The Big Sleep - april 2005, nr 265

Voor aanvullingen, kritiek en suggesties: stuur uw e-mail naar Hans Beerekamp.

Voormalig tieneridool Sandra Dee (62, Los Angeles, 20 februari, nieraandoening) zal vooral voortleven door het sarcastische liedje 'Look at me, I'm Sandra Dee' in Grease (Randal Kleiser, 1977). De Amerikaans filmactrice, pseudoniem van Alexandra Zuck, werd bekend door luchtige tienerfilms als Gidget (Paul Wendkos, 1959) en A summer place (Delmer Daves, 1959), maar speelde ook een serieuze rol in het klassieke melodrama Imitation of life (Douglas Sirk, 1959). Dee is getrouwd geweest met zanger-acteur Bobby Darin. Ze werd in de Darin-biopic Beyond the sea (Kevin Spacey, 2004) gespeeld door Kate Bosworth.

Bijna zo kittig als Sandra Dee was twee decennia eerder in de onbekommerde vooroorlogse Nederlandse speelfilm Cissy van Bennekom (93, Amsterdam, 1 maart, natuurlijke dood). De Nederlandse filmactrice, voluit Francisca Wilhelmina van Bennekom, was met rollen in zeven lange speelfilms een van de meest actieve sterren van die periode. Ze debuteerde, na een theaterloopbaan vanaf haar zeventiende, zes jaar later in een van de eerste geluidsfilms, De Jantjes (Jaap Speyer, 1934). Daarna volgden Op hoop van zegen (Alex Benno, 1934), De familie van mijn vrouw (Speyer, 1935), De vier Müllers (Rudolph Meinert, 1935), Op een avond in mei (Speyer, 1936), 't Was 1 april (Detlef Sierck, 1936) en De spooktrein (Karl Lamac, 1939), alsmede de korte film Amsterdam bij nacht (Benno, 1937). Van Bennekom was ook betrokken bij de eerste experimentele televisie-uitzendingen van Philips en speelde cabaret bij Wim Sonneveld. Ze beëindigde haar publieke carrière na een tweede huwelijk in 1948.
Ons bereikten afgelopen maand twee overlijdensberichten van Nederlanders met één verfilmd scenario op hun naam. Historicus en journalist Loe de Jong (90, Amsterdam, 15 maart, na een korte ziekte) was de eerste directeur van het Rijksinstituut voor de Oorlogsdocumentatie (RIOD) en officieel geschiedschrijver van 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' in veertien delen en dertig banden (1969-1989). Hij won een Zilveren Nipkowschijf als presentator en schrijver van de zeer invloedrijke 21-delige documentaire NTS-televisieserie 'De bezetting' (Milo Anstadt, 1960-65). Bijna even veel succes had de zeer nauwgezet gedocumenteerde speelfilm De overval (Paul Rotha, 1962) over een bevrijdingsactie van het verzet in de gevangenis van Leeuwarden (1944), waarvoor dr. L. de Jong het scenario schreef.
Daarentegen flopte in 1963 jammerlijk de psychologische thriller De vergeten medeminaar, met een hoofdrol voor theateracteur Henk van Ulsen. Het markeerde de tijdelijke terugkeer van de in Mexico succesvolle, in Den Haag geboren regisseur John ('Giovanni') Korporaal, die zich voor de verfilming van een roman van Rico Bulthuis baseerde op een scenario van film- en theatercriticus.
Piet Ruivenkamp (71, Zoetermeer, 7 december 2002, na een lange ziekte). Zijn dood was ruim twee jaar geleden in de landelijke pers onopgemerkt gebleven, maar stom toevallig kwam ik erachter in de week dat zijn krant, de Haagsche Courant, ook de wacht werd aangezegd. Piet Ruivenkamp was niet alleen in de jaren zestig, zeventig en tachtig de belangrijkste Haagse filmrecensent. Hij was ook de drijvende kracht achter de vertoningen van het zogeheten Haags Filmmuseum, in de bioscoop Studio 2000 en initiatiefnemer van het vernoemen van de straten in een wijk van zijn woonplaats Zoetermeer naar bekende filmpersoonlijkheden.

