Thuiskijken - april 2005, nr 276

Een selectie uit de videotheek van nieuwe, interessante en curieuze films die niet in de bioscoop zijn uitgebracht. En films opnieuw uitgebracht op dvd.


Shaw Brothers

Zensatie

De legendarische Shaw broeders uit Hongkong maakten in hun lange carrières een kleine 1000 films. Tien daarvan zijn nu gerestaureerd op dvd uitgebracht in een sensationele serie.

The 36th chamber of Shaolin.

'De grootste cine-archeologische opgraving aller tijden', zo omschreef Film Comment de monsteroperatie waarop multimediabedrijf Celestial Pictures zich in 2002 stortte: het restaureren van bijna de complete Shaw Brothers-catalogus. 760 van de kleine 1000 films (!) die de broeders vanaf de jaren vijftig afleverden worden compleet hersteld. Wat voorheen slechts mondjesmaat bekend was van vooral vuistdikke en vergeelde videobanden ziet er nu oogverblindend uit. Alsof ze gisteren zijn geproduceerd, zo verbluffend fonkelen de zwaarden, vuisten en ontblote monniklichamen je tegemoet.
Distributeur Dutch FilmWorks selecteerde tien titels uit het monsterproject, en legde de nadruk op martial arts-films. Logisch: de Shaw's staan synoniem voor kung fu en wuxia (zwaardvecht-films). Minder bekend zijn hun talloze en in Azië zeer geliefde melodrama's, musicals, komedies en erotische films. Op de fundamenten van een paar bioscoopzaaltjes bouwden Run-Run, Runje en Runme Shaw een ongekende filmmoloch, die op zijn hoogtepunt in de jaren zeventig 25 tot 40 films per jaar produceerde. Hun eigen filmstudio bevatte niet alleen 5000 jaar nagebouwde Chinese geschiedenis maar ook slaapzalen voor het personeel, dat op het terrein moest wonen.

Champagne
Nu zijn een paar hoogtepunten uit dat reusachtige erfgoed dus te zien zoals ze er dertig, veertig jaar geleden uitzagen. De bekendste van de films is de klassieker Come drink with me (1966) van King Hu, de grootste regisseur van wuxia films (A touch of zen, Dragon gate inn). Zijn gracieuze zwaardvechtfilms bruisen als champagne en schakelen moeiteloos tussen intieme vriendschap- en liefdesscènes en vorstelijk groot gechoreografeerde vechtpartijen. Hu's helden - vaak vrouwen, zoals Cheng Pei Pei in Come drink with me - bewegen lichtvoetig als balletdansers, maar zijn dodelijk en gedreven als 'terminators': een enkele handbeweging schakelt met het grootste gemak vier tegenstanders uit, en bloedig ook. En dat alles verpakt in King Hu's betoverende camerawerk, dat grif gebruik maakt van de overweldigende kleuren van het Chinese landschap, van bamboegroen tot woestijngeel, en van overdadige studiobelichting.
Shaw's kung fu-films, die het merendeel van deze serie beslaan, zijn van een heel ander karakter: aardser, minder sprookjesachtig. Geen nachtelijke confrontaties in de maneschijn, maar eerlijke man-tot-man gevechten, open en bloot in het harde Chinese daglicht. Ritmisch en razendsnel tikken, meppen en beuken vuist op vuist en voet op voet en scheen op scheen. In tijgerstijl, dat boomstammen doet versplinteren, of in kraanvogelstijl, waarbij drie samengebalde vingers genoeg zijn om een tegenstander voorgoed het zwijgen op de leggen. Kung fu, dat is niet alleen slaan en schoppen, maar stoten, springen, vliegen, smijten, draaien, duiken: dansen.
De twee beste kung fu-films uit de serie spelen zich af in de roemrijke Shaolin-tempel: The 36th chamber of Shaolin (1978) van Chai Liang en Shaolin temple (1976) van Chang Cheh. Twee sensationele, opwindende hoogtepunten van de martial arts-film van twee grootmeesters die het genre hebben gedefinieerd. In beide films staat de training centraal. In Shaolin temple moeten de nieuwe leerlingen tot hun verbijstering beginnen met stom en saai werk in de keuken. Maar het jarenlang roeren van de rijstepap leidt mooi wel tot onbedwingbaar sterke armen en grote behendigheid met de levensgevaarlijk zwiepende shaolin-stok. In The 36th chamber wordt voor het eerst een niet-monnik getraind. Deze San Te wordt vertolkt door Gordon Liu, die recent nog te zien was als Uma Thurmans leermeester in
Kill Bill, te herkennen aan die nog altijd vurig priemende ogen.
Dertig jaar later brandt het vuur nog even hoog. Deze prachtige, zacht geprijsde serie maakt het werk van de Shaw-broers toegankelijk voor een nieuw publiek. Zodat de filmkijker die dacht dat zwaardvechtfilms begonnen bij Crouching tiger, hidden dragon en Hero niet alleen met eigen ogen kan ontdekken waar de mosterd is uitgevonden, maar ook hoe verrukkelijk deze nog smaakt.

