Jacques Rouffio, 1978), Mon oncle d'Amérique (Resnais, 1980), Paroles et musique (Elie Chouraqui, 1984), Tumultes (Bertrand van Effenterre, 1990), L'accompagnatrice (Claude Miller, 1992), On connaît la chanson (Resnais, 1997) en La confusion des genres (Ilan Duran Cohen, 2000). Getrouwd geweest met acteur Yves Vincent. Overleden na een lange ziekte.


Brando, Marlon (80), Los Angeles, 1 juli. Amerikaans acteur. Werd als vlaggendrager van het Method Acting een van de meest invloedrijke acteurs aller tijden, met navolgers als James Dean, Robert De Niro, Dustin Hoffman en Tygo Gernandt. Zeven keer genomineerd voor de Oscar van beste mannelijke hoofdrol, waarvan hij won voor On the waterfront (Elia Kazan, 1954) en de titelrol van The godfather (Francis Ford Coppola, 1972). De laatste werd voor Brando om politieke redenen geweigerd en afgehaald door 'de Indiaanse actrice Sacheen Littlefeather'. Nominaties voor A streetcar named desire (als de eerste beroemde t-shirtdrager, Stanley Kowalski; Kazan, 1951), de politieke western Viva Zapata! (Kazan, 1952), als Marcus Antonius in de Shakespeareverfilming Julius Caesar (Joseph L. Mankiewicz, 1953), Sayonara (Joshua Logan, 1957) en het geruchtmakende Ultimo tango a Parigi/Last tango in Paris (Bernardo Bertolucci, 1972). Ook genomineerd voor zijn bijrol in A dry white season (Euzhan Palcy, 1989). Debuut als oorlogsinvalide in The men (Fred Zinnemann, 1950). Was naast de genomineerde filmrollen ook te zien in het eerste motorduivelsdrama The wild ones (László Benedek, 1953), als Napoleon in Desiree (Henry Koster, 1954), tegenover Frank Sinatra in de musical Guys and dolls (Mankiewicz, 1955), The teahouse of the August moon (Daniel Mann, 1956), de oorlogsfilm The young lions (Edward Dmytryk, 1958), The fugitive kind (Sidney Lumet, 1959), Mutiny on the Bounty (Lewis Milestone, 1962), The ugly American (George Englund, 1963), Bedtime story (Ralph Levy, 1964), Morituri (Bernhard Wicki, 1965), tegenover Robert Redford in The chase (Arthur Penn, 1966), de western The Appaloosa (Sidney J. Furie, 1966), tegenover Sophia Loren in A countess from Hong Kong (laatste film van Charles Chaplin, 1967), tegenover Elizabeth Taylor als geprangde homoseksueel in Reflections in a golden eye (John Huston, 1967), de cultfilm Candy (Christian Marquand, 1968), het obscure kidnapdrama The night of the following day (Hubert Cornfeld, 1968), de militant anti-racistische kostuumfilm Queimada!/Burn! (Gillo Pontecorvo, 1969), The nightcomers (Michael Winner, 1972) en het groteske acteerduel met Jack Nicholson in de western The Missouri breaks (Penn, 1976). Na de duurst betaalde gastrol aller tijden - vier miljoen dollar voor tien minuten in de eindmontage - in Superman (Richard Donner, 1978) en een nog legendarischer optreden als de personificatie van het kwaad (kolonel Kurtz: 'The horror, the horror...') in Apocalypse now (Coppola, 1979), verloor Brando's carrière aan betekenis en schnabbelde hij nog vooral lucratief in flutfilms als The formula (John G. Avildsen, 1980), The freshman (Andrew Bergman, 1990), Christopher Columbus: The discovery (John Glen, 1992), de charmante uitzondering Don Juan de Marco (tegenover Johnny Depp; Jeremy Leven, 1995), de titelrol in The island of dr. Moreau (John Frankenheimer, 1996), The brave (Depp, 1997) en Free money (Yves Simoneau, 1998). Acceptabel afscheid van het witte doek, tegenover geestelijk erfgenamen Robert De Niro en Edward Norton, in The score (Frank Oz, 2001). Regisseerde zelf de curieuze, onderschatte western One-eyed jacks (tevens hoofdrol; 1961). Onder meer getrouwd geweest met de Tahitiaanse actrices Movita en Tarita, die vergelijkbare rollen speelden in de versies uit 1935 en 1962 van Mutiny on the Bounty. Overleden aan een longembolie na een verwaarloosde verkoudheid.

Marlon Brando.


Cartier-Bresson, Henri (95), L'Isle-sur-Sorgue, Vaucluse, 2 augustus, Frans fotograaf en gelegenheidsacteur. Uitvinder van 'le moment décisif': het beslissende ogenblik in de fotografie. Deed ook enige filmervaring op, als assistent van Jean Renoir bij Une partie de campagne (1936) en La règle du jeu (1939). In beide films speelde Cartier-Bresson ook een kleine gastrol, respectievelijk als seminarist en kok. Credit als een van de acht regisseurs in het collectief onder leiding van Renoir dat voor de Volksfrontregering van Léon Blum de propagandafilm La vie est à nous (1936) maakte. Regisseerde ook met Herbert Kline de middellange Amerikaanse documentaire Return to life (1938) over de Spaanse Burgeroorlog, en de korte documentaire Le retour (1945) over de terugkeer van krijgsgevangenen en andere 'displaced persons'. Maakte opmerkelijke stills van The misfits (John Huston, 1961), de laatste film van Marilyn Monroe en Clark Gable. Natuurlijke dood.


Cracchiolo, Dan (39), Los Angeles, 14 juni. Amerikaans producent. Begonnen als assistent van 'agent' Ed Limato en later van producent Joel Silver. Eerste coproductie: Assassins (Richard Donner, 1995). Produceerde samen met Silver Exit wounds (Andrzej Bartkowiak, 2001). Coproducent van Conspiracy theory (tevens gastrolletje als spotter; Donner, 1997), Lethal weapon 4 (Donner, 1998), The matrix (Wachowski Brothers, 1999) en Swordfish (Eric Sena, 2001). Executive producer van onder meer House on haunted hill (William Malone, 1999), Romeo must die (Bartkowiak, 2000) en Thir13een ghosts (Steve Beck, 2001). Omgekomen bij een motorongeluk.


