Juli/augustus 2005, nr 268

De stem van een ster

Luisteren naar Jeanne Moreau

Elke dag naar een film met Jeanne Moreau, dat kan deze zomer in het Filmmuseum. Elke dag kijken naar haar wenkbrauwen die als vraagtekens in haar gezicht staan, het puntje van haar neus, dat opspringt als een uitroepteken, en even dralen bij haar mondhoeken, die in elke zin een komma vormen. Kijken naar Jeanne Moreau is vooral luisteren naar Jeanne Moreau. Ook als ze niets zegt.

Ascenseur pour l'echafaud.

Les liaisons dangereuses.

Ascenseur pour l'echafaud begint fluisterend:

"Ik kan het niet meer aan.
Ik hou van je.
Ik hou van je.
We moeten het doen.
Ik hou van je.
Ik zal je niet verlaten."

Ascenseur pour l'echafaud begint stamelend. Na elke zin een pauze. Tussen elke twee woorden een eeuwigheid van onuitgesproken zinnen. We luisteren naar een gesprek dat al zo vaak gevoerd is, terwijl het gezicht van Jeanne Moreau (1928) closer dan in close-up langs de toeschouwer en haar onzichtbare gesprekspartner heen staart. Ze spreekt, maar zwijgt vooral. Alsof ze naar de echo van haar eigen woorden luistert. "Ik hou van je." Zijn dat nog wel woorden van liefde, of zijn ze een dwingend mantra, steeds herhaald om het zinloze bestaan van een laatste restje betekenis te voorzien?
"Ik kan het niet meer aan." Met die woorden van Louis Malle kwam, zag en overwon Jeanne Moreau in 1958 de internationale filmwereld. Ze was toen al dertig jaar en had, op een paar kleine filmrollen na, vooral haar sporen verdiend in het theater. Als twintigjarige debutante was zij destijds de jongste actrice die ooit een engagement bij de Comédie Française had gekregen. Die twee dingen bleken tevens bepalend voor haar filmcarrière, die haar tot een van de grootste sterren van de Europese cinema zou maken: het feit dat de filmkijker haar nooit echt als jong meisje had leren kennen en haar theaterscholing.

Vergrootglas
Filmacteurs kennen we van het witte doek. En we kennen ze beter dan zij zichzelf kennen. Geen porie, geen plooitje, geen terloopse blik of stiekeme gedachte blijft onopgemerkt door het vergrootglas van de filmcamera. Filmsterren die we ook in het theater kunnen zien, doorbreken die magie. Opeens is het niet meer die geheimzinnige alliantie tussen licht, gezicht en lens die de toeschouwer moet overtuigen, maar de fysieke aanwezigheid van lichaam en ruimte.
Niet voor niets denkt iedereen die een filmster in het echt ziet: wat is hij/zij klein! Niet omdat ze echt kleiner zijn dan wij, maar omdat we ze alleen levensgroot kennen. Groter nog. Filmsterren zijn in onze ogen groter nog dan goden. Titanen!
En toch is hun geheim vaak iets menselijks: een moedervlek, een loopje, de manier waarop iemand een theekopje oppakt.
Bij veel klassieke acteurs en sterren, en zeker zij die in het theater hun vak hebben geperfectioneerd, is het hun stem die ertoe doet. Ook bij Jeanne Moreau. Als ik mijn ogen dichtdoe en aan Jeanne Moreau denk, zie ik niet als eerste haar wenkbrauwen die als vraagtekens in haar gezicht staan, het puntje van haar neus dat opspringt als een uitroepteken, of haar mondhoeken die in elke zin een komma vormen. Als ik mijn ogen dicht doe en aan Jeanne Moreau denk hoor ik haar stem. In het bijzonder hoe ik haar stem vanaf het schellinkje hoorde toen zij een jaar of tien geleden optrad in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Helemaal daarboven, in het 'paradijs' van het theater klonk haar stem als een engel.
Alleen maar door te luisteren naar dat karakteristieke doorrookte stemgeluid materialiseerde zich in de verte vanzelf een lichaam op het toneel.
Het deed me denken aan een verhaal wat ik eens hoorde over een klein meisje dat door haar ouders in Parijs werd meegenomen naar het theater en na afloop werd gevraagd wat zij het mooiste had gevonden. "Dat jonge meisje", had zij toen gezegd. En haar ouders waren verbaasd geweest, want er had helemaal geen jong meisje in de voorstelling meegespeeld. Maar het bleek dat zij een actrice op leeftijd bedoelde, die zo licht, onbevangen en open op het toneel stond, dat zij in de ogen van het kind vanzelf ook een kind was geworden.
Luisterend naar Jeanne Moreau zou je op dezelfde manier op die vraag kunnen antwoorden: die verlegen jonge vrouw, die net doet alsof ze zo cynisch en wereldwijs is. Die sigaret na sigaret rookt om zich een houding te geven in een wereld waarvan zij zich fundamenteel vervreemd voelt. Die slaapwandelt, omdat alleen al de aanblik van de wereld haar uitput - zeker in de films die ze na Louis Malle met François Truffaut, Margerite Duras (letterlijk alleen maar als stem in India song), Luis Buñuel en vooral Michelangelo Antonioni (La notte) maakte. Ze lijkt, hoe jong ze als dertig- tot zeventigjarige ook blijft, verbitterd, maar is alleen maar bang en kijkt daarom boos. En nee, ze is zeker niet van plan om zich aan de hypocriete mores van dat stervende continent dat ze bewandelt aan te passen.