Rik Herder
Te koop op dvd (Dutch FilmWorks)


Sam Peckinpah

De eeuwige prairievelden

Vier films van meesterregisseur Sam Peckinpah zijn uitgebracht op dvd, compromisloze, weemoedige westerns, prachtig gerestaureerd en voorzien van waardevolle extra's.

The ballad of Cable Hogue.

Laat ik maar meteen ter zake komen: deze vier titels zijn een godsgeschenk voor de aficionado's van Sam Peckinpah (1925-1984), ook vaak liefkozend 'Bloody Sam' genoemd door de fans van zijn compromisloze cinema. Ride the high country (1962), The wild bunch (1969), The ballad of Cable Hogue (1970) en Pat Garrett & Billy the Kid (1973) zijn uitstekend overgezet in het originele beeldformaat, waardoor de uitgekiende kadreringen en het licht- en schaduwspel van cameratovenaars Lucien Ballard en John Coquillon volledig tot hun recht komen. Zeker zo interessant - en dit geldt ook voor de niet in Peckinpah ingewijde kijkers - zijn de grote hoeveelheden bonusmateriaal.
Zo kent de dvd van Ride the high country, nog steeds de meest onderschatte western in 's mans oeuvre, de documentaire A justified life, waarin de wortels van de familie Peckinpah (echte cowboys, ware pioniers) uit de doeken worden gedaan. Peckinpahs films gaan vaak over mannen die zich niet meer in hun tijd thuis voelen en bewust regelrecht op hun naderende noodlot afstevenen; er valt een duidelijke parallel te trekken tussen die visie en de gebeurtenissen in Peckinpahs familie, zijn eigen getormenteerde bestaan en zijn rol als buitenbeentje in Hollywood. Waarschijnlijk durfde niemand anders zo ver te gaan in het provoceren van studiobazen dan Peckinpah - het was voor hem zelfs een must om de sfeer op een set zo gespannen en vijandig te maken, dat de zweterige intensiteit vanzelf op zijn negatieven werd gebrand. Dat gold zeker voor zijn meesterwerk The wild bunch, dat hier wordt voorzien van verhelderend audiocommentaar door Peckinpah-kenners als David Weddle (wiens biografie 'If they move... kill 'em!' verplicht leesvoer is) en maar liefst drie docu's. Het carrièreoverzicht in de vorm van Legacy of a Hollywood renegade is om van te smullen, het bezoek aan de nu vervallen sets in de Mexicaanse woestijn ademen zware nostalgie.

Lofzang
Peckinpah noemde The ballad of Cable Hogue, een weemoedige western met een hartverwarmende hoofdrol van Jason Robards, zijn beste film. Daar valt over te twijfelen, maar de film oogt na alle jaren melancholischer dan ooit, vooral als men zich beseft hoeveel vrijheid Peckinpah en andere Amerikaanse filmmakers zich destijds nog konden veroorloven. De filmmaker verklaarde de oorlog aan geldschieter MGM tijdens de draaiperiode van het fantastische Pat Garett & Billy the Kid, een nog steeds zeer tot de verbeelding sprekende lofzang op het Oude Wilde Westen en een intelligente verhandeling over schuld, boete en de schaduw van de vooruitgang. Van de twee sterren uit die film heeft James Coburn intussen Peckinpah naar de eeuwige prairievelden gevolgd, maar gelukkig is er nog wel de markante Kris Kristofferson, die in de docu One foot in the groove een fraaie ballade voor zijn ouwe drinkebroer ten gehore brengt. Als Warner dezelfde dvd-behandeling aan Peckinpah-films als The getaway, Cross of iron en het grenzeloos onderschatte Junior Bonner kan geven, hoort u mij de komende decennia niet meer piepen. En doet u er dan meteen maar die prachtige documentaire Sam Peckinpah: Man of iron bij, alstublieft, dank u wel.