DiPalma, Carlo (79), Rome, 9 juli. Italiaans cameraman. Begonnen als operator bij de legendarische Gianni di Venanzo, bijvoorbeeld voor Achtung! banditi! (Carlo Lizzani, 1951). Eerste film als verantwoordelijk cameraman: Lauta mancia (Fabio de Agostini, 1956). Vooral bekend geworden door zijn werk voor Michelangelo Antonioni en Woody Allen. Belangrijkste films: L'impiegato (Gianni Puccini, 1960), L'assassino (Elio Petri, 1961), Divorzio all'Italiana (Pietro Germi, 1963), het in kleurgebruik baanbrekende Il deserto rosso (Antonioni, 1964), Blowup (Antonioni, 1966), L'armata Brancaleone (Mario Monicelli, 1966), zijn Amerikaanse debuut The appointment (Sidney Lumet, 1969), Amore mio aiutami (Alberto Sordi, 1969), Dramma della gelosia (Ettore Scola, 1970), La tragedia di un uomo ridicolo (Bernardo Bertolucci, 1981), Identificazione di una donna (Antonioni, 1982), The black stallion returns (Robert Dalva, 1983), Gabriela (Bruno Barreto, 1983), Hannah and her sisters (Allen, 1986), Radio days (Allen, 1987), The secret of my success (Herbert Ross, 1987), September (Allen, 1987), Alice (Allen, 1990), Shadows and fog (Allen, 1992), Husbands and wives (Allen, 1992), Manhattan murder mystery (Allen, 1993), Bullets over Broadway (Allen, 1994), Il mostro (Roberto Benigni en Michel Filippi, 1995), Mighty Aphrodite (Allen, 1995), Everyone says I love you (Allen, 1996) en Deconstructing Harry (Allen, 1997). Ook regisseerde DiPalma enkele vehikels voor Monica Vitti: de verfilming van Dacia Maraini's Teresa la ladra (1972), Qui comincia l'avventura (1975) en Mimì Bluette...fiore del mio giardino (1977). Ook was hij een van de ruim dertig makers van de korte documentaire L'addio a Enrico Berlinguer (1984), over de begrafenis van een populair communistisch leider. Overleden na een lange ziekte.


Distel, Sacha (71), Rayol-Canadel-sur-Mer, Var, 22 juli. Frans zanger en acteur, eigenlijk Alexandre Distel. Hoofdrollen in Les mordus (René Jolivet, 1960), La bonne soupe (Robert Thomas, 1963) en Sans mobile apparent (Philippe Labro, 1971) zijn zo goed als vergeten. Trad ook kort op in films als Femmes de Paris (Jean Boyer, 1953), Zazie dans le métro (Louis Malle, 1960), Aimez-vous Brahms?/Goodbye again (Anatole Litvak, 1961), La bonne occase (Michel Drach, 1965), Viale della canzone (Tullio Piacentini, 1965) en Le voyou (Claude Lelouch, 1970). Schreef de muziek voor de episode L'orgueil in Les sept péchés capitaux (Roger Vadim, 1962). Overleden aan kanker.


Fernández-Santos, Àngel (69?), Madrid, 6 juli. Spaans filmcriticus en scenarioschrijver. Sinds 1982 eerste criticus van het invloedrijke dagblad El Pais. Schreef onder meer mee aan scenario's voor films als El espíritu de la colmena/De geest van de bijenkorf (Victor Erice, 1973) en Padre nuestro (Francisco Regueiro, 1985). Overleden aan kanker.


Gades, Antonio (67), Madrid, 20 juli. Spaans danser, choreograaf en acteur, pseudoniem van Antonio Esteve Ródenas. Internationaal bekend door zijn dans en choreografie voor de flamencofilms van Carlos Saura: Bodas de sangre (geïnspireerd door García Lorca; 1982), Carmen (1983) en El amor brujo (1986). Vervulde dezelfde functies eerder voor Los tarantos (Francisco Rovira Beleta, 1963) en The pleasure seekers (Jean Negulesco, 1967). Choreografeerde ook de iets later opgenomen, meer operateske Carmen (Francesco Rosi, 1984). Acteur in Con el viento solana (als zigeuner; Mario Camus, 1966), als zichzelf in Último encuentro (Antonio Eceiza, 1967), een eerdere versie van El amor brujo (Rovira Beleta, 1967), Fortunata y Jacinta (Angelino Fons, 1970), Los días del pasado (Camus, 1978) en Con el culo al aire (Carlos Mira, 1980). Overleden na een lange ziekte. Werd begraven in Cuba, wegens persoonlijke vriendschap met president Fidel Castro, getuige bij zijn tweede huwelijk, met voormalig tienerster Marisol in 1982.


Goldsmith, Jerry (75), Beverly Hills, 22 juli. Amerikaans filmcomponist, voluit Jerrald K. Goldsmith. Invloedrijk in Hollywood, door zijn pompende, veelvuldig elektronische effecten en kopergeschal benuttende scores voor poulaire films. Begon met televisieseries als 'Perry Mason', 'Gunsmoke' en 'The twilight zone', voor hij zijn bioscoopdebuut maakte met de soundtrack voor de obscure western Black patch (Allen H. Miner, 1957). Won een Oscar voor The omen (Richard Donner, 1976) en kreeg nog zeventien nominaties: de scores van Freud (John Huston, 1962), A patch of blue (Guy Green, 1965), The sand pebbles (Robert Wise, 1965), The planet of the apes (Franklin J. Schaffner, 1968), Patton (Schaffner, 1970), Papillon (Schaffner, 1973), Chinatown (Roman Polanski, 1974), The wind and the lion (John Milius, 1975), The boys from Brazil (Schaffner, 1978), Star Trek: The motion picture (Wise, 1979), Poltergeist (Tobe Hooper, 1982), Under fire (Roger Spottiswoode, 1983), Hoosiers/Best shot (David Anspaugh, 1986), Basic instinct (Paul Verhoeven, 1992), L.A. Confidential (Curtis Hanson, 1997) en de animatiefilm Mulan (Tony Bancroft en Barry Cook, 1998), alsmede de song 'Ave Satani' uit The omen. Een greep uit Goldsmith' ruim tweehonderd en vijftig overige films zou kunnen omvatten Lonely are the brave (David Miller, 1962), The list of Adrian Messenger (Huston, 1963), het fameuze thema van The stripper (Schaffner, 1963), Lilies of the field (Ralph Nelson, 1963), Seven days in May (John Frankenheimer, 1964), In harm's way (Otto Preminger, 1965), Von Ryan's express (Mark Robson, 1965), Morituri (Bernhard Wicki, 1965), Our man Flint (Daniel Mann, 1966), Seconds (Frankenheimer, 1966), The detective (Gordon Douglas, 1968), Bandolero! (Andrew V. McLaglen, 1968), 100 rifles (Tom Gries, 1969), Justine (George Cukor, 1969), The ballad of Cable Hogue (Sam Peckinpah, 1970), Tora! Tora! Tora! (Richard Fleischer en Kinji Fukasaku, 1970), Rio Lobo (Howard Hawks, 1970), The don is dead (Fleischer, 1973), Breakout (Gries, 1975), Logan's run (Michael Anderson, 1976), The Cassandra crossing (George P. Cosmatos, 1976), Twilight's last gleaming (Robert Aldrich, 1977), Islands in the stream (Schaffner, 1977), Damnation alley (Jack Smight, 1977), Coma (Michael Crichton, 1978), Capricorn One (Peter Hyams, 1978), Magic (Richard Attenborough, 1978), Alien (Ridley Scott, 1979), Inchon (Terence Young, 1981), First blood (Ted Kotcheff, 1982), Gremlins (Joe Dante, 1984), Rambo: First blood part II (Cosmatos, 1985), Innerspace (Dante, 1987), Total recall (Verhoeven, 1990), The Russia house (Fred Schepisi, 1990), Not without my daughter (Brian Gilbert, 1991), Sleeping with the enemy (Joseph Ruben, 1991), Medicine man (John McTiernan, 1992), Love field (Jonathan Kaplan, 1992), Forever young (Steve Miner, 1992), Matinee (Dante, 1993), The vanishing (George Sluizer, 1993), Six degrees of separation (Schepisi, 1993), First knight (David Zucker, 1995), Executive decision (Stuart Baird, 1996), The ghost and the darkness (Stephen Hopkins, 1996), Air Force One (Wolfgang Petersen, 1997), Deep rising (Stephen Sommers, 1998), The mummy (Sommers, 1999), The haunting (Jan De Bont, 1999), Hollow man (Verhoeven, 2000), Along came a spider (Lee Tamahori, 2001), The last castle (Rod Lurie, 2001), The sum of all fears (Phil Alden Robinson, 2002) en Star Trek: Nemesis (Baird, 2002). Overleden aan kanker.


