Januari 2008, nr 295

Roy Andersson

Wees gul

"De mens is zijn eigen vijand, maar ook zijn eigen geliefde." De Zweedse Roy Andersson over zijn film you, the living.

Roy Andersson.

De dag na zijn première in Cannes zit Roy Andersson met een gemengd gevoel op het terras. Het publiek heeft hem beloond met ontelbare gulle lachsalvo's. Maar die projectie... "Ten minste twee aktes waren niet helemaal scherp. Het is toch een schande dat zo'n gerenommeerd festival niet eens een professionele operateur kan inhuren." Een gesprek met een perfectionist.

U heeft uw filmstijl trivialisme genoemd. Kunt u uitleggen wat dat inhoudt?
Het is een grap. Mensen vinden het leuk om termen te gebruiken als absurdisme, expressionisme, impressionisme. Dus ik dacht; als we dit eens trivialisme noemen. Ik probeer in mijn films belangrijke dingen te vertellen via triviale gebeurtenissen. Ons leven, zowel het mijne als het uwe, is over het algemeen vrij triviaal en banaal. Maar dat is niet erg, daar moeten we niet bang voor zijn.

Die triviale scènes die u ons voorschotelt, hoe ontstaan die? Is dat allemaal verzonnen?
Nee, ik put vooral uit mijn eigen herinnering. De scène waarin de mensen uitstappen en nog net voor de tram langs willen lopen voordat die weer wegrijdt is een letterlijke herinnering aan mijn jeugd in Göteborg. U zult het misschien niet geloven, maar vroeger was ik een groot fan van de Italiaanse neorealisten. In die tijd had ik mij niet kunnen voorstellen dat ik nu de films maak die ik maak. Maar er is een moment gekomen dat ik genoeg kreeg van het realisme. Gelukkig heb ik het lef gehad om verder te gaan, om mijn werk abstracter te maken. Ook onder invloed van mensen als Fellini en Buñuel.

En Kaurismäki? U heeft eenzelfde onderkoeld, Scandinavisch gevoel voor humor.
Nee, de meeste van zijn films heb ik helaas gemist. Maar dat komt nog wel. Laat ik trouwens Jacques Tati niet vergeten. playtime, les vacances de monsieur hulot.

De scène met de hond, die oude man die moeizaam zijn rollator voortduwt terwijl hij niet in de gaten heeft dat hij een hond achter zich aansleept, dat kunt u toch niet zelf gezien hebben?
(Andersson moet lachen als hij terugdenkt aan zijn eigen scène.) Ja, die man is doof, en denkt dat het aan de rollator ligt dat hij zo moeizaam vooruitgaat. Haha.
Wij mensen zijn zo gehecht aan dieren omdat we een vriend nodig hebben. Als er geen mensenvriend voorhanden is zoeken we het bij de dieren. Vooral bij katten en honden. In Zweden hebben zoveel mensen een hond. Vooral oudere mensen, die kopen er één zodra hun echtgenoot overlijdt.
Maar ook deze scène heb ik gezien. In een buitenwijk. Er liep een oude man met een rollator en hij had niet door dat zijn hond met zijn poot verstrikt was geraakt in zijn ketting. Dat beeld heb ik wat uitvergroot.

Nu we het toch over uw inspiratiebronnen hebben: ik kan mij zo voorstellen dat u veel filosofie leest.
Dat klopt. Vooral Martin Buber. Die heeft veel geschreven over schuld. De Duitsers hebben verschrikkelijke dingen gedaan in de Tweede Wereldoorlog. Dat was een aanslag op het leven zelf. De Duitsers hebben moeten leren leven met een existentialistische schuld. Daar worstel ik zelf ook mee. Ik ben geen Duitser, ik geloof niet in god en ik ben niet religieus. En toch voel ik een bepaalde schuld. Een schuld die ik als mens met mij mee draag en waar ik mee moet leren leven. Dat kan. Gelukkig. Door in een andere tijd op een andere plek iets goeds te doen. Dat was in het kort de thematiek van
songs from the second floor.
Deze film is meer gebaseerd op het werk van Emmanuel Lévinas, die zich afvraagt of wij mensen van nature beschikken over een gevoel van empathie.