De tot Brit genaturaliseerde Cubaans schrijver en scenarist Guillermo Cabrera Infante (75, Londen, 21 februari, bloedvergiftiging) was ook in eerste en laatste instantie filmcriticus. De hoofdredacteur van het filmblad 'Carteles' en oprichter van de Cubaanse cinematheek, die hij leidde (1951-56), werd onder Castro directeur van het Cubaanse Filminstituut ICAIC. In 1966 ging hij in ballingschap na een conflict met het Castro-regime over het verbod van een documentaire van zijn broer over het nachtleven van Havana. Cabrera Infante won in 1997 de literaire Cervantesprijs, onder meer omdat hij volgens jurylid Mario Vargas Llosa de filmkritiek tot een nieuw literair genre had verheven. In 1963 werden zijn kritieken gebundeld als '20th century job'. In 1997 publiceerde hij het essay 'Cinema or sardine'. Ook schreef hij het scenario voor de films Wonderwall (Joe Massot, 1968), Vanishing point (Richard C. Sarafian, 1971) en het binnenkort verwachte The lost city (Andy Garcia, 2005) en komt hij aan het woord in de anti-Castrodocumentaire Mauvaise conduite (Néstor Almendros en Orlando Jiménez Leal, 1984). Zijn bekendste roman 'Tres tristes tigres' uit 1967 vormde de inspiratie voor de gelijknamige Chileense film (Raúl Ruiz, 1968).

Filmhuisbezoekers kennen zeker het gezicht van de Taiwanese acteur Tien Miao (79, Taipei, 19 februari, lymfeklierkanker). Hij speelde steevast de rol van de vader in de films van Tsai Ming-liang: Rebels of the neon god/Ch'ing shaonien na cha (1992), The river/He liu (1997), The hole/Dong (1998), What time is it there?/Nei nibian jidian (2001) en Goodbye dragon inn/Bu san (2003), maar ook in het vorig jaar met een Tiger Award bekroonde regiedebuut van de acteur die bij Tsai altijd Tiens zoon speelde: The missing/Bu jian (Lee Kang-sheng, 2003). Tien Miao was ook te zien in twee Hongkong-klassiekers van King Hu, Dragon gate inn/Long men ke zhen (1966) en A touch of zen/Hsia nu (1969).

Toen we voor het eerst kennis maakten met Brigitte Mira (94, Berlijn, 8 maart, infectie), was ze een 64-jarige actrice, die de hoofdrol in Angst essen Seele auf/Alle Turken heten Ali (Rainer Werner Fassbinder, 1974) speelde van een vrouw die verliefd wordt op een veel jongere 'Gastarbeiter'. Alleen in Berlijn en omstreken wisten sommigen dat Mira oospronkelijk een balletdanseres en cabaretzangeres was met filmrollen sinds 1958. Ze had al gespeeld in Fassbinders televisieserie 'Acht Stunden sind kein Tag' en zijn productie Zärtlichkeit der Wölfe (Ulli Lommel, 1973). Daarna was Mira te zien in de titelrol van Fassbinders Mutter Küsters Fahrt zum Himmel (1975) en zijn films Faustrecht der Freiheit (1974), Angst vor der Angst (1975), Satansbraten (1976), Chinesisches Roulette (1976), Lili Marleen (1981) en zijn televisieserie 'Berlin Alexanderplatz' (1980). Ook trad ze in veel andere films op, waaronder Jeder für sich und Gott gegen alle (Werner Herzog, 1974), het Hildegard Knef-vehikel Jeder stirbt für sich allein (Alfred Vohrer, 1975), Die Frau gegenüber (Hans Noever, 1978), Fabian (Wolf Gremm, 1980), Kamikaze 1989 (Gremm, 1981), alsmede talloze televisieprogramma's, waaronder de Duitse soapserie 'Gute Zeiten, schlechte Zeiten' (1992).

