Mei 2005, nr 266

Screwballcomedies

Romantische puinhopen

Klassieke screwballcomedies zijn als slapstick verpakte oorlogsfilms. Bijna alle hoogtepunten van het genre zijn nu op dvd verkrijgbaar. Sluit u op in uw thuisbioscoop en wordt verliefd!

The awful truth.

Heeft u nog nooit een klassieke screwballcomedy gezien? Geen idee wat zulke oude zwartwitfilms u te bieden hebben? Neem dan een voorbeeld aan prinses Margarita en haar ex Edwin de Roy van Zuydewijn. Die houden de screwballcomedy zo hoog in het vaandel dat ze met hun scheiding een van de mooiste films uit het genre tot in het absurde kopieerden. In Leo McCarey's The awful truth (1937) strijden Jerry Warriner (Cary Grant) en zijn aanstaande ex Lucy (Irene Dunne) om de zorg van hond Paco. Eh, sorry, ik bedoel Mr. Smith. Aan het gerechtshof wordt Mr. Smith, een kekke terriër die met de pootjes aan zijn ogen kan aftellen bij het verstoppertje spelen, gedwongen partij te kiezen. Met hoge slijmstemmen door elkaar kakelend proberen de twee hem naar zich toe te lokken. Wanneer het dilemma voor Mr. Smith te zwaar blijkt, komt Lucy met grof geschut: een schattig rubberen eendje dat stiekem kwaakt vanuit de mouw van haar jas. Eén druk op de eend en hups, Mr. Smith zit op Lucy's schoot. Zo moet Margarita het ook ongeveer gedaan hebben. Niks geen omgangsregeling dus voor Jerry.
Met hun hondengetouwtrek hebben Margarita en Edwin het punt van dit artikel in de praktijk bewezen: de klassieke screwballcomedy, waarmee het Hollywood van de jaren dertig en veertig zijn publiek zonder voorbehoud bedolf onder mislukte huwelijken én mislukte scheidingen, heeft nog niets aan actualiteit ingeboet. Onder het dunne kluchtige, karikaturale oppervlak gaan eeuwige waarheden schuil. De liefde heeft nog steeds geen verstand. Koppelt mensen aan elkaar die denken dat ze elkaar niet kunnen uitstaan - en daar misschien ook nog gelijk in hebben. Zorgt dat mensen zich in elkaar verliezen, de ene relatie verbreken voor de andere en dan spijt krijgen, weer terug willen en dat via allerlei omwegen ook doen. Een verkeerd woord, een verkeerde blik of een allesbehalve onschuldig misverstand en het bed, de slaapkamer, het appartement of de rechtzaal verandert plotsklaps in een slagveld. Screwballcomedies buigen zich vol overgave over dat slagveld. Het zijn als romantische slapstick vermomde oorlogsfilms.

Vieze oren
Nu vrijwel alle hoogtepunten van het genre (goeddeels in het buitenland) op dvd zijn verschenen, kunnen we ook in de thuisbioscoop de wapens tellen en aan den lijve ondervinden hoe fataal deze wapens zijn. Veel fataler dan de overdaad aan klefheid waarmee menig hedendaagse romantische komedie op het onvermijdelijke kleffe happy end afstevent. Ondanks alle slapstick staat de klassieke screwballcomedy veel dichter bij de werkelijkheid; het is de romantische komedie in haar pure, meest effectieve vorm.
Waarmee gevreeën wordt, wordt ook gevochten - met de taal en met het lichaam. Natuurlijk eerst praten, heel veel praten. Alles zeggen zonder dat het gezegd wordt, zodat de fatsoensrakkers het niet horen, en de toeschouwer met de vieze oren in zijn vuistje lacht. De censuur die Hollywood zichzelf vanaf 1930 steeds sterker oplegde, betekende voor de screwballregisseurs en -scenaristen eerder een uitdaging dan een beperking. Ze wilden seks en liefde in al hun complexe gedaanten bespreekbaar en zichtbaar maken, en zagen er juist de lol van in om dit zo omzichtig te doen dat censuurpaus Hays en co het niet merkten. De screwballcomedies barsten van de al dan niet bedekte verwijzingen naar bigamie, overspel, seks voor het huwelijk, homoseksualiteit, incest, transseksualiteit, uitwendige geslachtsorganen, enzovoort. Ze zoeken voortdurend de grenzen op van het betamelijke en gaan er ook vaak overheen, maar dan zo dat de censuur machteloos stond.
Een van de beroemdste voorbeelden is de scène uit Howard Hawks' weergaloos vermoeiende Bringing up baby (1938), waarin paleontoloog David Huxley (alweer Cary Grant) om allerlei ingewikkelde redenen rondloopt in een damesbadjas. Wanneer iemand hem vraagt waarom hij dat doet, zegt hij wanhopig: 'Because I suddenly went gay!' De term 'gay' betekende toen al wat hij nu betekent, maar veel meer dan tegenwoordig ook gewoon 'vrolijk', zoals Peter Bogdanovich nog maar eens beklemtoont in het commentaartrack op de prachtige Warner-dubbeldvd. Daardoor kon het zinnetje door de beugel, terwijl die damesbadjas eigenlijk geen misverstand laat bestaan over de intenties van het personage. Het slimme spelletje dat de films met de censuur spelen is een van de leukste kanten van het genre, maar alleen voor wie beseft dat de beste screwballcomedies maar aan één ding denken.
En als al dat verbale gekietel, gestreel en gevinger niet helpt, dan steel je zijn kleren, sla je haar knock out, trap je in zijn maag of snijd je haar in stukken. Natuurlijk krijgen zij en hij elkaar altijd aan het eind, maar dat betekent nog lang niet dat de weg naar de ware liefde er een is van rozengeur en maneschijn. Integendeel.

