December 2004, nr 261

Theo van Gogh, 1957-2004

De jager en de prooi

Theo van Gogh was boven alles filmmaker. Regisseur van een oeuvre dat met zijn nagelaten speelfilm 06-05 en de televisieserie 'Medea' nog maar net op het punt van losbarsten stond. Het zijn twee urgente films waarin meer dan ooit duidelijk wordt dat iedereen elkaar in een wurggreep houdt.

Op de set van 06-05:Thijs Römer en Theo van Gogh nemen de achtervolgingsscène in het zwembad van een bungalowpark in het Brabantse Hapert door (foto: Matthijs Wolff).

Op de ochtend dat mij het nieuws bereikte dat Theo van Gogh vermoord was, duurde het lang voordat het tot mij doordrong wat dat betekende.
Doodgeschoten. Doodgestoken. Dat waren de eerste berichten.
Later zou het allebei blijken te zijn.
Wreed, barbaars, ritueel.

Een filmscène. We horen een oud journaalbericht. "Is-t-ie nou neergestoken of neergeschoten?" Die scène zit in de laatste film die Theo van Gogh voor zijn dood regisseerde, 06-05, over de moord op Pim Fortuyn. Of eigenlijk over de moord op het Nederland waarin ik ben opgegroeid: progressief, tolerant (ja, zo ervoer ik Nederland; met het hele ouderwets gepolariseerde links-rechts debat rondom Fortuyn kan ik niet zoveel). Een redelijk fatsoenlijk land waarin je best oud wilde worden. Het Nederland van 06-05 is schimmig, ziek, moe, oud, corrupt. Niemand heeft er meer greep op.
Het is pijnlijk profetisch.
Je ontkomt er niet aan om parallellen te zien.
Je ontkomt er niet aan om jezelf op het spel te zetten, wegkijken kan niet meer.

En dan weer terug naar die andere realiteit. Twee mannen, twee opiniemakers vermoord om hun mening. Schelden doet geen zeer, maar slaan des te meer.

Dood, betekende dat trouwens ook echt dood, en niet doodstil, monddood? Wat voor iemand als van Van Gogh waarschijnlijk nog veel erger zou zijn geweest. Maar het was dood, vermoord, geliquideerd. En niet toevallig, alsof dat iets zou vergoelijken, maar doelbewust. Er was in Nederland een filmmaker vermoord. Stukje bij beetje kwam informatie los over de dader en zijn motief en werd één ding duidelijk: Theo van Gogh is vermoord om wie hij was, als publiek persoon. Om wat hij zei en schreef, als columnist. Om wat hij deed, als filmmaker. En dat alles deed hij oncompromisloos, zonder een blad voor de mond te nemen, strijdend tegen slechts één vijand: de hypocrisie.

Ook diezelfde CDA-hypocrisie die nu denkt dat als we godslastering maar verbieden dat dan het wereldwijde terrorisme ook vanzelf zal verdwijnen.

Het is onmogelijk om 06-05 los te zien van de moord op zijn regisseur. Dat moeten we op dit moment ook niet willen. Als de regisseur van een film over de moord op een politicus zelf wordt vermoord lijkt alles wel een soort extra betekenis te krijgen. Maar die betekenis had het natuurlijk al. Die ligt nu alleen naakt en kaal aan de oppervlakte. Theo van Gogh en scenarist Thomas Ross die het script voor 06-05 baseerde op zijn novelle 'De zesde mei', waren niet voor niets gefascineerd door de nasleep van de moord op Fortuyn. Zij zagen in het politieke geklungel een bewijs voor hun al eerder en luidkeels geventileerde wantrouwen tegen de traditionele politiek van pappen en nathouden en achterkamertjesgedoe waar het debat werd vermeden en compromissen werden gezocht.
Visionair? Misschien.
Heeft Marsman zijn eigen dood voorvoeld toen hij de gedichten in 'Tempel en kruis' schreef?
Heeft Theo van Gogh zijn eigen dood voorzien, en is zijn razende, maniakale filmproductie sinds 6 mei 2002 daaraan te danken?
Dat is stof voor diegenen die willen uitrekenen dat de moord op van Van Gogh precies 911 dagen na die op Pim Fortuyn volgde. Die willen dat er systeem in de waanzin zit. Dat neem ik ze niet kwalijk.