Mike Lebbing
Te koop op dvd (Warner Home Video)


De Grabbelton

In deze nieuwe rubriek gaat de Grabbelman elke maand op pad om in de vergaarbakken van warenhuizen en speciaalzaken te graaien, op zoek naar pareltjes en/of curiosa uit de filmgeschiedenis. Er is slechts één voorwaarde: de aankoop mag niet meer dan 7 euro 50 bedragen. Het is tenslotte uitverkoop in dvd-land. Deze maand: families en terreur, van klein naar groot.

The invisible man.

'NRA - we do our part'. Hoogst interessante opening van The invisible man, het logo van deze geweerliefhebbers, maar logisch ook, die NRA-club zag in de onzichtbare man natuurlijk een geheim wapen, een tegenterrorist. En de film van James Whale uit 1933 (6 euro, Free Record Shop) geeft daar ook alle reden voor. De onzichtbare man - met een weergaloze stem ingesproken door Claude Raynes, vooral bekend als opdringerige liefde van Ingrid Bergman in Hitchcocks Notorious (nog niet grabbelend te vinden) - leidt aan grootheidswaanzin. Er wordt gesuggereerd dat het door de drugs kwam die hij als wetenschapper tot zich nam, daarvoor was hij héél anders, maar dat zien we nooit. Nee, deze Osama laat treinen ontsporen, berooft banken, wurgt politieagenten bij bosjes en gedraagt zich als een man die alle macht van de wereld heeft. Wie kan mij iets maken? Enne: Wie kan mij vinden? Hij had een superheld kunnen zijn, maar werd een superschurk. Geen zin in verantwoordelijkheden.
Dan doet de Onzichtbare vrouw het toch heel anders. Maar zij bezit dan ook een familie, dat geeft verantwoordelijkheden. In het begin van The ice storm (5 euro, Blokker) van Ang Lee, die ook Hulk regisseerde, leest Spiderman - ik bedoel Tobey Maguire - een comic over de Fantastic Four, de familie van de Onzichtbare vrouw. De comic gaat over de problemen die de familie ondervindt wanneer zij in de Negatieve Zone terechtkomen, waar anti-materie heerst en hun gaven niet langer bruikbaar zijn. Zoiets overkomt ook de familie Hood in The ice storm, elk lid van de familie verliest de gave om de boel bij elkaar te houden. In prachtige scènes schetst Lee de neergang van adolescent gedrag, om zo rustig schrijvend een hoofdstuk toe te voegen aan het handboek van Robert Altman. Die met Gosford Park (7 euro, Free Record Shop) als appendix 'Spiegeling en hoe er mee om te gaan' in een mozaïekfilm toevoegde. Twee families, twee werelden. Bovenwereld en onderwereld, wit en zwart, de gasten en de bedienden. Stelselmatig en consequent van elkaar gescheiden, behalve als ze plichtmatig met elkaar om moeten gaan. Maar wat een overeenkomsten in gedrag. Plaats van handeling: een diner.
Ook in Conspiracy (6 euro, Fame) wordt er gegeten. En ook die dinergasten moeten plichtmatig met elkaar omgaan. Maar hier gaat het niet om een moord, maar om massa. De film van Frank Pierson duurt negentig minuten, net zolang als de Wannsee -conferentie uit 1942, de eindbijeenkomst van de nazi's, waar ze voor eens en voor altijd besloten om één oudtestamentische familie volledig uit te roeien. Voor een ieder die de banaliteit van het kwaad eens recht in zijn smoelwerk wil kijken, beluister Kenneth Branagh als Reinhard Heydrich in deze film. Of beter nog: Stanley Tucci als Adolf Eichmann, die een simpel rekensommetje uitvoert wanneer hij spreekt over de mogelijkheden van Auschwitz: 2500 joden per uur. Dat is 60.000 per dag. Dat is 21,9 miljoen joden per jaar, 'if ever there were that many'.