Bringing up baby.

Societydame
Screwballcomedies maken het zichzelf alleen al moeilijk door telkens weer schijnbaar volstrekt tegengestelde mensen op elkaars pad te dwingen. Barbara Stanwyck is als zwendelmeisje een moderne Assepoester voor slangenverzamelaar Henry Fonda in Preston Sturges' The lady Eve (1941), en een strippende Sneeuwwitje voor de acht verstrooide professors in Howard Hawks' Ball of fire (1942). En dan hebben we natuurlijk nog de paleontoloog en de societydame in Bringing up baby, de societydame en de verwaande journalist in Frank Capra's It happened one night (1934) en de societydame en de zwerver in My man Godfrey (Gregory la Cava, 1936). Zoals een criticus het uitdrukte: wat een screwballcomedy eenmaal aan elkaar heeft geklonken, gaat nooit meer uit elkaar. Moderne romcoms als Pretty woman (1990),
Notting Hill (1999) en About a boy (2002) hebben deze tactiek overgenomen, met wisselend succes. Ze werkt zolang je denkt: 'Die twee zijn voor elkaar gemaakt' en tegelijkertijd: hoe komen ze daar in hemelsnaam zelf ooit achter?
De meeste stelletjes uit de screwballcomedy kunnen elkaar wel schieten (soms zelfs letterlijk) eer ze echt beseffen dat ze voor elkaar zijn gemaakt. En als ze elkaar niet schieten dan zitten ze met hun handen in elkaars haar, trappen ze, slaan ze, schelden ze, schreeuwen ze, gillen ze het uit. "The love impulse in men frequently reveals itself in terms of conflict", zegt Susan Vance (Katherine Hepburn) in Bringing up baby tegen de paleontoloog van haar dromen. Het is precies deze 'love impulse' die van elke echte screwballcomedy een romantische puinhoop maakt, zowel man als vrouw tot op het bot verterend. Agressie en liefde zijn twee kanten van dezelfde medaille, zo toont de screwballcomedy telkens weer - van de hoekse rechtse uit Nothing sacred (1937) tot de gefantaseerde crimes passionels uit Preston Sturges Unfaithfully yours (1948).
Het is dan ook de vraag hoe definitief de onvermijdelijke happy ends eigenlijk zijn. De eindcredits van The Palm Beach story (1942), eveneens van Sturges, maken die vraag zelfs expliciet, terwijl de camera achteruit pant bij het (driedubbele!) huwelijksaltaar: "And they lived happily ever after... Or did they?" Ook omdat deze screwballmannen en -vrouwen misschien niet zozeer elkaars ideaal zijn, als wel de enig mogelijke partij. Niemand anders zou het met hen uithouden. Kijk maar naar dan weer wel, dan weer niet en dan weer wel getrouwde journalistenpaar uit Howard Hawks His girl Friday (1940), of de theatermonsters uit het manische Twentieth century (1934), eveneens van Hawks: die twee zijn zo dolgedraaid, ijdel, theatraal en agressief dat ze elke andere man of vrouw met hun aanwezigheid zouden verpletteren. Elkaar klauwen ze zowat de ogen uit, maar ze doen hierin tenminste niet voor elkaar onder.