Hart, Dorothy (81), Asheville/Arden, North Carolina, 11 juli. Amerikaans actrice. Voormalig model maakte een western voor Columbia, Gunfighters (George Waggner, 1947), om daarna een contract te tekenen voor Universal. De studio wist niet goed raad met haar gratie en elegantie, en snel verdween ze in bijrollen in de verkeerde genres: The naked city (Jules Dassin, 1948), Larceny (George Sherman, 1948), tegenover schaatskampioene Sonja Henie in The countess of Monte Cristo (Frederick De Cordova, 1948), Take one false step (Chester Erskine, 1949), Calamity Jane and Sam Bass (Sherman, 1949), The story of Molly X (Crane Wilbur, 1949), Undertow (William Castle, 1949), Outside the wall (Wilbur, 1950), Raton Pass (Edwin L. Marin, 1951), I was a communist for the FBI (Gordon Douglas, 1951), Tarzan's savage fury (als Jane tegenover Lex Barker; Cy Endfield, 1952) en Loan shark (Seymour Friedman, 1952). Daarna panellid in spelletjesprogramma's en gastspreekster bij de Verenigde Naties. Overleden aan complicaties van de ziekte van Alzheimer.


Johar, Yash (75), Bombay, 26 juni. Indiaas producent. Maker van Bollywoodhits als Dostana (met Amitrabh Bachchan; Raj Khosla, 1980), Agneepath (Mukul Anand, 1990), Duplicate (Mahesh Bhatt, 1998), Kuch kuch kota hai/Something is happening (zijn zoon Karan Johar, 1998), Kabhi kushi kabhie gham.../3KG (Karan Johar, 2001) en Kal ho naa ho (Nikhil Advani, 2003). Overleden aan hartklachten.


Jullian, Marcel (82), Parijs, 28 juni. Frans uitgever, schrijver, televisieproducent en scenarist. voluit Marcel Etienne Jullian. Schreef commerciële succesfilms als Cent mille dollars au soleil (Henri Verneuil, 1964) en de hitkomedies met Louis de Funès Le corniaud/De eend en de Cadillac (Gérard Oury, 1965), La grande vadrouille/Samen uit, samen thuis (Oury, 1966) en La folie des grandeurs (Oury, 1971), alsmede Le cerveau (Oury, 1969). Tot zijn overige geproduceerde scripts behoren Ne nous fâchons pas (Georges Lautner, 1966), Le Saint prend l'affût (met Jean Marais als Simon Templar; Christian-Jaque, 1966), La louve solitaire (Édouard Logereau, 1968), Fleur d'oseille (Lautner, 1968), Jamais avant le mariage (Daniel Ceccaldi, 1982) en La soif d'or (Oury, 1993). Regisseerde en schreef de flops L'été de nos 15 ans (een policier met Michel Sardou; 1983) en Les parents ne sont pas simples cette année (1984). Overleden aan een hartaanval tijdens een receptie.


Kotsjetkov, Afanasi (Ivanovitsj) (74), Moskou, 24 juni. Russisch acteur. Debuteerde in Sloetsjai na sjacthe vosem (Vladimir Basov, 1957). Hoofdrol van dove reus Gerasim in de Toergenjev-verfilming Mumu (Anatoli Bobrovski en Jevgeni Teterin, 1959). Ook in films als Oleksa Dovboesj (Viktor Ivanov, 1959), Dlinnyj den (Rafail Goldin, 1961), de DDR-productie Ich war 19 (Konrad Wolf, 1967), Beli basjlyk (Vladimir Saveljov, 1975), als Maksim Gorki in Doverije/Trust (Viktor Tregoebovitsj, 1976), Pogovorim, brat/Talk with me, brother (Joeri Tsjoeljoekin, 1978)en Moezjiki! (Iskra Babitsj, 1981). Laatste film: Notti di paura (Maurizio Bonuglia, 1997). Overleden aan een hoofdwond.


Lefebvre, Jean (84, volgens sommige bronnen 81), Marrakech, 8 juli. Frans bijrolacteur. Vooral bekend door zijn komische bijdragen aan films met Louis de Funès, zoals La belle américaine (Robert Dhéry, 1961), Le gendarme de St. Tropez (Jean Girault, 1964), Le gendarme à New York (Girault, 1965), Le gendarme se marie (Girault, 1968) en Le gendarme en balade (Girault, 1970). Debuut in Bouquet de joie (Maurice Cam, 1962). Bekendste overige van meer dan honderd films: Les diaboliques (als dronken soldaat; Henri-Georges Clouzot, 1955), Gas-oil (Gilles Grangier, 1955), La meilleure part (Yves Allégret, 1956), tegenover Brigitte Bardot in Cette sacrée gamine (Michel Boisrond, 1956) en Et dieu...créa la femme (Roger Vadim, 1956), Quand la femme s'en mêle (Allégret, 1957), Gigot (Gene Kelly, 1962), Les tontons flingueurs (Georges Lautner, 1963), Allez France! (Dhéry, 1964), La mort d'un tueur (Robert Hossein, 1964), Trois enfants dans le désordre (Léo Joannon, 1966), Un idiot à Paris (Serge Korber, 1967), Le bourgeois gentil mec (topbilled; Raoul André, 1969), Bluebeard (Edward Dmytryk, 1972), Treasure island (John Hough, 1972), Le magnifique (Philippe de Broca, 1973), Mais où est donc passée la septième compagnie? (topbilled; Robert Lamoureux, 1973), La valise (Lautner, 1973), C'est pas parce qu'on a rien à dire qu'il faut fermer sa gueule (Michel Besnard, 1975), Pas de problème! (Lautner, 1975), Casanova & Co. (Franz Antel, 1977), Ils sont fous ces sorciers (topbilled; Lautner, 1978), Plein les poches pour pas un rond... (topbilled; Daniel Daert, 1978), Tendrement vache (topbilled; Serge Pénard, 1979), Duos sur canapé (topbilled; Marc Camoletti, 1979), Les borsalini (topbilled; Michel Nerval, 1980), On n'est pas sorti de l'auberge (topbilled; Max Pécas, 1982), Le braconnier de Dieu (Jean-Pierre Darras, 1983) en La folle journée ou le mariage de Figaro (Roger Coggio, 1989). Laatste film: Fifi Martingale (Jacques Rozier, 2001). Overleden aan een hartaanval.