Theo van Gogh had haast. Opmerkelijk is dat hij grofweg eenderde van zijn complete filmografie na 6 mei 2002 draaide. Van de multiculturele televisieserie 'Najib & Julia' (vanaf 2002), het duel tussen Katja Schurman en Pierre Bokma in Interview (2003), zijn energieke duik in de wereld van allochtone en autochtone kut-crimineeltjes in Cool (2004), de televisieserie 'Medea' (vanaf januari 2005 op de buis) over de verleidingen van macht en andere machinaties, 06-05 dus en natuurlijk Submission, part 1, de gewraakte film naar een scenario van Ayaan Hirsi Ali.
In de dagen na 2 november werd helder dat vooral die film, een tien minuten durend traktaat dat deze zomer voor het VPRO-programma 'Zomergasten' is gemaakt, de verdachte, en naar het er nu uitziet een complete moslim-extremistische terroristische cel, in het verkeerde keelgat is geschoten. Een in islam-retoriek opgesteld pamflet, achtergelaten in het lichaam van de vermoorde regisseur, moest duidelijk maken dat er met de islam niet gespot mag worden. En Hirsi Ali kon maar beter nóg meer op haar al beveiligde tellen passen. Moslim-fundamentalisme laat noch beeldspraak, noch ironie toe, en met name dat laatste was Van Goghs voornaamste wapen.
Het is om razend van de worden dat juist de twee filmproducties die Theo van Gogh bij zijn dood heeft achtergelaten, zoveel prijs geven over een nieuwe weg die hij als filmmaker bezig was in te slaan. 06-05, dat op 12 december zijn internetpremière beleeft en voorafgaand aan een bioscooproulement op het Filmfestival Rotterdam te zien zal zijn, en de zesdelige televisieserie 'Medea' (inderdaad, naar de klassieke tragedie van Euripides) kunnen nu niet anders worden gezien dan als sleutelfilms in een niet voltooid oeuvre.
Meer dan ooit komen al zijn persoonlijkheden, de politieke commentator, de scheldcolumnist met een missie, de herrieschopper en vooral de humanist met een buitengewoon pijnlijke en openhartige kijk op de menselijke natuur daarin samen. Theo van Gogh was nog maar net begonnen.

Iedereen stapt ergens in een oeuvre van een filmmaker. Bij Theo van Gogh was dat voor mij als criticus bij De pijnbank (1998), een van de 'geflopte' films die volgde op de grote successen uit zijn middenperiode 06 (1994) en Blind date (1996). In twaalf dagen opgenomen en zonder enige vorm van subsidie is De pijnbank eigenlijk de eerste film waarin Van Gogh zich niet gehinderd door al te veel externe bemoeienissen of al te jeugdige opstandigheid kon uitleven.
Het scenario van cabaretier Justus van Oel liet hier en daar te wensen over, maar de nuance kwam dan ook vooral van de gezichten van de acteurs: van de zweetdruppels op de bovenlip van de opvallend ingetogen, en daarom bij nader inzien op meerdere niveaus masochistische Paul de Leeuw, de gevaarlijke kalmte en de maniakale woede-uitbarstingen van Jack Wouterse en het gladde venijn van Roeland Fernhout. Vanaf De pijnbank worden de films van Van Gogh sneller en nonchalanter, maar op acteursgebied intenser. Digitale camera, mise-en-scène en close-up namen de plaats in van art direction, totaalshot en dramaturgische balans. Niet voor niets werd hij ook de afgelopen periode door iedereen geroemd om zijn vermogen om acteurs op hun gemak te stellen en het beste en het onverwachtste uit zichzelf te halen.
Misschien had De pijnbank niet dezelfde concentratie als 06 en Blind date, niet hetzelfde speelse vilein als de boekverfilmingen Een dagje naar het strand (1984, naar Heere Heeresma) en Terug naar Oegstgeest (1987, naar Jan Wolkers) en al helemaal niet dat provocerend rebelse van zijn eerste films Lüger (1982), Charley (1986) en Loos (1989). Ondanks de halfhartige respons op de film en het feit dat hij weer een periode van marginaliteit in het Nederlandse filmlandschap inluidde, is De pijnbank in retrospectief - en voor mij - de film die duidelijk maakte welke richting Van Gogh in zou gaan en wat zijn basisthematiek was: de beslissende machtsstrijd tussen mensen. Tussen mannen en vrouwen natuurlijk, een onderwerp waarvan de filmmaker regelmatig verklaarde weinig te begrijpen. Maar op een fundamenteler niveau tussen jager en prooi (een van de verschijningsvormen van de strijd tussen de seksen), vooral als die regelmatig van rol konden wisselen. Van Gogh liet haarscherp zien dat slachtoffers soms net zo opportunistisch als machthebbers zijn, dat meelopers vaak overleven als bestuurders, dat eerlijkheid zelden beloond wordt, dat de waarheid rekkelijk is, maar dat rekkelijkheid tot lafheid kan leiden.
Samen met 06-05 vormt 'Medea' daarom zo'n prachtig tweeluik: de Haagse patjepeeërpolitiek bekeken met de ogen van de eerste humanistische dramaschrijver Euripides. 'Medea' is strakker en weerbarstiger dan 06-05, maar ook door de vele 'dubbelrollen': Thijs Römer als Jason in 'Medea' en als speurende fotojournalist in 06-05, een onontkoombaar 'companion piece'. 'Medea' is als de antithese van 06-05, waarin helden schurken worden en omgekeerd. Naargeestig determinisme van een koude, corrupte maatschappij.

Illustratie: Typex.