Dat doet mij denken aan de rechter in deze film die beweert dat alle mensen egoïstisch zijn.
Dat zijn wij van nature. Kinderen maken in de zandbak al ruzie. Maar dat wil niet zeggen dat we geen empathie kunnen hebben voor anderen. De mens is een sociaal wezen. Daarom leer je genereus te zijn, omdat je afhankelijk bent van anderen. Een mens die altijd egoïstisch of egocentrisch is, en nooit eens genereus, zal nooit gelukkig worden. Dat is mijn filosofie.
Dat wil overigens niet zeggen dat ik mijzelf vereenzelvig met de rechter. Zoals het gezegde luidt: niets menselijks is mij vreemd. En dus weerspiegelt mijn karakter zich in alle personages van deze film.

Dat zijn er overigens nogal wat.
Ik wilde een 'ruige' film maken. Ik wilde af van de gebaande paden. Ik wilde dat de kijker zich niet veilig zou voelen en het idee zou hebben dat alles zou kunnen gebeuren. En waarom zou ik me moeten beperken tot een paar hoofdpersonen? Ik begon deze film met de gedachte: de mens is zijn eigen vijand. Maar ook: de mens is zijn eigen geliefde. Oftewel: de mens is zijn eigen fascinatie. Vandaar dat je in het café eindeloos naar mensen kunt blijven kijken. En dus denk ik dat het mogelijk moet zijn een film te maken met een eindeloze hoeveelheid personages, zonder dat het saai gaat worden.

Toch is er een aantal personages dat terugkeert.
Ja, het jonge meisje, de alcoholica en de vrouw van de tubaspeler. Uiteindelijk is het verhaal narratiever geworden dan mijn bedoeling was. Maar ik werd verleid door die personages. En toen dacht ik: waarom zou ik zo formalistisch zijn. Als ik daar nou zin in heb?

Dat is wel opvallend aan deze film. Het is niet echt een verhaal, maar meer een serie tableaus.
Mijn enige uitgangspunt is de thematiek geweest. Verder heb ik alles laten ontstaan. Ik heb me laten inspireren door André Bazin, de Franse criticus die beweerde dat je de kijker niet moet tonen wat hij moet voelen. Je moet hem proberen te verleiden zijn eigen gedachten te formuleren, zijn eigen verhaal te maken. Dan wordt hij ook actiever.

De volgorde van de scènes, was die vooraf al bepaald?
Ik wist waar ik mee zou beginnen en waar ik mee zou eindigen. Maar verder is de volgorde van alle scènes pas aan de montagetafel tot stand gekomen. Op intuïtie.

En de scènes zelf? Ligt alles al vast of laat u veel ruimte op de set voor improvisatie?
Ik heb wel in mijn hoofd wat ik wil hebben, in grove lijnen. Maar het is pas op de set dat de scènes echt ontstaan en worden uitgewerkt.

Dat zou je niet zeggen. Alles ziet er heel precies en strak georkestreerd uit.
Ik zit dan ook op een gemiddelde van 25 takes per scène. Gemiddeld. Er was ook een scène die ik in 9 takes heb gedaan.

Welke?
(Lachend) De truc met het tafelkleed waar al het porselein sneuvelt. Dat moest wel, anders zou het te duur worden. Maar er zijn scènes die ik 70 keer heb gedraaid.

Vandaar dat u nog altijd boos bent over de projectie tijdens de première. Maar bent u toch niet vooral blij met de reactie van het publiek?
Natuurlijk. Ik zie mezelf niet als een kunstenaar. Dat laat ik aan anderen over. Maar ik gebruik artistieke middelen om de mensen een spiegel voor te houden. Ik hoop dat ze daarmee door een lens naar hun eigen leven kijken. Een lens die de blik op hun eigen leven verbreedt. In de hoop dat ze zich minder zorgen maken. En zich wat genereuzer opstellen. Vooral dat, wees genereus naar de ander. En toch, dat ze zo slordig met mijn film zijn omgegaan vind ik een gebrek aan respect.

Jeroen Stout


you, the living

Levensteken uit schaduwuniversum

De nieuwe film van Roy Andersson toert als IFFR-preview langs de filmtheaters. you, the living is een milde variant op songs from the second floor. Life sucks, maar morgen is er weer een dag.