McCormack, Colin (62), Middlesex, 19 juni. Engels acteur. Vooral theater en tv. Enkele films: Death line (Gary Sherman, 1972), Let him have it (Peter Medak, 1991), First knight (Jerry Zucker, 1995). Overleden aan kanker.


Meysel, Inge (94), Bullenhausen, Nedersaksen, 10 juli. Duits actrice, voluit Ingeborg Charlotte Meysel. Vooral bekend van televisie. Overleden aan een hartaanval.


Micciché, Lino (69), Rome, 30 juni. Italiaans filmcriticus en -regisseur en festivaldirecteur. Invloedrijk en intellectueel criticus, tot 1989 georiënteerd op de PSI (de Italiaanse socialistische partij) en redacteur van hun dagblad Avanti! Maakte begin jaren zestig verschillende neo-realistisch geïnspireerde documentaires, en samen met Lino del Fra en Cecilia Mangini een compilatiefilm over Italiaanse politieke cinema, All'armi siamo fascisti! (1962). Publiceerde vele boeken en essays, onder meer over Visconti en Pasolini. Mede-oprichter in 1965 van het vernieuwende festival van Pesaro, dat hij leidde tot 1988. Was ook voorzitter van de Biënnale van Venetië en hervormer van het daartoe behorende filmfestival en van de Nationale Filmschool (1998-2002). Erevoorzitter van de FIPRESCI, die hij leidde in de periode rond 1970. Doceerde sinds 1973 filmgeschiedenis en -kritiek aan universiteiten in Triëst, Siena en Rome. Natuurlijke dood.


Ney, Richard (88), Pasadena, 18 juli. Amerikaans filmacteur. Schreef verschillende bestsellers over financieel investeren. Getrouwd geweest met actrice Greer Garson, wier zoon hij speelde in Mrs. Miniver (William Wyler, 1942). Daarna in films als The late George Hapley (Joseph L. Mankiewicz, 1947), Ivy (Sam Wood, 1947), Joan of Arc (Victor Fleming, 1948), The fan (Otto Preminger, 1949), The lovable cheat (Richard Oswald, 1949), The secret of St. Ives (topbilled; Phil Rosen, 1949), tegenover Gina Lollobrigida in Miss Italia (Duilio Coletti, 1950), de Duits-Oostenrijks-Franse coproductie Ein Lächeln in Sturm (René Chanas, 1951), de Brits-Spaans-Amerikaanse coproductie Babes in Bagdad (met ex-stripper Gypsy Rose Lee; Edgar G. Ulmer en Jerónimo Mihura, 1952), tegenover Doris Day in Midnight lace (David Miller, 1960) en The premature burial (Roger Corman, 1962). Overleden aan hartproblemen.


Nitsch, Jennifer (37), München, 13 juni. Duits actrice, vooral op televisie. Speelde de hoofdrol in 'Sex oder Liebe?' (Christoph Schrewe, 2000), dat in het kader van het remakeproject van het Filmfonds in Nederland werd overgedaan als Liever verliefd (Pim van Hoeve, 2003). Adolf Grimmepreis voor haar rol in de serie 'Nur eine kleine Affäre' (Detlef Rönfeldt, 1995). Ook in films als Bumerang-Bumerang (Hans W. Geissendörfer, 1989), Allein unter Frauen (Sönke Wortmann, 1991), Diebinnen (Peter Weck, 1996), Frauen lügen nicht (Michael Juncker, 1998) en Dorian (Allan A. Goldstein, 2001). Uit een raam gevallen.


Piccioni, Piero (82), Rome, 23 juli, Italiaans filmcomponist. Van huis uit jazzmusicus componeerde Piccioni tot 1957 soundtracks onder de naam Piero Morgan. Eerste werk: het hoerenmelodrama Il mondo le condanna (Gianni Franciolini, 1952). Belangrijkste van ruim honderd scores betreffen La spiaggia (Alberto Lattuada, 1954), Guendalina (Lattuada, 1956), Poveri ma belli (Dino Risi, 1957), Racconti d'estate (Franciolini, 1958), I magliari (Francesco Rosi, 1959), Il bell'Antonio (Mauro Bolognini, 1960), L'impiegato (Gianni Puccini, 1960), La giornata balorda (Bolognini, 1960), I dolci inganni (Lattuada, 1960), Adua e le compagne (Antonio Pietrangeli, 1960), La viaccia (Bolognini, 1961), L'assassino (Elio Petri, 1961), Salvatore Giuliano (Rosi, 1962), La commare secca (het regiedebuut van Bernardo Bertolucci, 1962), Le mani sulla città (Rosi, 1963), Il momento della verità (Rosi, 1965), Io la conoscevo bene (Pietrangeli, 1965), C'era una volta... (Rosi, 1967), Lo straniero (Luchino Visconti, 1967), Scusi, lei è favorevole o contrario? (Alberto Sordi, 1967), Un Italiano in America (Sordi, 1967), Uomini contro (Rosi, 1970), Puppet on a chain (Geoffrey Reeve, 1970), La spina dorsale del diavolo/The devil's backbone (Burt Kennedy, 1971), Mimi metallurgico ferito nell'onore/Mimi de bankwerker (Lina Wertmüller, 1972), Lo scopone scientifico (Luigi Comencini, 1972), Gouden Palmwinnaar Il caso Mattei (Rosi, 1972), Le moine (Ado Kyrou, 1973), Le monache di Sant'Arcangelo (Domenico Paolella, 1973), Tutto a posta e niente in ordine (Wertmüller, 1973), Storia di una monaca di clausura/Story of a cloistered nun (Paolella, 1973), Lucky Luciano (Rosi, 1974), Travolti da un insolito destino nell'azzurro mare di agosto/Swept away (Wertmüller, 1974), Appassionata (Gianluigi Calderone, 1974), Cadaveri eccellenti (Rosi, 1976), Cristo si è fermato a Eboli (Rosi, 1979), Il malato immaginario (Tonino Cervi, 1979), Tre fratelli (Rosi, 1981), Io so che tu sai che io so (Sordi, 1982), Il tassinaro (Sordi, 1983),Cronaca di una morte annunciata (Rosi, 1987), L'avaro (Cervi, 1990) en Incontri proibiti (Sordi, 1998). Doodsoorzaak onbekend.