Mike Naafs


Stereo en Crimes of the future
David Cronenberg
Slechts één ster ('zwak') deelt de SpeelFilmEncyclopedie uit aan Stereo en Crimes of the future, de eerste twee films van David Cronenberg. Te traag, te experimenteel, te avant-garde, oordeelde men streng. We hebben hier inderdaad te maken met vreemde, zeer vreemde films, die maar weinigen zullen bekoren maar hoe dan ook uniek zijn. Stereo kun je volgens Cronenberg zien als prototype voor Scanners (de film met de exploderende hoofden), en ook Crimes of the future bevat al wat bekende Cronenberg-obsessies: lichamen die spontaan vergroeien door uit de hand gelopen wetenschappelijke experimenten. In Stereo (1969) worden acht personen onderworpen aan een hersenoperatie waarna ze telepathische vermogens ontwikkelen. Althans, dit zien we niet, maar dit horen we van een voice-over, die op een gevoelloze toon mededeelt hoe dit experiment is verlopen, alsof hij een wetenschappelijke instructiefilm inspreekt. Niet zelden heeft hij het over 'psychosomatische entiteiten' in een 'empirisch ruimte-continuüm'. De personages, als je daar al van kunt spreken, lopen rond in een geluidloze, zwart-witte wereld, vol betonnen gebouwen en lange gangen, waarin ze zonder met elkaar te spreken ronddwalen (om kosten te besparen heeft Cronenberg namelijk geen synchroon geluid gebruikt). Stereo speurt rond in het grensgebied van het zintuiglijke en het niet-zintuiglijke, het concrete en het abstracte, het fysieke en het psychische, grote woorden die allengs vervagen omdat je langzaam in trance wordt gebracht.
Crimes of the future (1970) is niet wezenlijk anders. Mannen in witte jassen met gelakte nagels dolen rond in het House of Skin, een voormalige kliniek voor rijkelui die een mislukte cosmetische operatie hebben ondergaan. Dankzij een gestoorde dermatoloog stroomt er nu een witte, bruisende vloeistof uit verschillende lichaamsdelen van de patiënten, krijgen vrouwen vreemde bloedingen en groeien er spontaan organen zonder functie aan, of verschijnen er plots zwemvliezen tussen de tenen. Verwacht geen bloederige taferelen, maar een klinische weergave van de feiten, net als in Stereo uitgesproken door eenzelfde soort monotone voice-over, met ongemakkelijk geknars op de geluidsband. Beide compromisloze films zijn uiterst statisch en strak geometrisch vormgegeven, wat ze nog wereldvreemder maakt. Later zou Cronenberg iets publieksgerichtere films gaan maken. Zijn eerste twee schepsels hebben dan wel dezelfde genen als zijn latere werk, maar ze zijn nog wat in zichzelf gekeerd.
Mariska Graveland
Te koop op dvd (Filmfreak)

Crimes of the future.

David Cronenberg rond 1970.


Eenoog koning
Nederlandse kortfilmers
'Eenoog koning' heet de verzamel-dvd van de Filmbank, voorvechter van de Nederlandse vrijgevochten film. Zo'n eenoog (de camera) leert ons met zijn experimenten beter kijken, of maakt de dingen zichtbaar zoals ze werkelijk (óók) (nooit) (hadden kunnen) zijn. In Mexico City stuit de camera op een in zijn eigen gat gedoken man die tandenstokers zoekt (Cheap ludes van Jeroen Mol en John Doornik), terwijl een dronkemansdans van enkele jongeren een agressief gevecht lijkt (Dick Tuinders' Rimbaud in Amsterdam). Of misschien is het ook andersom. Gerard Holthuis, ook een van de zeventien discipelen van Eenoog die op de dvd vertegenwoordigd zijn, raast én reflecteert in het vierde deel van zijn Careless reef-serie, Marsa Abu Galawa. Met voortjakkerende Arabische muziek in je oren plons je onder water en verdrink je bijna in alle kleuren en vormen die het rif van de Rode Zee te bieden heeft - om pas na een minuut of tien weer in alle rust rond te kunnen dobberen, zonder te knipperen en ademtochten over te slaan. Rode visjes, blauwe visjes, geelblauwe visjes, schildpadden en sidderroggen, planten en koraal, alles versnippert tot confetti en spetters; maar elk stroboscopisch of kubistisch effect benadrukt alleen maar het wonder dat in die zee ook zonder camera en computer aanwezig is. 5AM van Michiel van Bakel laat met 32 videocamera's zelfs een politiepaard in draf zweven: hij cirkelt om dat paard heen in 'plakjes beweging en bevroren tijd' om slechts aan te tonen dát er een moment is waarop zo'n paard daadwerkelijk met alle benen van de grond komt. Martha Colburn plakt dan liever foto's uit magazines en reclames aan elkaar om van haar collage xxx Amsterdam een even hyperventilerend als authentiek portret van de hoofdstad te maken. Allemaal filmpjes zo inventief, fris en fantasievol dat je ze het liefst direct aan de hele wereld zou willen laten zien: hoe meer kijkers, hoe minder blinden.
Kevin Toma
Te koop op dvd (De Filmfreak)


