Oktober 2006, nr 281

György Pálfi

Hangend aan vleeshaken

Taxidermie, het opzetten van dieren, lijkt geen logisch onderwerp voor een film. Maar met hukkle bewees György Pálfi al geen gewone filmmaker te zijn. Met taxidermia blijkt hij meer dan een opgezette eendagsvlieg. Een wat filosofisch getint groepsgesprek met een van de meest veelbelovende regisseurs van Hongarije.

György Pálfi

Hoe kwam je in godsnaam op het idee een film te maken over een taxidermist?
Het is een lang verhaal, dat begint op de filmacademie. Daar gaf een leraar de opdracht een film te maken over de vraag: waar kom je vandaan? Daar heb ik lang over nagedacht. Mijn familie leek mij niet zo'n interessant onderwerp voor het publiek. Wat is er nou interessant aan mijn eigen leven? Niets. Hoe kan ik dan een film maken over wie ik ben? De oplossing vond ik in een andere vraag: Wat is belangrijk voor mij? Wat is belangrijk in het leven? Antwoorden op die vraag probeerde ik te vinden bij hedendaagse kunstenaars. De schrijvers, de beeldhouwers en de schilders, waar zijn zij momenteel mee bezig? Wat is belangrijk voor hen? Als derde wilde ik een film maken zonder taboes.

U heeft met deze film een taboe willen doorbreken?
Ik wilde de vormtaal gebruiken uit de periferie van de filmwereld, uit porno- en horrorfilms. Dit is een film over het leven zelf. In het leven is het belangrijk, voor mij, om samen met een vrouw te zijn. Om de liefde te bedrijven. Dus dat moest ik kunnen laten zien. Maar ik gebruik mijn penis ook als ik naar de wc ga. Ook dat moest in de film zitten, omdat ik denk dat de mens niet alleen een spiritueel, maar ook een biologisch wezen is.

Eerst het lichaam en dan de geest?
Ja, dat denk ik wel. Ik geloof in de evolutietheorie van Darwin. In den beginne was daar het lichaam. Maar ik ben ook geïnteresseerd in het verschil tussen mens en dier.

Is er een verschil? In het eerste verhaal, dat zich afspeelt in het interbellum, zien we een man die neukt met een varken. Daarna komt de communistische tijd aan bod met een verhaal over een man die eet als een varken. En tot slot belanden we in het heden met een man die zichzelf aan vleeshaken ophangt als een varken. In deze film lijkt u de mens toch vooral als dier te portretteren.
Nee, dat vind ik niet. De hoofdpersoon, de taxidermist uit het derde verhaal, kent veel emoties. Hij kent de liefde. Hij wil carrière maken, gelukkig zijn. Maar het meest belangrijke: hij heeft een verleden. Dat geeft hem een identiteit. Hij herinnert zich zijn vader, en zijn grootvader. Dat maakt hem een mens. Dieren kunnen dat niet. Of als ze toch herinneringen mochten hebben, kunnen ze die niet communiceren. Alleen de mens kan dat. En dat leidt tot de belangrijkste vraag in de film: wie zijn wij?

Wie zijn wij? Oftewel; Wie is de mens? In de film zien we drie generaties voorbij trekken. Is dat wel genoeg om antwoord te geven op zo'n grote vraag?
Mijn grootvader kan ik me nog herinneren. Hij overleed niet lang na mijn geboorte. Maar ik heb hem ontmoet. Er zitten zinnen van hem in mijn hoofd. Ik heb wat souvenirs. Hij maakt deel uit van mijn persoonlijkheid, van wie ik ben. Ik had nog verder terug kunnen gaan in de tijd. Maar de vierde generatie ken ik niet. Die heb ik nooit gezien, die staat te ver van mij af.

Die eetwedstrijden uit het tweede verhaal, hebben die daadwerkelijk bestaan onder het communisme?
Nee, dat is een fantasmagorie. Die eetwedstrijden zijn er nooit geweest. Maar het had wel gekund. Ik had maar 30 minuten om te laten zien wat het wezen van communisme was. Ik heb er voor gekozen deze fantasmagorie te gebruiken omdat het communisme, net als alle dictaturen, volkomen absurd was.

U had het daarnet over beeldend kunstenaars. Bent u bekend met het werk van Günther von Hagen? [De Duitse anatomist die met zijn installaties grote opschudding in de kunstwereld veroorzaakte, door met geplastificeerde lijken te werken. JS]
Natuurlijk. Ik voel wel een bepaalde verwantschap. Hoewel ik zijn werk nogal moralistisch vind. Het werk van Thomas Mann is nog belangrijker voor mij geweest. taxidermia is in eerste instantie een klassieke familiegeschiedenis, in zijn traditie. De eerste generatie legt in dit verhaal de basis. Alles begint met de grootvader. Daarna komt de zoon, of de vader zo je wilt, die hem opvolgt. Die bouwt alles verder uit. En tot slot is daar de derde generatie, mijn generatie, die alles vernietigt. Maar dat niet alleen. De hoofdpersoon uit het derde verhaal, de taxidermist, transformeert. Hij transformeert het leven, zoals de kunst het leven sublimeert. Vandaar dat ik uitkwam bij taxidermie. Wat Von Hagen en de body-artists nu doen is een merkwaardig antwoord van de hedendaagse beeldende kunst op de vraag: wat is het menselijk wezen? De taxidermist in mijn film probeert op dezelfde manier een antwoord te vinden op die vraag. Hij transformeert zijn eigen lichaam in een torso.