Raksin, David (92), Van Nuys, Ca., 9 augustus. Amerikaans filmcomponist. Slechts twee Oscarnominaties, voor de scores van Forever amber (Otto Preminger, 1947) en Separate tables (Delbert Mann, 1958), doen geen recht aan de rijkdom van Raksins langdurige productie. Alleen al zijn meeslepende titelthema voor Laura (Preminger, 1944) en zijn arrangementen voor het grotendeels dialoogloze Modern times (Charles Chaplin, 1936) zouden hem een plaats in de eregalerij doen verdienen. Na vijftig stockscores was de eerste van ruim honderd officieel aan Raksin toegeschreven filmmuziek voor The adventures of Sherlock Holmes (Alfred L. Werker, 1939). Een selectie: Something to shout about (Gregory Ratoff, 1943), Fallen angel (Preminger, 1945), de Danny Kaye-klassieker The secret life of Walter Mitty (Norman Z. McLeod, 1947), Force of evil (Abraham Polonsky, 1948), Whirlpool (Preminger, 1949), The magnificent Yankee (John Sturges, 1950), Across the wide Missouri (William A. Wellman, 1951), Pat and Mike (George Cukor, 1952), Carrie (William Wyler, 1952), The bad and the beautiful (Vincente Minnelli, 1952), Apache (Robert Aldrich, 1954), The big combo (Joseph H. Lewis, 1955), Bigger than life (Nicholas Ray, 1956), Twilight of the Gods (Joseph Pevney, 1958), Al Capone (Richard Wilson, 1959), Too late blues (John Cassavetes, 1961), Two weeks in another town (Minnelli, 1962), The patsy (Jerry Lewis, 1964), Invitation to a gunfighter (Wilson, 1964), A big hand for the little lady (Fielder Cook, 1966), Will Penny (Tom Gries, 1968) en de in Europa in de bioscoop uitgebrachte postnucleaire tv-film The day after (Nicholas Meyer, 1983). Was onlangs nog te zien in de documentaire Charlie: The life and art of Charles Chaplin (Richard Schickel, 2003). Overleden aan hartfalen.


Reggiani, Serge (82), Boulogne-Billancourt, 22 juli. Als Sergio Reggiani in Italië geboren Frans acteur en zanger. Toen hij in de jaren zestig beroemder begon te worden als chansonnier, verwees een van zijn hits, 'Un menuisier dansait' (Een timmerman danste) naar zijn meest tot de verbeelding sprekende filmrol, waarin hij als schrijnwerker de blonde lichtekooi Simone Signoret in de armen sloot: Casque d'or (Jacques Becker, 1952). Italiaanse immigrant debuteerde in Conflit (Léonide Moguy, 1939). Brak via Le voyager de la Toussaint (Louis Daquin, 1943) en Le carrefour des enfants perdus (Léo Joannon, 1944) al snel door naar sterstatus, te beginnen met de titelrol in de historische biografie van de scabreuze zanger-dichter François Villon (André Zwoboda, 1945). Daarna tegenover Édith Piaf in Étoile sans lumière (Marcel Blistène, 1946), met Pierre Brasseur en Yves Montand in Les portes de la nuit (Marcel Carné, 1946), bovenaan het affiche van het Italiaanse Manù il contrabbandiere (Lucio De Caro, 1947), La fleur de l'âge (Carné, 1947), Le dessous des cartes (André Cayatte, 1947), tegenover zijn eerste echtgenote Janine Darcey in Le mystère de la chambre jaune (Henri Aisner, 1948), Les amants de Vérone (Cayatte, 1949), Au royaume des cieux (Julien Duvivier, 1949), Manon (Henri-Georges Clouzot, 1949), Le parfum de la dame en noire (Daquin, 1949) en La ronde (Max Ophüls, 1950). Engelstalig debuut in The secret people (Thorold Dickinson, 1952). Voorts tegenover Anna Magnani en Raf Vallone als de Garibaldi's in Camicie rosse (Goffredo Alessandrini en Francesco Rosi, 1952), Il mondo le condanna (Gianni Franciolini, 1952), Napoléon (Sacha Guitry, 1955), Les salauds vont en enfer (Robert Hossein, 1956), Les misérables (Jean-Paul le Chanois, 1958), Marie-Octobre (Duvivier, 1959), Tutti a casa (Luigi Comencini, 1960), Paris Blues (Martin Ritt, 1961), A cavallo della tigre (Comencini, 1961), Le doulos (Jean-Pierre Melville, 1963), Il gattopardo/De tijgerkat (Luchino Visconti, 1963), met Romy Schneider in L'enfer (Clouzot, 1964), Marie-Chantal contre le docteur Kha (Claude Chabrol, 1965), La vingt-cinquième heure (Henri Verneuil, 1967), Les aventuriers (Robert Enrico, 1967), Il giorno della civetta (Damiano Damiani, 1968), L'armée des ombres (Melville, 1969), Trois milliards sans ascenseur (Roger Pigaut, 1972), Les caïds (Enrico, 1972), Touche pas à la femme blanche (Marco Ferreri, 1974), Vincent, François, Paul et les autres (Claude Sautet, 1974), Le chat et la souris (Claude Lelouch, 1975), Violette et François (Jacques Rouffio, 1977), Fantastica (Gilles Carle, 1980), La terrazza (Ettore Scola, 1980), Mauvais sang (Léos Carax, 1980), O melissokómos/The beekeeper (Theo Angelopoulos, 1986), Ne réveillez pas un flic qui dort (José Pinheiro, 1988), Il y a des jours...et des lunes (Lelouch, 1990), I hired a contract killer (Aki Kaurismäki, 1990), Plein fer (Josée Dayan, 1990), Le petit garçon (Pierre Granier-Deferre, 1995), Héroïnes (Gérard Krawczyk, 1997) en het Catalaanse El pianista (Mario Gas, 1998). Reggiani kreeg het zwaar voor de kiezen in de autobiografische, documentaire speelfilm De force avec d'autres (1993) van zijn zoon Simon Reggiani, waarin ook de zelfmoord in 1980 van een andere zoon, Stephan, aan de orde kwam. Was als lid van de harde kern van kunstenaars en intellectuelen rond de Franse communistische partij ook lang bevriend met Joris Ivens. Overleden aan een hartaanval.


