September 2004, nr 258

Wim Verstappen (1937-2004)

Film moet stinken

Wim Verstappen (5 april 1937-24 juli 2004) maakte samen met Pim de la Parra in tien jaar tijd dertig films, waaronder Blue movie en Dakota. Na de beëindiging van hun samenwerking in 1975 maakte hij nog onder andere de Vestdijk-verfilmingen Pastorale 1943 en Het verboden bacchanaal. Tot zijn dood werkte hij als expert in auteursrecht voor audiovisuele werken voor de VEVAM en SEKAM. Hieronder een verkorte versie van het laatste interview van Hans Heesen en Lex Veerkamp met Verstappen, te lezen in het boek 'Een volstrekt onverklaarbaar wonder'.

Wim Verstappen (foto: Felix Kalkman).

"Na mijn schooltijd in Curaçao ging ik in Nederland studeren: fysische chemie. Ik zou de atoombom gaan maken. Maar de wiskunde die ik op Curaçao had geleerd, was niet toereikend, en atoombommen maken was niet zo interessant. Ik had op mijn kamertje een oliekachel en naar de bioscoop gaan was net zo duur als de olie die je op één middag of avond gebruikte. De keus was snel gemaakt: de bioscoop stonk minder.
De studie werd niks, en toen belandde ik op de Filmacademie. Maar eerst moest ik toelatingsexamen doen. We kregen de kerkhofscène uit The third man te zien, en kregen de vraag waarom hij zo gesneden was. Het Credo wordt in die scène voorgelezen en daar is het op gesneden. Toen heb ik me schandelijk misdragen. Ik vertelde dat een paar acteurs blijkbaar niet naar Wenen konden komen, en dat de scène daarom zo in elkaar zat. Dat heb ik aan professor Jan Marie Lambert Peters persoonlijk uit moeten leggen. Dat heb ik gedaan aan de hand van de verschillen in belichting. Hij begreep het nog steeds niet, maar pikte het allemaal wel.
In die tijd werd het filmtijdschrift Skoop opgericht door Nicolai van der Heyde, Pim de la Parra en Gied Jaspars. Bij het eerste nummer hadden ze het gevoel dat ze een stuk tekort kwamen. En toen heb ik een stuk geschreven. Zo ben ik bij Skoop gekomen. Peters kreeg toen de opdracht om ons van school te zetten, vanwege de opruiende literatuur. Omdat we het allemaal beter wisten.
Ik ben het nog steeds eens met Orson Welles, die zei: in zes weken kun je alles over film leren. Het is onzin om vier jaar op school te zitten. En dan heb je mensen die na vier jaar nog niet uitgeleerd zijn en die gaan erna nog post-academiaal naar het Maurits Binger Instituut. Ik vind dat onzin. Andrzej Wajda deelt mijn mening. Hij zei: als je jong bent, heb je veel energie en moet je gelijk films maken, en het geld voor het post-academiaal onderwijs geef je aan net afgestudeerde filmmakers, zodat ze hun eerste film kunnen maken.

Spion
Ik woonde halverwege de jaren zestig op de Herengracht, achter het standbeeld van het Lieverdje. Dat was honderd meter bij mij vandaan. Ik zag dagelijks allerlei provo-toestanden en vond het volslagen maf dat daar geen film en ook geen televisie bij aanwezig was. Samen met Wim van der Linden, Jan de Bont en Frans Bromet hebben we vervolgens De minder gelukkige terugkeer van Joszef Katús in het land van Rembrandt gemaakt.
Joszef Katús is voor een deel autobiografisch. Om de verboden films van Joris Ivens te zien ging ik namelijk naar Oost-Berlijn, en toen ik terugkwam lag er een briefje bij de post waarin stond dat ik niet meer voor de militaire oefening hoefde op te komen. Dat was dus omdat ik in Oost-Berlijn geweest was. En dat gegeven zit in Katús. Ik heb echt gelazer gehad met de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Ze hebben me nog gevraagd of ik, als ik dan toch in die buurt kwam, voor ze wilde spioneren. Dat heb ik dus niet gedaan. Dat was op zich al een reden voor de BVD om mij in de gaten te houden. Maar mijn naam is wel aan de Russen doorgegeven als spion, hoorde ik later via via. Als ik ergens kwam moesten de Russen energie in mij stoppen, en kwam er iemand achter mij aan. Die ervaring is de achtergrond van Katús.
We wilden na Katús meteen een volgende film maken. Dat werd Liefdesbekentenissen, en daarbij ging alles eigenlijk helemaal fout. We hadden geen idee hoe we de film moesten maken. We hielden dan ook ons hart vast toen we hoorden dat, toen Truffaut in Nederland was, hij de film zou gaan zien. Harry Kümel nam hem er mee naar toe en vertaalde de film synchroon voor hem. Ik weet nog steeds niet wat Harry allemaal gezegd heeft, maar we hoorden Truffaut bulderen van het lachen. Het leek wel een Marx Brothers-film! Vervolgens komt Bernard Herrmann, de componist van Hitchcock, naar Nederland en we krijgen een briefje: Truffaut heeft hem gezegd dat het een meesterwerk is en hij wil de film zien. Een week later kregen we een brief van veertien pagina's: 'Dear Wim, your film shows great talent, but...' Maar goed, daardoor is bij Obsessions muziek van hem gekomen.