In de film is heel even een poster van Michael Jackson te zien. Is dat bedoeld als kritiek op hoe we met het menselijk lichaam omgaan?
De wetenschap is nu zover, dat we het lichaam kunnen veranderen. Rijke mensen, waaronder film- en popsterren, doen dat ook. Dat is een deel van onze cultuur. Maar dat Michael Jackson in de film zit, is niet meer dan een grap.

Als we een stapje verder gaan naar de biomechanica. Kunstarmen en -benen, boezemt u dat angst in?
Alles is nu in handen van de mens. Iedereen kan nu zelf beslissen. Over een paar jaar zijn we zo ver dat iedereen die zijn lichaam wil veranderen dat ook kan.

Is dat een goede ontwikkeling?
Dat weet ik niet. Iedereen kan daar in de toekomst zijn eigen beslissing in nemen. Daar wil ik geen uitspraak over doen.

Jeroen Stout


taxidermia

Neuken, eten en eeuwig leven

Oef. Die tweede film. Da's altijd moeilijk. Zeker als je met je debuut zoveel succes hebt gehad als Hongaar György Pálfi met hukkle. Gelukkig biedt taxidermia genoeg stof (of kunnen we beter zeggen: vlees?) voor een heel oeuvre.

Wie hoort in dit rijtje niet thuis: István Szabó, Béla Tarr of György Pálfi? György Pálfi zegt u, omdat zijn twee films hukkle en nu taxidermia zo anders zijn dan wat we ooit uit Hongarije zagen? Fout! Het zijn Szabó en Tarr, omdat Pálfi in z'n eentje de hele Hongaarse filmgeschiedenis opvreet.
Eten en gegeten worden, daar draait het dan ook om, in de absurd-barokke horroropera taxidermia. En hoe alle vlees de weg van het verderf/bederf volgt. En de mens in opstand komt tegen de begrenzingen van zijn eigen lichaam en daarmee een lange neus trekt tegen de sterfelijkheid. Denk Monty Python meets David Cronenberg. Denk Terry Gilliam meets Luis Buñuel. Denk verder helemaal niets en 'fasten your seatbelts, it's gonna be a bumpy ride' en neem een pilletje in tegen filmische duizelingen, misselijkheid, dubbelzien, slappe lach en geilheid. En dan is taxidermia ook nog eens een politieke allegorie van jewelste.

Bastaardgeneraties
taxidermia is teveel van het goede. Zoveel is zeker. Maar het is niet het soort overdaad dat schaadt. György Pálfi's tweede is het soort film dat wel heel hard probeert te bewijzen dat de regisseur meer in zijn mars heeft dan het betoverende hukkle (2002). Maar dat mag met tweede films. Bovendien: de film is zo intens, dat je hem wel moet bewonderen. En die betovering is ook bij herzien een half jaar later niet snel over.
Waar gaat het allemaal om? Gebaseerd op de korte verhalen van Lajos Parti Nagy (een van de 'herscheppers' van de Hongaarse taal, zoals Pálfi een van de 'hervormers' van de Hongaarse filmtaal is) vertelt taxidermia het verhaal van drie bastaardgeneraties Morosgoványi. Vader Vendel is een oversekste soldaat, zoon Kalman wereldkampioen overeten en kleinzoon Lajoska taxidermist (een dierenopzetter met een megalomaan masterplan). Drie generaties en een halve eeuw Hongaarse geschiedenis (de motieven van oorlog, onderdrukking en bevrijding zitten ook heel letterlijk in de drie verschillende episodes) worden door Pálfi ingezet voor een tegendraadse metafysische bespiegeling over de vraag wat er eigenlijk van de mens overblijft als zijn lichaam verdwijnt. Kortom: het nut van al dit ondermaanse geneuk, gevreet en gewerk.

Masturbatietechnieken
Pálfi's vertelling is lineair en multidimensionaal tegelijkertijd. Belangrijker dan zijn geschiedschrijving is de associatieve tocht die hij onderneemt door een visueel universum. taxidermia wordt niet door een plot voortgedreven (al is die er wel, inclusief idiote ontknoping), maar door de logica van kleur en vorm. Hij doet wel een beetje denken aan Peter Greenaways a zed & and two noughts (1985), en is een antwoord op Greenaways latere verwijt dat cinema teveel geïllustreerde tekst is. In taxidermia ontstaat filmische causaliteit doordat, bijvoorbeeld, er een bad in een aantal opeenvolgende scènes voorkomt, een kind krijst (of een varken), wonderlijke masturbatietechnieken worden beproefd, of een gat is, waar camera en hoofdpersonen in gelukzalige solidariteit doorheen kunnen gluren.

Dana Linssen

taxidermia
Hongarije/Oostenrijk/Frankrijk, 2006
Productie: Alexander Dumreicher-Ivanceanu e.a.
Regie: György Pálfi
Scenario: György Pálfi naar de verhalen van Lajos Parti Nagy
Camera: Gergely Pohárnok
Montage: Réka Lemhényi
Art direction: Adrienn Asztalos
Muziek: Amon Tobin
Met: Csaba Czene, Gergely Trócsányi, Piroska Molnár, Adél Stanczel
Kleur, 91 minuten
Distributie: Contact Film
Te zien: vanaf 12 oktober

Naar boven