Robinson, Madeleine (86), Montreux, Zwitserland, 2 augustus. Frans actrice, pseudoniem van Madeleine Yvonne Svoboda. Dochter van een Tsjechische banketbakker en een Franse tramconductrice, vernoemde zichzelf naar Robinson Crusoë. Debuut in Promesses (René Delacroix, 1935). Al vrij snel ster of second lead in tal van films uit de jaren dertig en veertig, exemplarisch voor de Franse kwaliteitscinema, zoals Nuits de feu (Marcel l'Herbier, 1937), Tempête sur l'Asie (Richard Oswald, 1938), Lumière d'été (Jean Grémillon, 1943), Douce (Claude Autant-Lara, 1943), Sortilèges (Christian-Jaque, 1945), Les chouans (Henri Calef, 1947), Les frères Bouquinquant (Louis Daquin, 1947), voor het eerst bovenaan het affiche van Une si jolie petite plage (Yves Allégret, 1949), wat ook het geval was bij On ne triche pas avec la vie (René Delacroix en Paul Vandenberghe, 1949), L'homme de ma vie (Guy Lefranc, 1952), Minuit...Quai de Bercy (Christian Stengel, 1953), L'affaire Maurizius (Julien Duvivier, 1954) en À double tour (Claude Chabrol, 1959). De overgang naar de nouvelle vague verliep niet vlekkeloos, en Robinson verloor snel haar sterstatus. Ze was nog te zien in films als Le diable et les dix commandements (Duvivier, 1962), Le procès/The trial (Orson Welles, 1962), Le gentleman d'Epsom (Gilles Grangier, 1962), Piège pour Cendrillon (André Cayatte, 1965), Un monde nouveau (Vittorio De Sica, 1966), La belle emmerdeuse (Roger Coggio, 1978), L'amant de poche (Bernard Queysanne, 1978), Une histoire simple (Claude Sautet, 1978), Corps à coeur (Paul Vecchiali, 1979), J'ai épousé une ombre (Robin Davis, 1983), Hors-la-loi (Davis, 1985), als de moeder van Isabelle Adjani inCamille Claudel (Bruno Nuytten, 1988) en L'ours en peluche (Jacques Deray, 1994). Getrouwd geweest met acteur Robert Dalban. Doodsoorzaak onbekend.


Saint-Cyr, Renée (99), Neuilly-sur-Seine, 11 juli. In Monaco geboren Frans actrice, pseudoniem van Marie-Louise Raymonde-Renée (Eugénie) Vittoret. Debuut in Les deux orphelines (Maurice Tourneur, 1933). Kreeg grotere rollen in Toto (Tourneur, 1933), Incognito (Kurt Gerron, 1933), L'école des cocottes (Pierre Colombier, 1934), Le dernier millardaire (René Clair, 1934) en Valse royale (Jean Grémillon, 1935). Eerste naamsvermelding vanaf Pattes de mouche (Grémillon, 1936). Brits debuut in Strange boarders (Herbert Mason, 1938). Ook in Paris (Jean Choux, 1936), Les perles de la couronne (Christian-Jaque en Sacha Guitry, 1937), Prisons de femmes (Roger Richebé, 1938), Nuit de décembre (Curtis Bernhardt, 1939), Rose scarlatte (Vittorio De Sica en Giuseppe Amato, 1940), La symphonie fantastique (Christian-Jaque, 1942), La femme perdue (Choux, 1942), Madame et le mort (Louis Daquin, 1943), Marie-Martine (Albert Valentin, 1943), Retour de flamme (Henri Fescourt, 1943), Pierre et Jean (André Cayatte, 1943), Paméla (Pierre de Hérain, 1945), L'insaisissable M. Frédéric (Richard Pottier, 1945), Fusillé à l'aube (André Haguet, 1950), Il cavaliere di maison rouge (Vittorio Cottafavi, 1953), Le chevalier de la nuit (Robert Darène, 1954), An der schönen blauen Donau (Hans Schweikart, 1955), Si Paris nous était conté (Guitry, 1955), Le monocle rit jaune (Georges Lautner, 1964), Fleur d'oseille (Lautner, 1968), Das bumsfidele Internat (Norbert Terry, 1969), Quelques messieurs trop tranquilles (Lautner, 1973), Vous intéressez-vous à la chose? (Jacques Baratier, 1974), Pas de problème! (Lautner, 1975), On aura tout vu (Lautner, 1976), Ils sont fous ces sorciers (Lautner, 1978), Est-ce bien raisonnable? (Lautner, 1981), Attention! Une femme peut en cacher une autre (Lautner, 1983), Le cowboy (Lautner, 1984), L'invité surprise (Lautner, 1989), Sup de fric (Christian Gion, 1992) en Room service (Lautner, 1992). Saint-Cyr was te zien in twee recente documentaires over Gerron en zijn film over het modelconcentratiekamp Theresienstadt: Kurt Gerrons Karusell (Ilona Ziok, 1999) en Prisoner of paradise (Malcolm Clarke en Stuart Sender, 2002). Moeder van regisseur Georges Lautner. Overleden aan bronchitis.


Stömmer, Franziska (81), München?, 21 juni. Duits actrice. Veel televisie en theater, enkele films: de internationale hit Schulmädchen-Report: Was Eltern nicht für möglich halten (Ernst Hofbauer, 1970), als de moeder van Hanna Schygulla in Mathias Kneissl (Reinhard Hauff, 1970), als bioscoopexploitante in Im Lauf der Zeit (Wim Wenders, 1976), als herbergierster in Sidney Sheldon's Bloodline (Terence Young, 1979) en als Frau Ries in Die zweite Heimat - Chronik einer Jugend (Edgar Reitz, 1992). Getrouwd geweest met acteur Wolfgang Eichberger. Doodsoorzaak onbekend.