Peper
Ik liep vroeger niet rond, dat ik met alle geweld een film wilde maken. Daarom voel ik me nu ook heel senang. Frans Weisz kan zich niet voorstellen dat ik geen film meer wil maken. Ik hoef niet zo nodig. Dat heb ik nooit gehad. Het blijkt ook uit de beperkingen in de kwaliteiten van mijn films. Ik ben beter in het corrigeren of bijstellen van ideeën van anderen, dan in het zelf maken. Ik vond het daarom leuk om met Pim te werken.
Ik weet niet precies wat mijn motivatie geweest is. Pim noemt zichzelf de peper in mijn reet. Dat is een goede omschrijving. Pim was degene die films wilde maken. Zonder hem had het veel langer geduurd of het was nooit gebeurd. Het was en is niet mijn ambitie om films te maken. Ik heb nooit bijvoorbeeld de Max Havelaar willen verfilmen.
Mijn bevlogenheid hoef je daardoor niet in twijfel te trekken. Als ik films van Renoir zie, of Pantserkruiser Potemkin of Iwan de verschrikkelijke, ga ik nog steeds door de grond. Als Doris Day in The man who knew too much van Hitchcock tijdens het concert staat en moet kiezen, dan vind ik dat een van de grootste scènes uit de cinematografie. Van de filmmakers van dit ogenblik vind ik alles van Almodovar goed. Hij is de enige Europese regisseur waarbij ik uitkijk naar zijn volgende film. Amerikaanse filmmakers kunnen een situatie neerzetten en dan gebeurt er binnen vijf minuten iets wat stinkt, en dat blijkt dan later nog veel erger te zijn dan je dacht. Dat mis ik in Europese films. Die achteruitlopende logica. Er moet iets gebeuren waarbij je denkt: wat zou dat zijn? Dat blijkt dan later.
Pim wil nog steeds graag films maken, ik heb er altijd graag bij willen horen. Pim was indertijd getrouwd met Lies, een Chinese. Er was daar vierentwintig uur per dag eten in huis. Het huis van Pim was daardoor een trefcentrum voor aanstaande filmmakers. Daar is heel wat afgeroddeld en gedebatteerd! Je kon bij Pim altijd binnenvallen. Dat was eigenlijk de belangrijkste reden dat de filmcultuur van de grond kwam: dat er een centrum was. Het is het principe van de Turkse bazaar: je zet alle groentewinkels naast elkaar in dezelfde gang van de bazaar. Als één groentewinkel iets nieuws bedenkt en het flopt, dan lachen ze hem allemaal uit. Als het succes heeft, doen ze het morgen allemaal. Ik zie nu niet zo'n plaats waar ze met z'n allen komen. Als ik nu rondkijk is het dát wat ik het meeste mis."

Het boek 'Een volstrekt onverklaarbaar wonder. De eerste stappen op het filmpad van 12 Nederlandse filmmakers' door Hans Heesen en Lex Veerkamp verschijnt op 5 september ter gelegenheid van de opening van het Louis Hartlooper Complex in Utrecht. Bovenstaande is een door de Filmkrant ingekorte versie van het interview met Wim Verstappen.

Naar boven