Eva.

La notte.

Telefoon
Twee jaar na Ascenseur pour l'echafaud maakte Jeanne Moreau met Roger Vadim Les liaisons dangereuses, een zeer contemporaine adaptatie van de brievenroman van Choderlos de Laclos. Was ze twee jaar daarvoor nog een relatief oude debutante, voor de rol van seksueel corrumperende Madame de Mertueil (in deze film als diplomatenvrouw alvast getrouwd met Valmont) is zij eigenlijk nog te jong, wat haar vanaf dat moment voor de filmgeschiedenis meteen gezegend leeftijdsloos maakt. Vanaf haar dertigste draagt Jeanne Moreau het masker van het abendländische Europa.
Anders dan in Ascenseur horen we Moreau in Les liaisons dangereuses voordat we haar zien. Iedereen heeft het al over haar gehad, alle gasten op het feestje waar de film mee begint: insinuerend, kwaadsprekend, verontwaardigd. En dan horen we haar lachen. Dat is geen klaterlach en geen schaterlach, maar wel een lach die bedoeld is om gehoord te worden: ik lach. Daarna trekt ze aan haar sigaret, het onvermijdelijke attribuut van de vrijgevochten vrouw uit de jaren zestig.
Luisteren naar Jeanne Moreau is ook kijken naar hoe zij naar anderen luistert. In Les liaisons heeft de telefoon grotendeels de functie van de complotterende brieven in het verhaal overgenomen. Staccato gesprekken waarbij de toeschouwer de andere kant van de conversatie zelf maar moet invullen. Onschuldige woorden krijgen zo een beladen betekenis. Het gaat om waarover bijna niet meer gesproken wordt. De taal is failliet.
Niet voor niets lieten zowel Malle als Vadim de stemmen van hun personages in beide films vertolken door muziekinstrumenten: de melancholische trompet van Miles Davis en de versluierende pianomelodieën van Thelonious Monk, waarbij de melodie tussen de tonen doorklinkt.
Daarna zwijgt Moreau, in de mooiste film die zij ooit maakte: La notte (1960) met Michelangelo Antonioni. Dan moeten we luisteren naar haar mimiek: als ze haar hoofd afwendt, en haar mondhoeken naar beneden buigt, bang voor de gedachten die aan haar toegeknepen lippen kunnen ontsnappen. Gedachten die zuchten en pijn doen. En in je hoofd blijven naklinken.
De weerklank van de openings- en slotwoorden van Ascenseur pour l'echafaud zal blijven doorklinken in alle films die ze daarna nog zal maken.

"Tien jaar.
Twintig jaar.
Geen leeftijden meer.
Geen dagen meer.
Ik ga slapen.
Ik word wakker.
Alleen.
Tien jaar.
Twintig jaar.
Geen medelijden.
Ik heb geen medelijden.
Maar ik weet dat ik van je hield.
Ik deed het voor jou.
Ik zal snel oud zijn.
Dan zijn we samen.
Daar.
Ergens.
Samen.
Ze kunnen ons niet scheiden."

Dana Linssen

Jeanne Moreau staat centraal in het zomerprogramma van het Filmmuseum van 14 juli tot en met 31 augustus. Ascenseur pour l'echafaud draait vanaf 7 juli in de filmtheaters. Voor meer informatie www.filmmuseum.nl

Naar boven