Walk on water
Eytan Fox
Ik vermoed dat Martin Amis, stabiel en aimabel Brits auteur van 'The war against cliché', onmiddellijk een totale zenuwinzinking zou krijgen van Walk on water. Onterecht, en ik zal uitleggen waarom. Op het eerste gezicht drijft de film op (arthouse)clichés. Toch blijft Walk on water boeien en het is interessant om te kijken waarom. Eerst het verhaal: een getroebleerde agent van de Israëlische geheime dienst, Eyal, moet een Duitse broer en zus bespioneren omdat de naar Zuid-Amerika gevluchte geriatrische familie-nazi misschien het verjaardagsfeest van papa bezoekt. Als dat het geval is, moet de agent de ouwe rotzak omleggen. Zus Pia leeft in een kibboets en broer Axel - vrijgevochten, Duits en homo - komt op bezoek en leert de stoere Eyal, die zich uitgeeft voor gids, dat het leven ook mooi kan zijn (Eyal zit in een dip. Zijn vrouw pleegde recentelijk zelfmoord omdat hij 'alles om zich heen dood maakt'.) De climax vindt plaats op het verjaardagsfeest in de Duitse villa van papa en mama.
Het is makkelijk om hier cynisch over te doen - ik heb het nog niet eens over de Israëlische volksdansjes, homo-erotische avances en politieke discussies over de bezetting - maar ondanks alle clichés is Walk on water een tamelijk intrigerende film. Eyals wantrouwen en de, wat anderen noemen, 'matter-of-factness' van de gesprekken tussen de twee mannen, overstemmen de schreeuwende boodschap van de film. En misschien is het de onvermijdelijkheid van deze thema's in een Israëlische film die maakt dat we ze kunnen wegslikken. Ik weet het niet zeker.
Eytan Fox houdt wel van een potje roeren in maatschappelijke controverses. In zijn vorige film Yossi & Jagger was het homoseksualiteit in het Israëlische leger - ook geen Oscar voor Beste Film - en nu dus de boodschap dat een nieuwe generatie Israël een minder bloeddorstige toekomst moet brengen. Allemaal net zo verantwoord als de extra wieltjes aan een kinderfietsje maar toch de moeite van het kijken waard.
Ronald Rovers
Te koop op dvd (Movie Affairs)

Walk on water.


God told me to en Venom
Larry Cohen en Piers Haggard
Het Amerikaanse label Blue Underground is een goudmijn voor liefhebbers van de 'grind house', een verzamelnaam die verwijst naar actie-, thriller- en horrorfilms uit de jaren zeventig en tachtig die in Amerika en in mindere mate in Europa in aftandse bioscopen draaiden. 'Grind house' is inmiddels bijna een genre op zich geworden, vooral doordat Quentin Tarantino er in zijn Kill Bill-films veelvuldig naar verwijst, in bijvoorbeeld zijn ode aan de oude kung fu-films van de Shaw Brothers. Hoe rijk het genre is, zal verder blijken wanneer de gelijknamige film die Tarantino momenteel draait (samen met Robert Rodriguez) later dit jaar in roulatie gaat. Wie zich hierop wil voorbereiden, kan zich wenden tot Blue Underground. Deze uitstekende distributeur heeft recent twee oude favorieten uit zijn bibliotheek opnieuw in een bundel uitgebracht: Venom (1981) van Piers Haggard en God told me to (kill) (1975) van Larry Cohen. Beide films illustreren de magie van het genre, namelijk hoe een werk dat verhaaltechnisch van geen kant klopt toch cinematografisch adembenemend kan zijn. Venom draait om het kidnappen van een rijkeluis zoontje in Londen. De kidnappers zijn Klaus Kinski, die waanzinnig kijkt, Oliver Reed, die onnavolgbaar tegen het jochie sist 'You're a cheeky little bastard, aren't you?', en Susan George. Zij vertoont eerst haar strakke, in lingerie gehulde lichaam aan een kwijlende Reed alvorens op verschrikkelijke wijze te worden gedood door een levensgevaarlijke slang.
Ook in God told me to is verhaallogica ver te zoeken. In deze sfeervolle, angstwekkende film speelt Tony lo Bianco een New Yorkse rechercheur die kapot gaat aan klassieke katholieke schuldgevoelens. Verder zijn er: adembenemende scènes waarin aliens vrouwen bevruchten; een sluipmoordenaar die vanaf een wolkenkrabber in Manhattan willekeurige voetgangers doodschiet; en Andy Kaufman (Latka uit de sitcom 'Taxi') als politieagent die tijdens een parade in het wilde weg begint te schieten. Het plezier van Venom en God told me to wordt nog aangevuld door de sublieme technische specificaties waar Blue Underground om bekend staat. Beide films hebben vlekkeloze, anamorfe transfers en voor het geluid is er de keuze tussen Dolby Digital 5.1 Surround EX en DTS-ES 6.1.
Gawie Keyser
Te koop op dvd (import, Blue Underground)