De kinderfilm Little fugitive (1953), waarin een jongetje op de kermis van Coney Island denkt zijn vriendje per ongeluk te hebben doodgeschoten, werd een semi-klassieker in buurthuizen en andere matinees. Voor de bijna neo-realistisch stijl tekende de tot dan onbekende Newyorkse cameraman en regisseur Morris Engel (86, New York, 5 maart, kanker), die de film ook produceerde. Co-regisseurs en co-scenaristen waren Ray Ashley en Engels echtgenote Ruth Orkin. Engels twee volgende films, Babies and lollipops (1956) en Weddings and babies (1958), waren veel minder succesvol. François Truffaut zou later onthullen dat zijn debuut Les 400 coups (1959) diep beïnvloed was door Little fugitive.
Truffauts hoofdrolspeler en alter ego Jean-Pierre Léaud was de zoon van een Franse filmactrice, Jacqueline Pierreux (82, Parijs?, 10 maart, natuurlijke dood), voluit Jacqueline Léone Madeleine Pierreux. Ze debuteerde weliswaar al in 1942 (Les ailes blanches, Robert Péguy), en was in zeer veel films te zien, waarvan de meesten inmiddels totaal vergeten. Wellicht zijn de uitzonderingen: Les démons de l'aube (Yves Allégret, 1946), Nous sommes tous des assassins (André Cayatte, 1952) en Die Dreigroschenoper (Wolfgang Staudte, 1962). Na enig productiewerk maakte Pierreux een soort van comeback in Le cinéma de papa (Claude Berri, 1970), gevolgd door onder meer Violette Nozière (Claude Chabrol, 1977). Als producente opereerde Pierreux vooral in België. Tot haar producties behoren Home sweet home (Benoît Lamy, 1973), Verbrande brug (Guido Henderickx, 1975), Het verloren paradijs (Harry Kümel, 1978), de documentaire Io sono Anna Magnani (Chris Vermorcken, 1979), Le maître de musique (tevens scenario; Gérard Corbiau, 1987), Blueberry Hill (Robbe De Hert, 1989), Just friends (Marc-Henri Wajnberg, 1993), Un divan à New York (Chantal Akerman, 1995), De ooggetuige (Emile Degelin, 1995) en The commissioner (George Sluizer, 1998).
De eveneens Franse actrice Simone Simon (93, Parijs, 22 februari, natuurlijke dood), eigenlijk Simonne Thérèse Fernande Simon, leeft vooral voort door haar hoofdrol in de griezelklassieker Cat people (Jacques Tourneur, 1942). Het was het hoogtepunt van haar tweede Hollywoodcarrière. Na een filmdebuut in 1931 had de voormalige operettezangeres enig succes gekend onder regie van Marc Allégret, met name in zijn film Lac aux dames (1934). Het bezorgde Simon een uitnodiging van 20th Century Fox en een contract. Ze speelde met zeer bescheiden succes in vijf films, waaronder Seventh heaven (Henry King, 1936). Wel veel aandacht kreeg het zogeheten 'gouden-sleutelschandaal', een door de roddelpers breed uitgemeten verhaal over Hollywoodorgieën, waarin Simons naam viel. Ze reisde halsoverkop terug naar Parijs en kreeg van Jean Renoir de hoofdrol tegenover Jean Gabin in La bête humaine (1938). Daarna was te zien met naamgenoot Michel Simon in Cavalcade d'amour (Raymond Bernard, 1939), maar weigerde de rol die Nora Gregor zou spelen in Renoirs La règle du jeu (1939). De Tweede Wereldoorlog duwde haar opnieuw over de oceaan, waar ze nu iets meer succes had: All that money can buy (William Dieterle, 1941), Cat people en het vervolg The curse of the cat people (Robert Wise, 1944). Terug in Europa zou ze nog optreden in twee films van Max Ophüls (La ronde, 1950; Le plaisir, 1951), in Olivia (Jacqueline Audry, 1951) en veel later in La femme en bleu (Michel Deville, 1972).