Verstappen, Wim (67), Amsterdam, 25 juli. Nederlands regisseur, producent en belangenbehartiger, voluit Wilhelmus Verstappen. Geboren in het Brabantse Gemert, maar opgegroeid op de Antillen, waar zijn vader leraar Nederlands was. Een van de eerste studenten van de Nederlandse Film Academie, waar hij met onder meer Nikolai van der Heyde, Gied Jaspars en Pim de la Parra jr. het gestencilde oppositieblad SKOOP oprichtte, dat later zou uitgroeien tot het belangrijkste Nederlandse filmmagazine, waarin Verstappen invloedrijke analyses op de montagetafel publiceerde. Deelde met de uit Suriname afkomstige De la Parra verbazing over de kleinzieligheid van Nederland, hetgeen resulteerde in een gezamenlijk plan om hier 'Dream Power' tot stand te brengen, in de vorm van een continu producerende speelfilmindustrie. Aanvankelijk leken beiden beïnvloed door de Franse 'nouvelle vague' en de opstand van de babyboomgeneratie tegen de regentenmacht. Zo werd Verstappens speelfilmdebuut De minder gelukkige terugkeer van Josef Katús naar het land van Rembrandt in cinéma véritéstijl gedraaid op 16mm in de politiek explosieve week tussen 30 april en 5 mei 1966, te midden van provohappenings, ook al had Verstappen weinig affiniteit met stijl of opvattingen van de protestgeneratie. Katús (de titel verwijst naar abortus provocatus) had veel succes op buitenlandse festivals, maar nauwelijks in de Nederlandse bioscoop. Een herhaling van het procedé in de film Drop-out of: de meester kan me nog meer vertellen (over de scholierenopstand, 1969) sloeg minder aan. De gezamenlijk opgerichte productiemaatschappij $corpio Films, waarvoor De la Parra en Verstappen om de beurt elkaars films zouden produceren en regisseren, had wel groot succes met erotische films, die de seksuele revolutie aan de man brachten bij het grote publiek. Na de hit Liefdesbekentenissen (1967), trok Verstappens volgende regie Blue movie (1971) ruim twee miljoen mensen naar de bioscoop, waar men zich van Zeeuws-Vlaanderen tot Winschoten vergaapte aan de promiscuïteit in de nieuwe Bijlmerflats. Verstappen wist met een door Vestdijk geïnspireerd verweerschrift het verbod door de filmkeuring in hoger beroep ongedaan te maken en maakte daarmee in feite dit instituut overbodig.
De door De la Parra geproduceerde en door Verstappen geregisseerde $corpio-films waren voorts het korte Festival (een satire op filmambtenaar G. van der Molen, 1968), de korte speelfilm Joop slaat weer toe (met Willeke van Ammelrooy en Wies Andersen, 1970), de onderschatte, op soap en commerciële televisie preluderende familiesage VD (met in de verrassende cast onder meer Sonja Barend, Ank van der Moer en Martine Bijl; 1972), Alicia (waarover rumoer ontstond of werd gecreëerd wegens een masturbatiescène met een colafles, 1974), de rampenproductie Dakota (1974), die grotendeels overgedraaid moest worden, nadat de verliefde cameraman Jan de Bont en hoofdrolspeelster Monique van de Ven samen hadden afgehaakt, en de bejaardensekssatire Mens erger je niet (1975) en het korte Wraak (1975).
Met Pim de la Parra als regisseur produceerde Verstappen voor $corpio het korte Aah... Tamara (1965), Jongens jongens wat een meid (1966) en Heartbeat fresco (1966), en de lange speelfilms Obsessions/Bezeten - Het gat in de muur (1969), Rubia's jungle (1970), Frank en Eva (1973), Mijn nachten met Susan, Olga, Albert, Julie, Piet en Sandra (1975) en Wan pipel (1976). De financiële problemen bij deze Surinaamse productie leidden tot het uiteenvallen van $corpio.
Andere producties van Verstappen waren in de $corpio-periode (1965-75) de korte films Body and soul (René Daalder, 1967), Body and soul 2 (Daalder, 1967), Total loss (Samuel Meyering, 1967), Kapsalon (Frans Rasker, 1972).
Na 1975 regisseerde Verstappen een verfilming van Simon Vestdijks Pastorale 1943 (1978), die alom als zijn beste film wordt beschouwd. De erop volgende Vestdijkverfilming Het verboden bacchanaal (1981) had minder succes. Verstappen maakte nog drie films: voor producent Rob Houwer de hit Grijpstra en De Gier (1979) en daarna twee flops, voor producenten Joop van den Ende en Gijs Versluys een smokkeldrama Zwarte Ruiter (1983) en voor producent Frans Rasker een mislukt vervolg op Grijpstra en De Gier, getiteld De ratelrat (1987).
Sindsdien beschouwde Verstappen zich alleen nog als filmmaker om de belangen van de hele beroepsgroep te kunnen verdedigen. Hij deed dat met grote inzet en zichtbare resultaten, door de oprichting van het Genootschap van Nederlandse Speelfilmmakers (GNS) en door het leiden van de auteursrechtelijke organisaties VEVAM en SEKAM. Ook was hij geruime tijd met producent Matthijs van Heijningen de drijvende kracht in het bestuur van de Nederlandse Filmdagen, nu het Nederlands Film Festival. Beiden moesten begin jaren negentig aftreden na een zeer ongelukkige en veel geld voor de afkoop van de onzalige kandidaat kostende directeursbenoeming. In 1995 ontving Verstappen de Cultuurprijs van het festival. Overleden aan kanker.