Hoeveel lompe publieke en lieve privé-gezichten Theo van Gogh ook heeft gehad, als filmmaker was hij altijd buitengewoon genuanceerd. Natuurlijk, hij hield van pesten, en hij liet niet na zijn films vol te stoppen met soms kinderachtige, soms fijne plagerijtjes richting personen en instanties met wie hij het op dat moment aan de stok had (journalisten, politici, kranten, de overheid). Hij had een feilloos instinct voor de zwakke kanten van de menselijke natuur, hield van de combinatie zout en open wonden, maar was in zijn films nooit echt zonder mededogen. Een beetje calvinistisch zelfs: kastijden en liefhebben lagen dicht bij elkaar.
Dat was er bijvoorbeeld de reden voor dat de grootste criticaster van het in zijn ogen niet minder dan huichelachtige multiculturalisme van de afgelopen twintig jaar, op een individueel niveau met de televisieserie 'Najib & Julia' en de film Cool een angstaanjagend afgewogen gezicht aan Nederland Multiculturalia gaf.
En: hij deed het tenminste. Al dat gemopper op televisie en in kranten kan ook worden beschouwd als een warmlopen voor de diverse emoties die hij in zijn filmwerk wel toeliet. Mede daarom is het zo idioot dat juist deze twee producties in zijn necrologieën en in de hele in de media gevoerde discussie om zijn persoon zo ondergeschoven zijn.
Er moet juist worden beklemtoond dat generaliserend moslim-hater Van Gogh in zijn films op z'n minst onderzocht hoe mensen met verschillende achtergronden al dan niet falen met elkaar samen te leven. De romanticus Van Gogh hield steeds meer een ontsnappingsroute over voor de liefde. En de regisseur Van Gogh was een van de weinigen die op grote schaal Turkse en Marokkaanse acteurs castte en hun personages in zijn films serieus behandelde, zonder politiekcorrecte overgevoeligheden, maar eigenlijk ook zonder vooroordelen.

Die rijkdom spreekt ook uit elke urgente porie van 06-05. Het doel van die film lijkt meer twijfel zaaien (dat mooie filosofische basisprincipe) dan zekerheden geven. Wat is er met Nederland aan de hand dat Pim Fortuyn vermoord moest worden? Voor wie die vraag twee jaar geleden nog als een incident, als een particulier geval kon afdoen, vallen de schellen van de ogen. 06-05 geeft als een vette Hollandse paranoiathriller verschillende antwoorden op die vraag. De sfeer van gekonkel en gesmoes is misselijkmakend. Iedereen luistert iedereen af, niemand vertrouwt iemand. Terwijl allerlei schimmige instanties in de dagen na de moord op Fortuyn bezig zijn hun eigen zaakjes te regelen.

Eigenlijk is 06-05 twee films in één: een politieke complotthriller en een Nederlandse Fahrenheit 9/11 over de door Van Gogh aangeklaagde hypocrisie van de toenmalige 'oude politiek' - niet dat Balkenende cum suis nu heel anders reageren op zíjn dood, maar dat terzijde. Een doorlopende montage van journaals, radio-uitzendingen en actualiteitenrubrieken braakt op de achtergrond dezelfde nietszeggende en daarom des te shockerender retoriek uit. De regering sust de bevolking in slaap.
Fortuyn is niet de heilige zoals gehoopt of gevreesd kon worden. Zelfs 'links' is niet staatsvijand nummer één in deze film die uiteindelijk weer en meer ten doel heeft om onbetrouwbaarheid en hypocrisie te ontmaskeren, dan om een of andere politiek pamflet te zijn.
06-05 is daarmee ook Van Goghs eerste film die al zijn persoonlijkheden verenigt. Niet alleen is de film ongelooflijk rijk aan beelden, letterlijke en figuurlijke invalshoeken, (camera)standpunten, hij portretteert vooral ook een brede reeks individuen die worstelen met processen die bijna onhanteerbaar zijn.
De pijnbank was al zijn lijdensverhaal, met een slome, claustrofobische en duizelingwekkende rondedans van dader en slachtoffer in steeds wisselende leidersrollen tot slot. In 06-05 ontbreekt de christelijke symboliek. Maar weer die dans, gechoreografeerd en getoonzet in de verschillende gradaties van verraad. Wat rest is de existentiële waarheid. Wie vertrouw je en wie niet. In hoeverre kun je jezelf vertrouwen en voor je eigen daden instaan? Wat is de kale, koude, kleddernatte realiteit aan het einde van de dag. Bij wie kun je schuilen? Wat is eigenbelang? Is dat berekening of is er nog iets wat ons kleine, klunzige kutwezens op deze aardkloot samenbindt? Een wanhopige koestering. Valt het universum uit elkaar als mensen elkaar niet meer in die verstikkende wurgreep houden?

Kunnen we alleen overleven dankzij onze destructieve eigenschappen?

Theo van Gogh was waarschijnlijk de enige echte Nederlandse existentialist, dat hij ons met zulke vragen hard in het gezicht wilde slaan.

Maar hij was ook iemand die je een sigaret en een drankje gaf als je het koud had.

Hij dwong je jezelf op het spel te zetten.

Hij zette zichzelf op het spel.

Dana Linssen

06-05 beleeft op 12 december zijn première op het internet. Voor meer informatie zie www.0605defilm.nl. 'Medea' wordt vanaf januari op televisie uitgezonden.

Zie ook The Big Sleep over Theo van Gogh.

Naar boven