Oscarwinnares Teresa Wright (86, New Haven CT, 6 maart, doodsoorzaak onbekend) heeft een merkwaardig record op haar naam staan. De Amerikaans actrice, die eigenlijk Muriel Teresa Wright heette, is nog steeds de enige acteur (m/v) die voor zijn eerste drie rollen genomineerd werd: eerst voor haar bijrol in The little foxes (William Wyler, 1941) en een jaar later voor een hoofdrol tegenover Gary Cooper in The pride of the Yankees (Sam Wood, 1942) en weer een bijrol in Mrs. Miniver (Wyler, 1942). Die laatste nominatie was de enige die ze ooit zou verzilveren. Sindsdien zou alles langzaam minder worden voor de gedistingeerde Wright, ook al gaat haar filmografie nog door tot 1997, toen ze Miss Birdie was in de verfilming door Francis Ford Coppola van John Grishams The rainmaker. De bekendste rol die aan haar neus voorbijging was die in Duel in the sun (King Vidor, 1946), speciaal voor Wright geschreven door toenmalig echtgenoot en romancier Niven Busch. Producent David O. Selznick gaf de voorkeur aan zijn liefje, Jennifer Jones. Wel viel Wright nog te zien in films als Shadow of a doubt (Alfred Hitchcock, 1943), The best years of our lives (Wyler, 1946), tegenover de debuterende Marlon Brando in The men (Fred Zinnemann, 1950), als de moeder van Sandra Dee in The restless years (Helmut Käutner, 1958), de ballroomfantasie Roseland (James Ivory, 1977), tegenover Christopher Reeve in Somewhere in time (Jeannot Szwarc, 1980) en in The good mother (Leonard Nimoy, 1988).

De Ierse acteur Dan O'Herlihy (85, Malibu, CA, ong. 18 februari, doodsoorzaak onbekend) dankte zijn enige Oscarnominatie aan Las aventuras de Robinson Crusoe (Luis Buñuel, 1954), maar zijn grootste faam aan het personage van Alexander Packard in de tv-serie 'Twin Peaks' (David Lynch, 1990-91). Debuut in Odd man out (Carol Reed, 1947). Ook in Macbeth (als Macduff; Orson Welles, 1948), Kidnapped (William Beaudine, 1948), Invasion USA (Alfred E. Green, 1952), The virgin queen (als Lord Derry; Henry Koster, 1955), That woman opposite (Compton Bennett, 1957), tegenover Sandra Dee in Imitation of life (Douglas Sirk, 1959), Fail-safe (Sydney Lumet, 1964), 100 rifles (Tom Gries, 1969), Waterloo (Sergei Bondartsjoek, 1970), The tamarind seed (Blake Edwards, 1973), MacArthur (Joseph Sargent, 1976), Halloween III: Season of the witch (Tommy Lee Wallace, 1981), The Dubliners (John Huston, 1987), in Robocop (Paul Verhoeven, 1986) en het vervolg Robocop 2 (Irvin Kershner, 1990). Broer van regisseur Michael O'Herlihy.

Producente Debra Hill (54, Los Angeles, 7 maart, kanker) had met de goedkoop vervaardigde monsterhit Halloween (John Carpenter, 1978) percentueel een van de grootste successen aller tijden. Ze schreef het scenario samen met Carpenter. Niet alleen produceerde ze talloze andere films van Carpenter en vervolgen op Halloween, maar werd ook een van de meest gerespecteerde vrouwen in Hollywood, mede door het risico dat ze liep met niet erg voor de hand liggende titels. Onder meer: The dead zone (David Cronenberg, 1983), The fisher king (Terry Gilliam, 1991) en Crazy in Alabama (Antonio Banderas, 1999).
Op hetzelfde grensgebied van horror en artfilm bewoog zich de Afro-Amerikaanse acteur Badja Djola (56, VS, 8 januari, hartaanval), die zijn eerste roem verwierf door de hoofdrol in de blaxploitation Penitentiary (Jamaa Fanaka, 1980). Daarna zagen we hem onder meer in Night shift (Ron Howard, 1982), The lightship (Jerzy Skolimowski, 1985), The serpent and the rainbow (Wes Craven, 1988), Mississippi burning (Alan Parker, 1988), An innocent man (Peter Yates, 1989), A rage in Harlem (Bill Duke, 1991), The last boy scout (Tony Scott, 1991), The waterdance (Neal Jimenez en Michael Steinberg, 1992), Heaven's prisoners (Phil Joanou, 1996) en als Mobutu in The hurricane (Norman Jewison, 1999).

Hans Beerekamp

Naar boven