Ook op dvd:

Exorcist: van Beginning tot Dominion
Het gebeurt niet vaak dat twee regisseurs met uiteenlopende stijlen hetzelfde script verfilmen. Eindelijk is nu Paul Schraders eerder afgekeurde versie van de prequel tot The exorcist (William Friedkin, 1973) uitgebracht. Dit biedt de unieke kans om zijn versie met
Exorcist: the beginning (2004) van Renny Harlin te vergelijken. In grote lijnen is het verhaal gelijk: priester Merrin is getraumatiseerd doordat de nazi's hem tien mensen lieten kiezen die voor zijn ogen gedood werden, als represaille voor de moord op een soldaat. Van zijn geloof gevallen stort hij zich als archeoloog op het opgraven van een christelijke kerk uit de vijfde eeuw, verborgen in Oost-Afrika. Daar komt hij oog in oog te staan met Het Kwaad.
Schrader, schrijver van Taxi driver (Scorsese, 1976) en regisseur van American gigolo (1980), heeft een psychologische film gemaakt. Hij legt de nadruk op het schuldgevoel van Merrin en zijn reis terug tot het geloof. Schrader begint dan ook bij het voorval in WOII dat Merrins leven verandert. Harlin kiest ervoor deze gebeurtenis in stukken door de film te weven. Het verschil is dat je bij Schrader weet dat alles wat Merrin doet voortkomt uit dit voorval. Bij Harlin is de onthulling het laatste stukje expositie dat moet worden afgehandeld voordat de actie de film volledig overneemt. In Dominion is de horror incidenteel aanwezig. Schrader bedient zich van korte schrikmomenten en bouwt spanning op door middel van intercutting, door tussen de scènes te schakelen. Wanneer hij gebruik maakt van digitale effecten, worden de grenzen van het beperkte budget pijnlijk duidelijk. De digitale hyena's overtuigen niet.
Daar heeft Harlins versie veel minder last van. Harlin gebruikt meer standaard Hollywood horrortrucjes en leunt zwaar op effecten. Hij doet dit heel doeltreffend en in een hoog tempo, al is het allemaal wat voorspelbaar. Zijn stijl is minder fijnzinnig en in alles overdadiger. Dit maakt de eerste scène al duidelijk: een vliegend shot over een slagveld na een heilige oorlog, waar honderden mensen omgekeerd gekruisigd zijn. Een interessant verschil is dat bij Schrader de Duivel veel verleidelijker wordt voorgesteld: hij biedt Merrin de kans om zijn geschiedenis te herschrijven. Daarentegen lijkt Harlins versie meer op het origineel, zeker wat de uitdrijving van de Duivel betreft. In het laatste shot loopt Merrin richting het Vaticaan. Hij lijkt met zijn zwarte jas, hoedje en koffertje precies op de oudere versie uit de oorspronkelijke Exorcist.
Bij Harlin is er sprake van een onemanshow: Merrin staat centraal in beide films, maar in The beginning zijn de overige personages meer bijfiguren. De jonge priester Francis is voornamelijk kanonnenvlees terwijl hij in Schraders versie uiteindelijk de man is die Merrin dwingt om het exorcisme uit te voeren. Een leuk detail is dat een deel van de cast in beide films hetzelfde is. Merrin wordt vertolkt door Stellan Skarsgård en ook Antonie Kamerling speelt in beide versies de nazi Kessel (al zet hij zijn Duits accent bij Harlin dikker aan). Het zou te makkelijk zijn Harlins versie volledig af te wijzen, want voor beide interpretaties valt een lans te breken. Wie wil griezelen kan bij Harlin terecht, wie meer subtiliteit en diepgang wil moet bij Schrader zijn. Overigens overtreft geen van de films het ijzersterke origineel.

Michael Minneboo
Te koop op dvd (Dutch FilmWorks)

Naar boven