Levensecht
De lol die cast en crew tijdens het maken van de films hadden, spat in de beste screwballs van het scherm en draagt onherroepelijk bij aan hun realisme. Screwballcomedies zijn soms bijna documentaire verslagen van het plezier dat acteurs als Cary Grant, Katharine Hepburn, Carole Lombard en William Powell aan hun rol maar vooral ook aan elkaar beleefden. Misschien komen die karakters vaak in eerste instantie nogal karikaturaal over, maar de manier waarop ze kissebissen, met elkaar ontbijten, in een stoel zitten of zelfs in hun neus peuteren is vaak zo volkomen 'gewoon' en herkenbaar dat er van die karikaturale werking niets meer over blijft. De sterren krijgen alle kans om zichzelf te blijven. Of in elk geval wekken ze die indruk. Weinig filmgenres komen zo ontspannen over en daardoor zo levensecht als de klassieke screwballcomedy.
Zie het zalig gelukkig getrouwde detective-echtpaar Myrna Loy en William Powell in The thin man (1934). Hoe Irene Dunne in The awful truth moet lachen wanneer Cary Grant tijdens haar concert van zijn stoel valt. Of hoe Carole Lombard blij staat te springen in My man Godfrey omdat ze denkt dat butler William Powell eindelijk voor haar is gevallen. Allemaal niet gespeeld, zo lijkt het. Het is allemaal zo natuurlijk. Zo menselijk. En telkens weer wordt er niet weggeknipt: lappen dialogen ontspinnen zich in één take, wat het geheel allemaal nog veel tastbaarder maakt. De screwballcomedy is niet voor niets het enige klassieke genre waarin mensen herhaaldelijk door elkaar praten. Soms met z'n vijven tegelijk, en de hond blaft gezellig mee.
De echte screwballcomedy bestaat niet meer. Het genre werd in 1934 als drieling geboren met de release van It happened one night, Twentieth century en The thin man en hield op te bestaan met uitlopers als Unfaithfully yours en Howard Hawks' Monkey business (1952). De censuur had toen aan macht ingeboet, films hoefden niet meer dezelfde blaadjes voor de mond te nemen en daarmee verloor het genre zijn directe motivatie.
En dan de acteurs. Revivals als Peter Bogdanovich' What's up doc (1972), Danny Boyle's A life less ordinary (1997) en Joel & Ethan Coens Intolerable cruelty (2003) komen een heel eind, maar we hebben geen Cary Grant meer, geen Carole Lombard, geen William Powell of Claudette Colbert. Met hun glanzende charisma en hun perfecte balans tussen dictie en lichaamstaal, tussen acteren en 'er gewoon zijn' vormen deze acteurs en nog een handvol collega's het hart van het genre. Zullen de filmfreaks van de 22e eeuw dat straks ook beweren van Barbra Streisand, Ewan McGregor en George Clooney?
Ik betwijfel het. Het hart van de screwballcomedy laat zich nog maar op één manier reanimeren. Koop de dvd's, sluit u op en wordt verliefd. Misschien ook - of juist niet - op degene die naast u zit.

Kevin Toma

His girl Friday.


The awful truth (McCarey, 1937): uitgebracht door Columbia
Ball of fire (Hawks, 1942): Samuel Goldwyn Home Entertainment (import, regio 1)
Bringing up baby (Hawks, 1938): Warner (import, regio 1)
His girl Friday (Hawks, 1940): Columbia (import)
It happened one night (Capra, 1934): Columbia
The lady Eve (Sturges, 1941): Criterion (import)
Libeled lady (Conway, 1936): Warner (import, regio 1)
Monkey business (Hawks, 1952): 20th Century Fox
Mr. and Mrs. Smith (Hitchcock, 1941): Editions Montparnasse (import)
My favourite wife (Kanin, 1940): Warner (import, regio 1)
My man Godfrey (La Cava, 1936): Criterion (import)
Nothing sacred (Wellman, 1937): Hollywood Classics (import)
The Palm Beach story (Sturges, 1942): Universal (import, regio 1)
The thin man (W.S. van Dyke, 1934): Warner (import, regio 1)
Twentieth century (Hawks, 1934): Columbia (import, regio 1)
Unfaithfully yours (Sturges, 1948): Second Sight (import)

Naar boven