Therefore rejoice, oh thou living one, blest in they lovelighted homestead
Ere the dark Lethe's sad wave wettest they fugitive foot

Vijfentwintig jaar had hij geen films gemaakt, dus toen de Zweedse cineast Roy Andersson (1943) in 2000 opeens met zijn songs from the second floor in Cannes opdook, was hij de verrassing van het jaar. Geen wonder dat het Filmfestival Rotterdam hem het jaar daarop als Filmmaker in Focus eerde. Al was het maar een klein oeuvre dat de filmer mee naar Nederland bracht: die speelfilm, wat kort werk en een handvol reclamefilms waaruit desondanks duidelijk werd dat de Zweed in zijn Stockholmse Studio 24 niet zozeer werkte aan een oeuvre, maar aan een schaduwuniversum.
Net als songs voert ook zijn nieuwste werk you, the living de toeschouwer binnen in een droogkomisch vagevuur, een apocalyptische tussenwereld van 50 gefixeerde tableaus waarin de hoofdpersonen zich allemaal vlak voordat de barman de laatste ronde omroept nog even afvragen of het leven wel zin heeft. En zo niet, ach, morgen is er weer een dag. Voorafgaande aan zijn première op het IFFR toert de film al vanaf begin januari langs de filmtheaters, en wie hem dan nog gemist heeft, kan vanaf 6 maart de schade inhalen. Of hem nog een keertje gaan bekijken natuurlijk. Want in Anderssons taferelen kun je ontdekkingen blijven doen.

Halsketting
In zo'n vijftig shots varieert Andersson met eindeloze precisie op de troosteloosheid van het bestaan in zijn bekende jadegroene onderwaterwereld. Op de dvd van songs is te zien hoe hij te werk gaat: elke set (ook voor de zogenaamde buitenopnames) wordt in zijn eigen studio nagebouwd op grond van gedetailleerde plakboeken en storyboards. Hallen vol witte overhemden, kopjes en schoteltjes, tafels en stoelen heeft hij verzameld, voor het geval hij ooit nog eens precies die ene nodig heeft ter verwezenlijking van zijn droomvisioenen. Geen klassieke verhalen vertelt hij. Maar met behulp van visuele associaties, narratief binnenrijm en een nachtmerrieachtige logica rijgt hij zijn beelden aaneen als de halsketting van een verdronken meisje.
Een aantal favoriete personages: de man met de tuba, de depressieve neonazi, het pasgetrouwde stel dat (letterlijk! in het enige 'bewegende' shot van de film) de wereld aan zich voorbij ziet trekken en natuurlijk de recht in de camera pratende minitruckchauffeur die droomde, nu ja, dat hij die truc met dat tafelkleed kon. Behalve de hakenkruizen op de tafel van de zombiebleke familie die hij onthult, lijkt Anderssons obsessie met de schuldvraag na de holocaust wat verminderd. Daarom, en omdat hij het tempo wat opvoerde (de film is ietsje korter dan songs en tegelijkertijd zo'n vijf shots langer) is de verleiding misschien aanwezig om van een herhalingsoefening in light-variant te spreken. Maar light-producten zijn giftiger dan the real thing weten we inmiddels, en Anderssons gif is zo vernuftig dat we er niets van merken tot ons eigen lijkbleke gezicht vanuit de spiegel terugstaart. Wie vrolijk wordt van bovenstaand citaat van Goethe, waar de film mee opent, die is bij deze uitgenodigd voor een ritje in de trein met eindstation Lethe. De rest ontmoeten we daar wel.

Dana Linssen

you, the living (du levande)
Zweden/Duitsland/Frankrijk, 2007
Productie: Philippe Bober, Pernilla Sandström
Regie en scenario: Roy Andersson
Camera: Gustav Danielsson
Montage: Anna Märta Waern
Art direction: Magnus Renfors, Elin Segerstedt
Muziek: Benny Andersson
Met: Björn Englund, Håkan Angser, Eric Bäckman
Kleur, 94 minuten
Distributie: Filmmuseum
Te zien: vanaf 6 januari in de IFFR Preview Tour, vanaf 23 januari op het IFFR en vanaf 6 maart in de filmtheaters

Naar boven