Wray, Fay (96), New York, 8 augustus. In Canada geboren Amerikaans actrice. Onsterfelijk door haar rol als de vrouw in de vuist van King Kong (Merian C. Cooper en Ernest B. Schoedsack, 1933), maar op dat moment bezat Wray al een reputatie als de eerste 'scream queen', in een reeks van horrorfilms. Ook vermeldde haar filmografie al een hoofdrol in een andere klassieker, namelijk het verdoemde The wedding march (Erich von Stroheim, 1926), dat pas in een ernstig ingekorte versie in 1928 voor het eerst te zien was. Het vervolg The honeymoon wordt als verloren beschouwd. Als kind met haar ouders via Arizona naar Californië gekomen, debuteerde ze in 1923 in de korte film Gasoline love en daarna in de lange film The coast patrol (Bud Barsky, 1925). Speelde in enkele korte kluchten van producent Hal Roach, bijvoorbeeld met Charley Chase en Oliver Hardy in Isn't life terrible? (Leo McCarey, 1925), Chasing the chaser (Stan Laurel, 1925), Madame sans Jane (Roach, 1925), Unfriendly enemies (Laurel, 1925), Your own back yard (Robert F. McGowan, 1925), als de dochter van James Finlayson in Moonlight and noses (Laurel, 1925), What price goofy (McCarey, 1925), Thundering landlords (James W. Horne, 1925) en No father to guide him (McCarey, 1925). Daarna in de western The man in the saddle (met Hoot Wilson en Boris Karloff als overvaller; Lynn Reynolds en Clifford Smith, 1926), Don't shoot (William Wyler, 1926), The wild horse stampede (Albert S. Rogell, 1926), Lazy lightning (Wyler, 1926), Loco luck (Smith, 1927), A one man game (Ernst Laemmle, 1927), Spurs and saddles (Smith, 1927), tegenover Gary Cooper in The legion of the condemned (geschreven door haar latere echtgenoot John Monk Saunders; William A. Wellman, 1928), tegenover Emil Jannings in Street of sin (Mauritz Stiller, 1928) en weer met Cooper in The first kiss (Rowland V. Lee, 1928). Eerste talkie: Thunderbolt (Josef von Sternberg, 1929). Daarna in The four feathers (Schoedsack, Cooper en materiaal van Lothar Mendes, 1929), Pointed heels (een komedie met William Powell; A. Edward Sutherland, 1929), Behind the make-up (Robert Milton, 1930), Paramount on parade (diversen, 1930), The Texan (met Cooper; John Cromwell, 1930), The border legion (Otto Brower en Edwin H. Knopf, 1930), The sea god (George Abbott, 1930), Captain Thunder (eerste topbilling; Alan Crosland, 1930), The conquering horde (Edward Sloman, 1931), Three rogues (Benjamin Stoloff, 1931), Dirigible (Frank Capra, 1931), The finger points (John Francis Dillon, 1931), The lawyer's secret (Louis J. Gasnier en Max Marcin, 1931), The unholy garden (met Ronald Colman; George Fitzmaurice, 1931), Stowaway (Phil Whitman, 1932), Doctor X (Michael Curtiz, 1932), The most dangerous game (Schoedsack en Irving Pichel, 1932), The vampire bat (Frank R. Strayer, 1933), Mystery of the wax museum (Curtiz, 1933), Below the sea (Rogell, 1933), Ann Carver's profession (Edward Buzzell, 1933), The woman I stole (Irving Cummings, 1933), Shanghai madness (met Spencer Tracy; John G. Blystone, 1933), The big brain (George Archainbaud, 1933), One Sunday afternoon (met Cooper; Stephen Roberts, 1933). The Bowery (Raoul Walsh, 1933) en Master of men (Lambert Hillyer, 1933). Post-King Kong nam de hoeveelheid films aanvankelijk nog verder toe, maar dat effect zakte snel in en Wray kreeg het moeilijk nog iets anders te spelen dan the Beauty in de klauwen van the Beast. Belangrijkste films sindsdien: Madame Spy (Karl Freund, 1934), The countess of Monte Cristo (Freund, 1934), Once to every woman (Hillyer, 1934), Viva Villa! (Jack Conway, 1934), The affairs of Cellini (Gregory La Cava, 1934), Black moon (Roy William Neill, 1934), The richest girl in the world (William A. Seiter, 1934), Cheating cheaters (Richard Thorpe, 1934), Woman in the dark (Phil Rosen, 1934), The clairvoyant (Maurice Elvey, 1934), Mills of the gods (Neill, 1935), Bulldog Jack (Walter Forde, 1935), White lies (Leo Bulgakov, 1935), Come out of the pantry (Jack Raymond, 1935), When knights were bold (Raymond, 1936), Roaming lady (Rogell, 1936), They met in a taxi (Alfred E. Green, 1936), It happened in Hollywood (Harry Lachman, 1937), Murder in Greenwich Village (Rogell, 1937), The jury's secret (Sloman, 1938), smashing the spy ring (Christy Cabanne, 1939), Navy secrets (Howard Bretherton, 1939), Wildcat bus (Frank Woodruff, 1940), Adam had four sons (met Ingrid Bergman; Gregory Ratoff, 1941), Melody for three (Erle C. Kenton, 1941) en Not a ladies' man (Lew Landers, 1942). Vervolgens maakte Wray elf jaar geen films, om haar carrière te vervolgen met bijrollen in iets minder onbetekenende films: Treasure of the golden condor (Delmer Daves, 1953), Small town girl (László Kardos, 1953), The cobweb (Vincente Minnelli, 1955), Queen bee (Ranald MacDougall, 1955), Hell on Frisco Bay (Frank Tuttle, 1955), Rock, pretty baby (Richard Bartlett, 1956), Crime of passion (Gerd Oswald, 1957), als de moeder van Leslie Nielsen in Tammy and the bachelor (Joseph Pevney, 1957), Summer love (Charles F. Haas, 1958) en Dragstrip riot (David Bradley, 1958). Eervolle laatste rol in de hoog gewaardeerde televisiefilm 'Gideon's trumpet' (Robert E. Collins, 1980). Natuurlijke dood.


In memoriam
Alie Wiering (1955-2004)
Hoe letterlijk gaf ze zich bloot in onze eerste succesvolle film Hors d'oeuvre (1978). Ze stond zich in een scène naakt te wassen aan de keukengeiser van het kraakpandje waar we toen woonden. Huub Bals zag er een grote (film)belofte in en lanceerde het uitprobeersel op wat toen nog Film International heette. Sindsdien is de film grijs gedraaid op festivals en in musea over de hele wereld.
Hoe figuurlijk gaf ze zich bloot tijdens de gesprekken, die ze voerde in onze film Het vrije leven (1981). Ze confronteerde familieleden en bekenden uit het Drentse dorp waar ze opgegroeid is met de benauwenis, die zij daar altijd gevoeld had. Aan een tante vroeg ze of het permanente huishoudelijk werk haar niet verveelde. Tante antwoordde dat ze gisteren appels geschild had en eergisteren peren. Het was iedere keer weer wat anders... In hetzelfde shot ging tante overstag: 't Verveelde toch wel: je moet wassen en veertien dagen later moest je al weer wassen. Deze opmerking heeft een boze ingezonden brief opgeleverd in de locale Drentse pers: schandalig dat de wereld nu zou denken dat Drenten maar eens in de veertien dagen de was doen.
Regelmatig liep ze bij die gesprekken tegen een muur op: tegen een andere tante zei Alie dat ze het zo belangrijk vond dat mensen en vooral vrouwen zich ontwikkelen. Die tante antwoordde resoluut dat je ook wel eens een keer uitgeleerd bent...
Het vrije leven ging in première op Festival of Festivals in Toronto. Een zaal gevuld met zo'n 1.500 toeschouwers reageerde totaal uiteenlopend: mensen, die zelf uit zo'n besloten gemeenschap kwamen begrepen Alie's gedachten en waren dol enthousiast, een ruime hoeveelheid Nederlandse emigranten in de zaal werd kwaad. "Je moest de vuile was niet buiten hangen!"
Een andere muur waar ze kort daarna tegenop liep bleek haar zwaarmoedigheid te zijn. Ondanks haar enorme creativiteit, ze kon schrijven, dichten, tekenen, acteren, filmen en beschikte over een enorme dosis humor en liefde voor de mensheid, werd de blik op haar eigen zieltje steeds somberder. Als vlucht voor die gevoelens ging ze 'wereldse' dingen doen, die niet meer in overeenstemming waren met onze realiteit. Manische depressie wordt dat wel genoemd. Deze ziekte heeft het van onze relatie gewonnen zo'n twaalf jaar geleden. Onlangs heeft ie ook bij haar de deurwaarder langs gestuurd, Alie Wiering, bijzondere vrouw waar ik nog steeds zielsveel van houd.

Ruud Monster

Alie Wiering met haar moeder in Het vrije leven.

Naar boven